Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6744

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201205628/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Naastenbest en Dijkstraten-Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201205628/1/R3.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden wonend te Best,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Best,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Naastenbest en Dijkstraten-Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2012, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], bij monde van [appellant sub 1], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Crommentuijn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De bezwaren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie] te Best, voor zover op dat perceel geen bouwmogelijkheden aan de voorzijde van de woning bestaan. Hiertoe voeren zij aan dat het plandeel ten onrechte minder bouwmogelijkheden bevat dan het voorheen geldende bestemmingsplan "Naastenbest", dat wel bouwmogelijkheden aan de voorzijde van de woning bood. Gezien de geringe grootte van de achtertuin is het onredelijk om alleen daar bouwmogelijkheden toe te kennen. Nu hun voortuin 10 m diep is, genieten bouwmogelijkheden aan de voorzijde van de woning volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dan ook de voorkeur. Voorts heeft de raad in de nota van zienswijzen ten onrechte gesteld dat voor alle gelijksoortige woningen aan het [straatnaam] een vergelijkbaar bouwvlak is opgenomen dat aansluit op de opzet van de straat en de reeds gerealiseerde uitbouwen. Nu op de percelen [straatnaam] 38, 68, 73, 99 en 108 reeds een uitbouw aan de voorzijde is gerealiseerd en [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet meer over deze mogelijkheid beschikken, is de beperking van hun bouwmogelijkheden in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

1.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat in dit plan een uniforme regeling is opgenomen ten aanzien van de bouwmogelijkheden voor de woningen aan de westzijde van het [straatnaam]. Voorheen stond het bestemmingsplan "Naastenbest", dat van toepassing was op de woningen aan het [straatnaam] 117 - 135, toe dat uitbouwen aan de voorzijde van de woning werden gebouwd. Het bestemmingsplan "Schutboom", dat op de woningen aan het [straatnaam] 1 - 115 van toepassing was, stond dit evenwel niet toe. Voorts worden met het bestemmingsplan de bouwmogelijkheden aan de voorzijde van de woningen beperkt, maar tegelijkertijd worden de bouwmogelijkheden aan de achterzijde van de woningen uitgebreid. De achtertuin van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is ongeveer 11 m diep en biedt daarom voldoende ruimte voor het realiseren van een uitbouw. Tot slot stelt de raad dat het, gezien het uniforme straatbeeld, niet wenselijk is dat een diversiteit aan uitbouwen aan de voorzijde van woningen in het [straatnaam] ontstaat.

1.2.    In het plan is de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bouwvlak" aan het perceel van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] toegekend. Voorts is aan de achterzijde van het perceel de aanduiding "bijgebouwen" toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.2.1, aanhef en onder f, van de planregels mag de voorgevelrooilijn uitsluitend worden overschreden met een erker, portiek, balkon of luifel, met inachtneming van de volgende regels:

1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 6 m²;

2. de afstand tot de aan de weg gelegen bouwperceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m;

3. de bouwhoogte van een erker, portiek of luifel mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw;

4. de afmetingen van een luifel boven de toegang van een woning mag ten hoogste 1,5 m x 1 m bedragen.

Ingevolge lid 14.2.2, aanhef en onder a, mogen aan- en uitbouwen en bijgebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak, dan wel op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen".

Ingevolge het bepaalde onder b dienen aan- en uitbouwen en bijgebouwen te worden gebouwd op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw. Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen in of op een kleinere afstand achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw geldt de bestaande afstand als minimaal aan te houden afstand tot de voorgevellijn van het hoofdgebouw.

Ingevolge het bepaalde onder d mogen de gronden buiten het bouwvlak, die zijn gelegen achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan, voor maximaal 50% worden bebouwd.

Ingevolge het bepaalde onder e bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, per perceel niet meer dan voor:

1. percelen kleiner dan 300 m²: 70 m²;

2. percelen gelijk aan of groter dan 300 m²: de onder 1 genoemde oppervlakte vermeerderd met 10% van de overmaat, met dien verstande dat de totale bebouwde oppervlakte aan aanbouwen en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 250 m².

Ingevolge het bepaalde onder g mag de goothoogte van een aan- of uitbouw bij hoofdgebouwen met een goothoogte:

1. tot 6 m niet meer 3 m bedragen;

2. van meer dan 6 m niet meer dan 4 m bedragen.

Ingevolge het bepaalde onder i mag de bouwhoogte van een aan- of uitbouw bij hoofdgebouwen met een goothoogte:

1. tot 6 m niet meer dan 5 m bedragen;

2. van meer dan 6 m niet meer dan 7,5 m bedragen;

met dien verstande dat de bouwhoogte van een aanbouw niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

1.3.    In het voorheen geldende bestemmingsplan "Naastenbest" was de bestemming "Eengezinshuizen in de aangegeven bebouwingsklasse L" aan een gedeelte van het perceel van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] toegekend. Aan het andere gedeelte van het perceel was de bestemming "Voor- of zijtuin" toegekend.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Eengezinshuizen" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor het bouwen van woningen in de op de kaart aangegeven bebouwingsklasse met de daarbij behorende bijgebouwen en andere bouwwerken, met dien verstande dat per woningen één aangebouwd bijgebouw mag worden gebouwd, mits:

1. de breedte niet meer bedraagt dan 60% van de gevelbreedte van de woning waaraan het gebouwd wordt;

2. de afstand van de achtergevel van het bijgebouw tot de achtergevel van de woning niet meer bedraagt dan de helft van de breedte van de betreffende woning;

3. de hoogte niet meer bedraagt dan 3 m;

4. de voorgevel wordt geplaatst evenwijdig aan de naar de toegangsweg of het toegangspad gekeerde bebouwingsgrens:

5. de zijgevel wordt geplaatst op de zijdelingse perceelsgrens of ten minste 2 m daaruit.

Ingevolge artikel 9 zijn de op de plankaart voor "Voor- of zijtuin" aangewezen gronden bestemd voor tuin, met dien verstande dat op deze gronden geen bebouwing mag worden opgericht met uitzondering van andere bouwwerken, welke naar aard en afmetingen bij deze bestemming passen.

1.4.    De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De thans opgenomen bouwmogelijkheden voor het perceel [locatie] zijn aan de voorzijde van de woning beperkt ten opzichte van de bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan. In dat plan was het bestemmingsvlak "Eengezinshuizen" groter dan het bouwvlak in dit plan, waardoor het voorheen geldende plan het in tegenstelling tot dit plan mogelijk maakte om aan de voorzijde van de woning een uitbouw van ongeveer 4 m diep te realiseren. Voor de achterzijde van de woning zijn echter thans ruimere bouwmogelijkheden opgenomen dan in het voorheen geldende plan, nu aan de gehele achtertuin van het perceel de aanduiding "bijgebouwen" is toegekend. Ingevolge artikel 14, lid 14.2.2, aanhef en onder d en e, van de planregels mag het gedeelte van het perceel waaraan deze aanduiding is toegekend tot maximaal 50% worden bebouwd en mogen de aan- en uitbouwen en bijgebouwen een maximale oppervlakte van 70 m² beslaan. In het voorheen geldende plan mocht slechts binnen het bestemmingsvlak "Eengezinshuizen" worden gebouwd en waren de voor "Voor- of zijtuin" aangewezen gronden bestemd voor tuin. Voorts is de toegestane bouwhoogte van uitbouwen in het plan minimaal 2 m hoger dan in het voorheen geldende plan. Tot slot is in het plan geen beperking gesteld aan de breedte van uitbouwen, terwijl het voorheen geldende plan slechts een uitbouw met een breedte van maximaal 60% van de gevelbreedte van de woning toestond.

In paragraaf 1.1 van de plantoelichting is overwogen dat het plan ten doelt stelt een eenduidige en uniforme regeling voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing binnen het plangebied te bieden. Voor een groot gedeelte van de woningen aan het [straatnaam] bestonden ingevolge het plan "Schutboom" reeds de beperktere bouwmogelijkheden, als voorzien in het bestemmingsplan. Met dit plan heeft de raad eenzelfde regeling voor alle woningen aan de westzijde van het [straatnaam] willen opnemen, waardoor een diversiteit aan uitbouwen aan de voorzijde van woningen wordt voorkomen. Voorts heeft de raad in zijn overweging betrokken dat de achtertuin van het perceel [locatie] een diepte van ongeveer 11 m heeft en derhalve voldoende ruimte beschikbaar is voor een uitbouw. De raad heeft gelet op het vorenstaande in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen bij het voorzien in een meer uniform straatbeeld dan aan het belang van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij het handhaven van ruimere bouwmogelijkheden aan de voorzijde van de woning. De raad heeft in aanmerking kunnen nemen dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] die eerdere bouwmogelijkheden niet hebben benut en ook met dit plan nog over bouwmogelijkheden beschikken. Voorts is niet gebleken dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten tijde van het bestreden besluit concrete bouwplannen hadden. Verder bestaan ingevolge artikel 14, lid 14.2.1, aanhef en onder f, van de planregels nog enige mogelijkheden om te bouwen aan de voorzijde van de woning.

Het betoog faalt.

1.5.    Ten aanzien van de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met de percelen [straatnaam] 38, 68, 73, 99 en 108 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat de uitbouwen op de genoemde percelen reeds gerealiseerd zijn. Zoals eerder overwogen, heeft de raad met dit plan een verdergaande verscheidenheid aan vooraanzichten van woningen aan het [straatnaam] willen voorkomen. De beperking van de bouwmogelijkheden aan de voorzijde van de woningen geldt derhalve voor alle percelen aan het [straatnaam] waarop thans geen uitbouw aan de voorzijde is gerealiseerd. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.    In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

288-758.