Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201111621/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2013/23 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden

Uitspraak

201111621/1/R2.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Sluis,

2.    [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), gevestigd te [plaats], gemeente Sluis,

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats] en anderen,

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Sluis,

5.    [appellant sub 5], wonend te Sint Oedenrode,

6.    [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats], gemeente Sluis,

7.    [appellante sub 7], gevestigd te [plaats], gemeente Sluis,

8.    [appellant sub 8], wonend te [woonplaats], gemeente Sluis,

9.    [appellant sub 9], wonend te [woonplaats], gemeente Sluis,

10.    [appellant sub 10], wonend te Sluis,

en

de raad van de gemeente Sluis,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 6], [appellante sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellant sub 10] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 10] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 8], [appellant sub 10] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 september 2012, waar [appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen, in de persoon van [appellant sub 3] en bijgestaan door mr. E.M.N. Noordover, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, [appellanten sub 6], bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 7], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 8], [appellant sub 9], vertegenwoordigd door mr. M.J.C. Mol, [appellant sub 10], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door J.M. de Feijter en S.M. den Haan, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B] als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Sluis. Het heeft tot doel om de vorige, verschillende bestemmingsplannen voor het gebied te integreren en te actualiseren.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.    [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de aan haar perceel aan [locatie 1] te [plaats] toegekende bestemming "Wonen" met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 5". Volgens haar voorziet het plan ten onrechte niet in de mogelijkheid een woning op dat perceel te realiseren. [appellant sub 1] wijst er hierbij op dat zij aan verschillende mondelinge en schriftelijke uitlatingen van het gemeentebestuur het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat aan haar deze mogelijkheid zou worden toegekend. Voorts betoogt zij dat het besluit van de raad om geen woonbestemming aan haar perceel toe te kennen onvoldoende is gemotiveerd.

2.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het algemeen belang, dat is gediend bij een consistent beleid ten aanzien van het aantal toegestane woningen, moet prevaleren boven het belang van [appellant sub 1].

2.2.    De raad heeft erkend dat bij [appellant sub 1] de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de bouw van een woning op haar perceel zou worden toegestaan. Hoewel de gemeenteraad de vrijheid toekomt om zijn beleid ten aanzien van te geven bestemmingen te wijzigen, dient hij bij het geven van een bestemming een door hem gewekte gerechtvaardigde verwachting als een zwaarwegend belang af te wegen tegen de andere belangen, zoals het algemeen belang en/of belangen van derden.

De raad heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt of, en in hoeverre, deze belangenafweging is verricht en heeft in zoverre niet de bij het nemen van een besluit in acht te nemen zorgvuldigheid betracht. Hierbij wordt nog opgemerkt dat [appellant sub 1] onweersproken heeft gesteld handelingen te hebben verricht naar aanleiding van de bij haar gewekte verwachting dat een woning op haar perceel zou worden toegestaan. Het betoog slaagt.

2.3.    Het beroep is gegrond. Het plan dient wat betreft de aan het perceel van [appellant sub 1] aan [locatie 1] te [plaats], voor zover het de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 5" bij de bestemming "Wonen" betreft, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het beroep van [appellant sub 2]

3.    [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de aan zijn perceel [locatie 2] te [plaats] toegekende bestemming "Agrarisch - 2". Hij richt zich in het bijzonder tegen de bij de bestemming opgenomen wijzigingsbevoegdheid, waarmee de bestemming van het perceel kan worden gewijzigd in "Natuur" of "Water". [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat zijn perceel niet zal worden benut voor de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: de EHS) en dat de raad ten onrechte stelt dat het perceel [locatie 2] agrarische grond met een aankooptitel betreft.

Voorts stelt [appellant sub 2] dat de provincie Zeeland heeft toegezegd dat zijn perceel na beëindiging van het natuurcompensatieproject voor de verdieping van de Westerschelde weer een agrarische bestemming zou krijgen. Hij wijst er verder op dat zijn perceel in gebruik is als landbouwgrond en dat er nooit sprake is geweest van natuurontwikkeling op het perceel.

3.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de Natuurbeheerplannen van 2009, 2010 en 2011 en de Provinciale ruimtelijke verordening Zeeland 2010 (hierna: de Verordening) de gelegde bestemming noodzakelijk maken.

3.2.    In de Natuurbeheerplannen van 2009, 2010 en 2011 en in de Verordening is het perceel [locatie 2] aangemerkt als bestaande natuur met een aankooptitel. De raad heeft onweersproken gesteld dat de Natuurbeheerplannen en de Verordening de bestemming "Agrarisch - 2" noodzakelijk maken. Voorts heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat hij nadelige gevolgen ondervindt van de bij de bestemming "Agrarisch - 2" opgenomen wijzigingsbevoegdheid, nu de wijzigingsbevoegdheid enkel kan worden toegepast als de gronden gebruiksvrij zijn verworven door de natuurbeheerder. Derhalve is de medewerking van [appellant sub 2] vereist voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. Het betoog faalt.

3.3.    In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

4.    [appellant sub 3] en anderen kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Horeca" met de functieaanduiding "horeca van categorie 3" ten behoeve van discotheek The Limit ter plaatse van Mollekotweg 5 te IJzendijke. Zij betogen hiertoe dat de raad ten onrechte geen inhoudelijke reactie heeft gegeven op de door hen ingediende zienswijze.

4.1.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Als niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk wordt ingegaan, behoeft dat op zichzelf geen aanleiding te zijn voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De beantwoording van de zienswijzen van [appellant sub 3] en anderen is echter zeer beperkt en geeft er geen blijk van dat de bezwaren en argumenten van [appellant sub 3] en anderen in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog slaagt.

5.    [appellant sub 3] en anderen betogen voorts dat het plan innerlijk tegenstrijdig is. Zij wijzen er hierbij op dat aan het perceel Mollekotweg 5 de aanduiding "horeca van categorie 3" is toegekend, terwijl er in het plan van wordt uitgegaan dat geen horeca van een categorie hoger dan 2 mogelijk wordt gemaakt.

5.1.    Ingevolge artikel 16, lid 16.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor de bestemming "Horeca" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 3" mede bestemd voor een horecabedrijf uit categorie 3 van de bij de planregels behorende Staat van horeca-activiteiten. Ingevolge de Staat van horeca-activiteiten wordt onder horeca van categorie 3 onder meer een discotheek verstaan. In het plan is derhalve expliciet voorzien in de mogelijkheid horeca van categorie 3 toe te staan. Gelet op het voorgaande mist het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat het plan op dit punt innerlijk tegenstrijdig is feitelijke grondslag.

6.    [appellant sub 3] en anderen betogen verder dat het plan niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien, nu volgens hen sprake is van een onevenredige aan[appellant sub 9]ting van hun woon- en leefklimaat ten gevolge van de in het plan mogelijk gemaakte discotheek. Hierbij wijzen zij erop dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van de in het plan mogelijk gemaakte discotheek op het gebied van geluidhinder, verkeer en openbare orde.

Tot slot betogen [appellant sub 3] en anderen dat de raad ten onrechte geen afweging heeft gemaakt van de bij het plan betrokken belangen.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemmingen die in voorheen geldende bestemmingsplannen waren opgenomen leidend zijn geweest bij het toekennen van de in het plan opgenomen bestemming. Volgens de raad zijn er geen redenen een andere bestemming aan het perceel toe te kennen.

6.2.    Het perceel Mollekotweg 5 had in het voorheen geldende bestemmingsplan, de tweede herziening van het bestemmingsplan "Landelijk gebied", de bestemming "Horecavestigingen".

Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder a, van de planregels van dat plan zijn gronden met die bestemming bestemd voor horecabedrijven.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 25, wordt onder horecabedrijf verstaan een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

a. het verstrekken van voedsel en/of dranken met het oogmerk dat deze ter plaatse worden genuttigd;

b. het exploiteren van zaalaccommodatie;

c. het verstrekken van nachtverblijf.

De activiteiten van een discotheek bestaan in hoofdzaak uit het bieden van gelegenheid tot dansen. Deze activiteit wordt niet genoemd in artikel 1, aanhef en onder 25 van de planregels. Het op het perceel Mollekotweg 5 gevestigde bedrijf is dan ook geen binnen de voormalige bestemming "Horecavestigingen" passend horecabedrijf. Gelet hierop stond het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" geen discotheek toe op het perceel Mollekotweg 5.

6.3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient een beoordeling plaats te vinden van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen. De raad heeft toegelicht dat geen beoordeling heeft plaatsgevonden van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een discotheek op het perceel Mollekotweg 5. Verder heeft de raad toegelicht dat de in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" opgenomen richtafstanden ten aanzien van het perceel Mollekotweg 5 niet zijn betrokken bij de voorbereiding van het plan. Voorts heeft er geen afweging plaatsgevonden ten aanzien van het woon- en leefklimaat van de omwonenden van de op het perceel Mollekotweg 5 toegestane discotheek. Niet is gebleken van een eerdere afweging ten aanzien van deze aspecten van de aanvaardbaarheid van een discotheek op dit perceel. De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit niet met de te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

7.    In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Hetgeen [appellant sub 3] en anderen overigens hebben aangevoerd behoeft bij gebrek aan belang geen behandeling. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 4]

8.    [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met het plan voor zover dit de uitbreiding mogelijk maakt van de pluimveehouderij aan de [locatie 3] te Oostburg. Hij betoogt dat de raad ten onrechte heeft nagelaten om te beoordelen of de in het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van het bedrijf significante gevolgen zal hebben voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Groote Gat". Hiermee heeft de raad gehandeld in strijd met artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), aldus [appellant sub 4].

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan mogelijk gemaakte bebouwing van 4.280 m2, planologisch reeds werd toegestaan onder het vorige bestemmingsplan. Voorts valt volgens de raad niet te verwachten dat door de uitbreiding van de bebouwing die het plan mogelijk maakt significante gevolgen zullen optreden voor het Natura 2000-gebied "Groote Gat". In verband hiermee stelt de raad dat de afstand tot dit gebied ruim drie kilometer bedraagt en dat dit gebied geen probleem kent met betrekking tot verzuring.

8.2.    Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, c en d, van de planregels, gelezen in verbinding met de verbeelding, zijn de gronden van het bedrijf, gelegen aan de [locatie 3] te Oostburg, bestemd voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven, behoud, versterking en ontwikkeling van aanwezige landschaps- en cultuurhistorische waarden en voor intensieve veehouderij als hoofdtak.

Ingevolge lid 8.2, onder 8.2.1, sub c, gelezen in verbinding met bijlage 1 bij de planregels, voor zover thans van belang, mag de oppervlakte van de gebouwen of bouwwerken, geen gebouw zijnde, van het bedrijf aan de [locatie 3] te Oostburg ten hoogste 4.280 m2 bedragen.

Ingevolge lid 8.3, onder 8.3.4, aanhef en sub a, gelezen in verbinding met bijlage 1 bij de planregels, voor zover thans van belang, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2 voor het bouwen ten behoeve van een intensieve veehouderij ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij', met in achtneming van het volgende: het totale bedrijfsvloeroppervlakte intensieve veehouderij bedraagt ten hoogste 5.000 m2.

8.3.    Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid, maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

8.4.    Blijkens het deskundigenbericht is de huidige oppervlakte aan bebouwing van het desbetreffende bedrijf ongeveer 3.100 m2. Nu op grond van het plan het bebouwde oppervlakte maximaal 5.000 m2 mag bedragen, biedt het plan de mogelijkheid om de bebouwde oppervlakte met ongeveer 1.900 m2 uit te breiden. Niet is gebleken dat de raad in verband met deze uitbreidingsmogelijkheid onderzoek heeft verricht naar mogelijke gevolgen voor het Natura-2000 gebied "Groote Gat" of heeft onderzocht of een passende beoordeling is vereist met betrekking tot de gevolgen voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Ook uit de door de raad ter zitting naar voren gebrachte stelling dat van de zijde van de provincie naar aanleiding van een vraag van de raad is gesteld dat geen negatieve gevolgen te verwachten zijn van de voorgestelde ontwikkeling, is onvoldoende om te oordelen dat onderzoek is verricht naar mogelijke gevolgen voor het desbetreffende gebied.

8.5.    Uit artikel 19j van de Nbw 1998 volgt dat reeds bij de vaststelling van een plan dient te worden bezien of daarbij ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt die effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelstelling hiervan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 200906702/1/R3) dient de raad bij de vaststelling van een (nieuw) bestemmingsplan de aanvaardbaarheid daarvan (opnieuw) te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving. Uit de enkele omstandigheid dat een bouwmogelijkheid voor intensieve veehouderij overeenstemt met de bouwmogelijkheid van het voorheen geldende plan, volgt niet dat het plan op dit punt in overeenstemming is met de Nbw 1998. Derhalve dient in dit geval, ten aanzien van de vraag of het plan significante gevolgen heeft voor het desbetreffende gebied, uitgegaan te worden van de bestaande bebouwing van ongeveer 3.100 m2 en de door het plan mogelijk gemaakte uitbreiding tot een oppervlakte van maximaal 5.000 m2.

De Afdeling overweegt voorts dat de raad zich, blijkens het deskundigenbericht, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het Kruipend moerasscherm niet gevoelig is voor verzuring door ammoniak. Volgens het deskundigenbericht is Kruipend moerasscherm zeer gevoelig voor verzuring. Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat het habitattype "Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones" eveneens zeer gevoelig voor verzuring is.

Gelet hierop en op de afstand van 3,3 kilometer van het bouwvlak tot de rand van het Natura 2000-gebied met daarin de genoemde, voor verzuring zeer gevoelige habitattypen, heeft de raad ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt of voor de in het plan geboden mogelijkheid tot uitbreiding van de intensieve veehouderij aan de [locatie 3] te [plaats] een passende beoordeling is vereist. Het betoog slaagt.

8.6.    In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluitonderdeel dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 5]

9.    [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met de aan zijn perceel, kadastraal bekend als gemeente Sluis, sectie H 141, toegekende bestemming "Wonen" met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 5". Volgens hem is de woning op zijn perceel ten onrechte niet positief bestemd. In dit verband wijst hij erop dat de woning onder het overgangsrecht van het vorige plan viel.

9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de woning op het perceel van [appellant sub 5] niet positief bestemd hoeft te worden, nu nieuwe woningen in het gebied op grond van het provinciale en gemeentelijke beleid ongewenst zijn. In dit verband wijst de raad erop dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" van de voormalige gemeente Oostburg het desbetreffende perceel was bestemd als "Tuin" en het overgangsrecht van dat plan niet langer op de vervallen woning op het perceel van [appellant sub 5] van toepassing was.

9.2.    Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de planvoorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" mag een bouwwerk dat op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestond of nadien legaal is of kan worden gebouwd en dat van het plan afwijkt, mits de bestaande afwijkingen niet worden vergroot:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. geheel worden vernieuwd, indien het bouwwerk door een calamiteit is teniet gegaan, mits de bouwvergunning is aangevraagd binnen 2 jaar nadat het bouwwerk is teniet gegaan.

9.3.    De woning op het perceel van [appellant sub 5] is ten gevolge van een calamiteit teniet gegaan. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant sub 5] langer dan twee jaar na die calamiteit een bouwvergunning heeft aangevraagd voor een gehele vernieuwing van die woning. Voormelde overgangsrechtelijke bepaling van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" bood dan ook geen bescherming meer aan het bouwwerk van [appellant sub 5]. Nu gelet op het voorgaande ten tijde van de vaststelling van het voorliggende plan ter plaatse geen sprake was van een bestaande, legaal aanwezige woning, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gemeentelijke en het provinciale beleid voor het buitengebied in de weg staan aan het toestaan van een extra woning op het perceel. Dit standpunt van de raad heeft [appellant sub 5] overigens niet bestreden. Het betoog faalt.

9.4.    In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 6 B]

10.    [appellante sub 6 B] kan zich niet verenigen met de plaatsing van de bebouwing op het perceel aan de [locatie 4] te [plaats] op de lijst van monumenten en cultuurhistorische waardevolle panden die als bijlage 6 is opgenomen bij de planregels. Hiertoe voert zij aan dat de schuren op dit perceel zowel uitwendig als inwendig ingrijpend zijn veranderd en zodoende geen cultuurhistorische waarde meer vertegenwoordigen.

10.1.    De raad stelt onder verwijzing naar een inventarisatie die is uitgevoerd door de Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek (hierna: SHBO) in 2004 en 2005, dat op het desbetreffende perceel cultuurhistorisch waardevolle gebouwen staan. Voorts stelt de raad dat plaatsing op de lijst in bijlage 6 geen nadelen, doch slechts voordelen voor de eigenaar oplevert.

10.2.    Uit voormelde inventarisatie van de SHBO blijkt dat het perceel aan de [locatie 4] een zekere mate van cultuurhistorische waarde heeft. Het enkele feit dat de gebouwen zijn gewijzigd nadat zij zijn opgericht, brengt naar het oordeel van de Afdeling niet met zich dat de raad zich niet op de conclusies van de SHBO zou kunnen baseren. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat blijkens het deskundigenbericht, bij de inventarisatie door de SHBO rekening is gehouden met de wijzigingen van de gebouwen. In het door [appellante sub 6 B] aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bebouwing op het perceel heeft kunnen opnemen op de lijst van monumenten en cultuurhistorische waardevolle panden die als bijlage 6 is opgenomen bij de planregels. Het betoog faalt.

10.3.    In hetgeen [appellante sub 6 B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

11.    [appellante sub 6 B] kan zich voorts niet verenigen met de planologische regeling voor het perceel dat is gelegen aan de [locatie 4] te IJzendijke, voor zover de strook grond tussen de woning aan dat adres en de weg de bestemming "Agrarisch" heeft gekregen. Zij voert hiertoe aan dat deze strook grond feitelijk als tuin in gebruik is en in het vorige bestemmingsplan ook als zodanig was bestemd. Derhalve is volgens haar de tuin onder het overgangsrecht gebracht, zonder dat vast staat dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd.

11.1.    De raad heeft aan het desbetreffende plandeel de bestemming "Agrarisch" toegekend. Ter zitting heeft de raad zich evenwel op het standpunt gesteld dat hij de bestemming "Wonen" beoogt voor dit perceel, zodat gebruik van de gronden als tuin bij de woning is toegestaan.

11.2.    Ter zitting heeft de raad medegedeeld dat op een tijdstip na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het plan de verbeelding is aangepast en de bestemming "Agrarisch" die aan de strook grond is toegekend, is gewijzigd in "Wonen". Deze aanpassing is evenwel niet aangebracht bij besluit van de raad, maar slechts door de verbeelding te wijzigen op onder meer www.ruimtelijkeplannen.nl, zijnde de landelijke voorziening waar in elektronische vorm bestemmingsplannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn, als bedoeld in artikel 1.2.2., eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Voorts is de aanpassing van de verbeelding niet op enige wijze kenbaar gemaakt. De verbeelding stemt in zoverre niet meer overeen met het plan zoals de raad dat heeft vastgesteld en op voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Het staat de raad, noch enig ander, vrij om een aanpassing op de verbeelding die in overeenstemming is met het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan en die met dat besluit ter inzage is gelegd, aan te brengen nadat dat besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De verbeelding kan in dat geval slechts worden aangepast met een nieuw raadsbesluit dat volgens de wettelijke procedure is voorbereid en bekendgemaakt.

Nu het bestreden plandeel bij het besluit tot vaststelling van het plan als "Agrarisch" is bestemd en niet als "Wonen", en de raad zich inmiddels op een ander standpunt stelt, zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding geven, ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 6 B] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Gelet op de betrokken belangen ziet de Afdeling in dit geval aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen om in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal een termijn van dertien weken worden gesteld.

12.    [appellante sub 6 B] kan zich verder niet verenigen met de aan de zogenoemde grote schuur op het perceel aan de [locatie 4] toegekende bestemming "Wonen". Zij voert daartoe aan dat dit gebouw in gebruik is voor de opslag van agrarisch materieel ten behoeve van het agrarische bedrijf dat zij tezamen met [appellant sub 6 A] voert en dat het gebouw als zodanig was bestemd onder het vorige bestemmingsplan. Derhalve is volgens haar het gebruik van dit gebouw onder het overgangsrecht gebracht, zonder dat vast staat dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd.

12.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van het perceel aan de [locatie 4] geen agrarisch bedrijf is gevestigd, zodat een bestemming ten behoeve van een zodanig bedrijf niet is vereist. Voor zover de grote schuur in gebruik is voor de opslag van agrarisch materieel, stelt de raad dat de bestemming "Wonen" hiervoor voldoende ruimte biedt.

12.2.    Ingevolge artikel 26, lid 26.4, onder d, van de planregels is ter plaatse van de bestemming "Wonen" de opslag van caravans, boten en inboedels uitsluitend binnen de bestaande gebouwen toegestaan.

12.3.    Niet in geschil is dat [appellante sub 6 B] onder het vorige plan de grote schuur kon gebruiken voor de opslag van agrarisch materieel ten behoeve van het agrarisch bedrijf dat zij samen met [appellant sub 6 A] voert. Gebleken is dat dit bedrijf niet is beëindigd en een omvang heeft van ongeveer 29 hectare aan verspreid liggende gronden.

In tegenstelling tot hetgeen de raad heeft gesteld omtrent de reikwijdte van artikel 26, lid 26.4, onder d, van de planregels is de Afdeling van oordeel dat het niet zonder meer duidelijk is dat het gebruik van de grote schuur voor de opslag van agrarisch materieel is toegestaan onder het geldende plan, zodat [appellante sub 6 B] geen zekerheid heeft of het door haar gewenste gebruik mogelijk is. Overigens heeft de raad ter zitting onderkend dat de bestemmingsomschrijving op dit punt enige onduidelijkheid kan opleveren en medegedeeld dat om die reden een planwijziging wordt voorbereid teneinde de nodige helderheid te bieden.

12.4.    In hetgeen [appellante sub 6 B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op de zogenoemde grote schuur, gelegen aan de [locatie 4] te IJzendijke, dient te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellant sub 6 A]

13.    [appellant sub 6 A] kan zich niet verenigen met de aan de twee loodsen die zijn gelegen aan de [locatie 5] te [plaats] toegekende bestemming "Wonen - 2". Hij voert daartoe aan dat deze gebouwen in gebruik zijn voor de opslag van agrarisch materieel ten behoeve van het agrarische bedrijf dat hij tezamen met [appellante sub 6 B] voert en dat deze loodsen als zodanig waren bestemd onder het vorige bestemmingsplan. Derhalve is volgens hem het gebruik van deze gebouwen onder het overgangsrecht gebracht, zonder dat vast staat dat dit gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd.

13.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van het perceel aan de [locatie 5] geen agrarisch bedrijf is gevestigd, zodat een bestemming ten behoeve van een zodanig bedrijf niet is vereist. Voor zover de loodsen in gebruik zijn voor de opslag van agrarisch materieel, stelt de raad dat de bestemming "Wonen - 2" hiervoor voldoende ruimte biedt.

13.2.    Ingevolge artikel 28, lid 28.4, onder d, van de planregels is ter plaatse van de bestemming "Wonen - 2" de opslag van agrarische producten, caravans, boten en inboedels uitsluitend binnen de bestaande gebouwen toegestaan.

13.3.    Niet in geschil is dat [appellant sub 6 A] onder het vorige plan de loodsen kon gebruiken voor de opslag van agrarisch materieel ten behoeve van het agrarische bedrijf dat hij samen met [appellante sub 6 B] voert. Gebleken is dat dit bedrijf niet is beëindigd en een omvang heeft van ongeveer 29 hectare aan verspreid liggende gronden. Ter zitting heeft [appellant sub 6 A] toegelicht dat hij geen uitbreiding van de bedrijfsmogelijkheden op dit perceel wenst, maar slechts het huidige gebruik van de loodsen wenst voort te zetten.

In tegenstelling tot hetgeen de raad heeft gesteld omtrent de reikwijdte van artikel 28, lid 28.4, onder d, van de planregels is de Afdeling van oordeel dat het niet zonder meer duidelijk is dat het gebruik voor de opslag van agrarisch materieel is toegestaan onder het geldende plan, zodat [appellant sub 6 A] geen zekerheid heeft of het door hem gewenste gebruik mogelijk is. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat onder de toegestane opslag van agrarische producten niet noodzakelijk de opslag van agrarisch materieel, zoals landbouwwerktuigen, kan worden verstaan. Overigens heeft de raad ter zitting onderkend dat de bestemmingsomschrijving op dit punt enige onduidelijkheid kan opleveren en medegedeeld dat om die reden een planwijziging wordt voorbereid teneinde de nodige helderheid te bieden.

13.4.    In hetgeen [appellant sub 6 A] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen - 2", voor zover dat betrekking heeft op de twee loodsen, gelegen aan de [locatie 5] te [plaats], dient te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het beroep van [appellante sub 7]

14.    [appellante sub 7] stelt dat het bouwvlak dat is toegekend aan het perceel gelegen aan de [locatie 6] te [plaats] ten onrechte onvoldoende ruimte biedt voor de realisering van een bedrijfswoning die zij op enige afstand en, gelet op de heersende windrichting, ten zuidwesten van de bestaande stallen op dit perceel wil kunnen bouwen. Voorts is het reeds bestaande mestbassin volgens haar ten onrechte buiten het bouwvlak gelaten, zodat dit bassin in het plan niet is toegelaten. Zij stelt dat de raad heeft toegezegd een bouwvlak op te nemen conform een door haar toe te zenden tekening, maar dat de raad hiervan is afgeweken.

14.1.    De raad bevestigt dat aan [appellante sub 7] is toegezegd een bouwvlak in het plan op te nemen waarin ruimte is voor het mestbassin en voor een bedrijfswoning. De raad stelt evenwel dat in het plan hiervoor de benodigde ruimte is opgenomen, zodat aan de wens van [appellante sub 7] is voldaan. De raad stelt van de vorm van het bouwvlak zoals deze door [appellante sub 7] is ingediend te zijn afgeweken, omdat de door haar voorgestelde vorm niet past binnen de bestemmingsplansystematiek. Dit is ook voor de planvaststelling aan [appellante sub 7] meegedeeld, aldus de raad.

14.2.    Zoals blijkt uit het deskundigenbericht en ter zitting door de raad is beaamd, is op een tijdstip na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het plan de verbeelding aangepast op een wijze die meer in overeenstemming is met hetgeen de raad heeft beoogd. Deze aanpassing is evenwel niet aangebracht bij besluit van de raad, maar slechts door de verbeelding te wijzigen op onder meer www.ruimtelijkeplannen.nl, zijnde de landelijke voorziening waar in elektronische vorm bestemmingsplannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn, als bedoeld in artikel 1.2.2., eerste lid, van het Bro. Voorts is de aanpassing van de verbeelding niet op enige wijze kenbaar gemaakt. De verbeelding stemt in zoverre niet meer overeen met het plan zoals de raad dat heeft vastgesteld en op voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Het staat de raad, noch enig ander, vrij om een aanpassing op de verbeelding die in overeenstemming is met het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan en die met dat besluit ter inzage is gelegd, aan te brengen nadat dat besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De verbeelding kan in dat geval slechts worden aangepast met een nieuw raadsbesluit dat volgens de wettelijke procedure is voorbereid en bekendgemaakt.

Nu het bouwvlak bij het besluit tot vaststelling van het plan een bepaalde omvang heeft gekregen en de raad zich wat betreft die omvang inmiddels op een ander standpunt stelt, zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding geven, ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Gelet op de betrokken belangen ziet de Afdeling in dit geval aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen om in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal een termijn van dertien weken worden gesteld.

Het beroep van [appellant sub 8]

Het perceel aan de [locatie 7]

15.    [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 2" die is toegekend aan het perceel, kadastraal bekend sectie […], nr. […], gelegen aan de [locatie 7] te [plaats]. Hij voert hiertoe aan dat het perceel door de gevolgen van deze bestemming ongeschikt wordt voor landbouw en daardoor ook onverkoopbaar zal worden.

15.1.    De raad stelt dat het betrokken perceel op grond van de Provinciale ruimtelijke verordening Zeeland 2010 (hierna: de Verordening) is aangewezen als nieuwe natuur. De Verordening vereist volgens de raad een bestemming zoals die is toegekend. Nu daadwerkelijke toekomstige natuurontwikkeling afhankelijk is van vrijwillige verkoop van de gronden door [appellant sub 8], verandert daarbuiten in de praktijk niets voor het perceel, aldus de raad.

15.2.    Blijkens kaart 9, behorende bij de Verordening, is het perceel waarop de bestreden bestemming ziet, aangeduid als "Nieuwe natuur".

Ingevolge artikel 2.11, eerste lid, van de Verordening, mogen in de gebieden zoals aangeduid op kaart 9, behorende bij deze Verordening, met de aanduiding Nieuwe natuur het bestaand gebruik en de bestaande bebouwing positief worden bestemd.

Ingevolge het derde lid worden in een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor de in het eerste en tweede lid bedoelde gebieden geen nieuwe vormen van grondgebruik en wordt geen nieuwe bebouwing toegelaten.

15.3.    Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 2" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven;

b. behoud, versterking en ontwikkeling van aanwezige landschaps- en cultuurhistorische waarden;

c. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen;

d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en nutsvoorzieningen.

Ingevolge lid 10.2 mag op deze gronden worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, - met uitzondering van paardenbakken, stapmolens, stellingen, overkappingen en voorzieningen voor opslag - worden gebouwd;

b. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;

c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.

Ingevolge lid 10.3 gelden met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken de volgende regels:

a. voorzieningen voor opslag, niet zijnde bouwwerken, zoals mestbassins en bassins voor de opslag van andere stoffen zoals water, zijn niet toegestaan;

b. de opslag van goederen is niet toegestaan;

c. containervelden en bassins ten behoeve van aquacultuur zijn niet toegestaan.

15.4.    Niet in geschil is dat het perceel, kadastraal bekend sectie […], nr. […], gelegen aan de [locatie 7] te [plaats], wordt gebruikt als agrarisch perceel en dat er geen bebouwing op aanwezig is. Op grond van artikel 10 van de planregels kan dit gebruik worden voortgezet, zij het met enige beperkingen voor bebouwing en gebruik. Nu de raad op grond van de Verordening gehouden was om geen nieuwe vormen van grondgebruik of nieuwe bebouwing toe te staan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een beperking van bebouwing en gebruik, zoals opgenomen in artikel 10 van de planregels, heeft kunnen opnemen.

Voor zover [appellant sub 8] betoogt dat zijn gronden door de natuurontwikkeling op de naastgelegen percelen niet meer bruikbaar zullen zijn voor agrarisch gebruik vanwege de als gevolg daarvan optredende vernatting, overweegt de Afdeling dat uit het deskundigenbericht blijkt, dat er geen hydrologische maatregelen worden voorgesteld die van invloed kunnen zijn op de grondwaterstand ter plaatse van zijn perceel.

Wat verder de eventueel nadelige invloed betreft van het plan op de waarde van zijn gronden door deze bestemming en door de schaduwwerking van het naastgelegen bos, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Het betoog faalt.

15.5.    In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het perceel aan de [locatie 8]

16.    [appellant sub 8] kan zich voorts niet verenigen met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" die is toegekend aan een deel van de gronden gelegen aan de [locatie 8] te Zuidzande. Hij stelt dat de raad ten onrechte heeft nagelaten om archeologisch onderzoek te laten verrichten naar de archeologische waarden of te motiveren waarom deze gronden een archeologische verwachtingswaarde hebben die deze dubbelbestemming rechtvaardigt. Volgens hem was er voorheen nooit sprake van een archeologische verwachtingswaarde en zijn recent verschillende werkzaamheden uitgevoerd op een deel van het perceel. Hij stelt dat het terrein is opgehoogd, een schuur is gebouwd met een fundering tot een diepte van ongeveer vier meter en graafwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Hierbij zijn geen archeologische resten aangetroffen. Verder stelt hij dat volgens de indicatieve kaart archeologische waarden (hierna: IKAW) het plangebied is gelegen in een gebied dat wordt gekenmerkt door een lage archeologische verwachtingswaarde. Voorts stelt hij dat hij door deze dubbelbestemming onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt.

16.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat archeologische waarden dienen te worden beschermd op grond van de Monumentenwet. Dat in het verleden in een bestemmingsplan geen gegevens over archeologische waarden waren opgenomen, maakt niet dat deze waarden niet kunnen bestaan, aldus de raad. Hij stelt zich met betrekking tot de te beschermen waarden te hebben gebaseerd op de Archeologische Monumentenkaart (hierna: AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zoals deze beschikbaar is gemaakt via de provinciale waardenkaart van de provincie Zeeland. Hoewel de raad deze informatie ten behoeve van het bestemmingsplan niet per perceel heeft gecontroleerd, ziet hij geen aanleiding aan deze informatie te twijfelen met betrekking tot het perceel van [appellant sub 8]. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de dubbelbestemming niet leidt tot een onevenredige belasting van het bedrijf van [appellant sub 8], gelet op de belangen die de bescherming van archeologische waarden dient.

16.2.    In het plan is aan een deel van de gronden gelegen aan de [locatie 8], te [plaats], de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" toegekend. Op grond van artikel 33 van de planregels zijn de bouwmogelijkheden ter plaatse van deze dubbelbestemming beperkt. Verder zijn er op grond van dit artikel in een aantal omstandigheden verplichtingen tot het doen van archeologisch onderzoek alvorens bouwwerken te mogen oprichten of werken of werkzaamheden uit te voeren, behoudens werken en/of werkzaamheden die het normaal beheer of onderhoud betreffen.

16.3.    Met betrekking tot terreinen van hoge en zeer hoge archeologische waarde, zoals aangegeven op de AMK, geldt blijkens de plantoelichting in principe altijd behoud in situ, hetgeen inhoudt dat deze terreinen op gemeentelijk niveau een afdoende planologische bescherming moeten krijgen en niet vrijgesteld kunnen worden van onderzoek, tenzij het een oppervlakte betreft tot 30 m².

Blijkens de plantoelichting heeft de raad zich met betrekking tot het toekennen van archeologische waarden aangesloten bij het provinciale beleid hiervoor. De raad heeft zelf geen beleid hieromtrent opgesteld. Wel heeft de raad opdracht gegeven voor het opstellen van een gedetailleerde archeologische verwachtingskaart voor het gehele grondgebied van de gemeente Sluis. Ter zitting heeft de raad evenwel toegelicht dat deze kaart nog niet is vastgesteld.

Het provinciale beleid met betrekking tot de archeologische waardentoekenning is onder meer neergelegd in de IKAW en de AMK, welke gegevens de raad heeft betrokken bij het toekennen van de bestreden dubbelbestemming. Dat volgens de IKAW de omgeving van het perceel wordt gekenmerkt door een lage archeologische verwachtingswaarde, neemt niet weg dat blijkens de AMK op de gronden aan welke de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" is toegekend een Archeologisch object met een hoge cultuurhistorische waarde aanwezig is. Volgens de AMK betreft het hier een terrein met sporen van bewoning uit de late middeleeuwen. Het betreft een bebouwde terp in de kern van het voormalige [eiland], uit de 12e of 13e eeuw.

Ten aanzien van de archeologische waarden heeft de raad zich voorts bij de voorbereiding van het plan gewend tot het college van gedeputeerde staten dat de archeologische waarden die de raad heeft gehanteerd, heeft bevestigd.

Gelet hierop geeft de enkele stelling van [appellant sub 8] dat archeologische resten niet meer in de bodem zijn te vinden, doordat hij recent op een deel van het bestreden gebied werkzaamheden heeft uitgevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek aan het toekennen van de dubbelbestemming ten grondslag heeft gelegd. De raad heeft in dit geval aannemelijk gemaakt dat archeologische sporen in de bodem aanwezig zijn en heeft, mede gelet op het provinciale beleid waarbij de raad zich heeft aangesloten, een groter belang mogen toekennen aan de bescherming van de archeologische waarden dan aan de beperkingen die [appellant sub 8] hiervan ondervindt. Het betoog van [appellant sub 8] faalt.

16.4.    In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

17.    [appellant sub 9] kan zich niet verenigen met de aan het perceel [locatie 9] te [plaats] toegekende bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 2". Hij voert hiertoe aan dat een door de raad aangenomen amendement met zich brengt dat de in artikel 10, lid 10.5, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid ten onrechte aan de raad is voorbehouden. Hij wijst hierbij op dit lid, aanhef en onder b, op basis waarvan de raad moet worden gehoord bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid.

17.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de planregels niet voorzien in het toekennen van een wijzigingsbevoegdheid aan de raad.

17.2.    Artikel 10, lid 10.5, van de planregels luidt als volgt:

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van gronden wijzigen in de bestemming Natuur of Water met in achtneming van het volgende:

a. wijziging kan uitsluitend worden toegepast voor de realisering van de ecologische hoofdstructuur;

b. wijziging kan uitsluitend worden toegepast indien de gemeenteraad is gehoord;

c. wijziging wordt slechts toegepast als de gronden gebruiksvrij zijn verworven door de natuurbeheerder.

17.3.    Uit het op 23 juni 2011 ingediende amendement van de raad blijkt dat de raad met dit amendement heeft beoogd invloed te houden op de planologische ontwikkelingen binnen het plangebied. Naar aanleiding van dit amendement is artikel 10, lid 10.5, aanhef en onder b, opgenomen in de planregels.

Naar het oordeel van de Afdeling houdt dat artikeldeel niet in dat de raad zichzelf een wijzigingsbevoegdheid voorbehoudt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het initiatief en de bevoegdheid voor het wijzigen van de bestemming met toepassing van de in artikel 10, lid 10.5, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid bij het college van burgemeester en wethouders berust. Gelet op het voorgaande faalt dit betoog van [appellant sub 9].

18.    Voorts kan [appellant sub 9] zich niet verenigen met de aan het agrarisch perceel ten zuiden van zijn bedrijf toegekende bestemming "Natuur". Hij betoogt dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door tijdens de voorbereiding van het plan binnen een korte periode verschillende bestemmingen aan het perceel toe te kennen.

18.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de wijze waarop het bestemmen van dit perceel is geschied weliswaar ongebruikelijk is, maar dat deze snelle wijziging van bestemmingen tijdens de voorbereiding van het plan noodzakelijk was om eerdere omissies te herstellen.

18.2.    In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld door de bestemming enige keren te wijzigen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad erop heeft gewezen dat bij de controle van het plan tussen de voorontwerp- en ontwerpfase is gebleken dat de in het voorontwerp opgenomen bestemming niet in overeenstemming was met het voorheen geldende bestemmingsplan. Ook heeft de raad erop gewezen dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 9] is gebleken dat het betreffende perceel op kaart 7 behorende bij de Provinciale ruimtelijke verordening Zeeland 2010, is aangeduid als "Bestaande natuur" en dat de verordening in dat geval de bestemming "Natuur" noodzakelijk maakt. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Gelet op het voorgaande faalt het betoog.

19.    In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

20.    [appellant sub 10] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch - 1" die is toegekend aan het perceel met de kadastrale aanduiding Sluis […], gelegen tussen de [2 locaties]. Zij wenst hierop een verkeersbestemming ten behoeve van de aanleg van een parkeerterrein dat zij wenst te exploiteren. Hiertoe voert zij aan dat het terrein thans niet in gebruik is voor een agrarisch bedrijf en hiervoor ook niet meer geschikt is. Daarentegen is het terrein, aldus [appellant sub 10], geschikt als parkeerterrein en reeds als zodanig in gebruik gedurende ongeveer tien dagen per jaar. In tegenstelling tot wat de raad stelt, levert het gebruik als parkeerterrein volgens [appellant sub 10] geen verkeersonveilige situaties op en kan het terrein worden ingericht volgens de eisen van het gemeentebestuur. Verder is volgens haar een vergelijkbaar terrein wel als parkeerterrein ingericht en komen andere, vergelijkbare terreinen wel in aanmerking voor een parkeerfunctie.

20.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat de agrarische bestemming voor [appellant sub 10] niet het meest geschikte gebruik is van het perceel, niet inhoudt dat het perceel een bestemming dient te krijgen ten behoeve van een parkeerterrein. De raad ziet geen aanleiding om een verkeersbestemming toe te kennen, vooruitlopend op het uit te werken gemeentelijk parkeerbeleid.

Voorts stelt de raad dat het terrein niet geschikt is als permanente parkeervoorziening, omdat er onvoldoende ruimte is om aan de inrichtingseisen voor een parkeerterrein op die locatie te voldoen en vanwege de verkeersveiligheid. De raad acht het huidige incidentele gebruik als zogenoemd overloopterrein voor parkeren, evenwel gerechtvaardigd.

Met betrekking tot het door [appellant sub 10] genoemde parkeerterrein aan de Sint Annastraat stelt de raad zich op het standpunt dat deze situatie verschilt, doordat vanaf dit terrein, anders dan vanaf het perceel van [appellant sub 10], een voetpad naar het centrum van Sluis voert.

20.2.    Ten aanzien van de wens van [appellant sub 10] om een verkeersbestemming toegewezen te krijgen voor het perceel overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt aan de raad beleidsvrijheid toe bij het toekennen van bestemmingen. Het enkele feit dat [appellant sub 10] een verkeersbestemming de meest wenselijke bestemming acht voor het desbetreffende perceel maakt niet dat de raad gehouden is deze wens te honoreren. In dit geval acht de raad het terrein thans niet geschikt als permanente parkeervoorziening, omdat voetgangers die vanaf het terrein naar het centrum van Sluis gaan, gebruik moeten maken van het fietspad hetgeen onveilige situaties kan opleveren. De raad wenst vooralsnog geen middelen beschikbaar te stellen voor de aanleg van een voetpad en acht mede om die reden andere percelen meer geschikt voor de aanleg van een parkeerterrein dan het perceel van [appellant sub 10]. De raad heeft overigens ter zitting medegedeeld voor een definitief besluit hieromtrent zich te zullen baseren op een algemene parkeervisie die in voorbereiding is. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van een tegemoetkoming aan de wens van [appellant sub 10] voor een verkeersbestemming op haar perceel heeft kunnen afzien.

Ten aanzien van de door [appellant sub 10] gemaakte vergelijking met de bestaande parkeervoorziening aan de Sint Annastraat heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat bij die parkeervoorziening een voetpad aanwezig is naar het centrum van Sluis. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 10] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Ten aanzien van de niet nader onderbouwde vergelijking met andere beoogde parkeerterreinen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat sprake zou zijn van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Voorts overweegt de Afdeling dat in de enkele stelling van [appellant sub 10] dat zij het perceel niet langer geschikt acht voor agrarisch gebruik geen grond is gelegen voor het oordeel dat de toegekende bestemming niet realiseerbaar is binnen de planperiode. Hierbij betrekt de Afdeling dat het voorheen toegestane gebruik van het perceel kan worden voortgezet binnen de toegekende bestemming.

Het betoog van [appellant sub 10] faalt.

20.3.    In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

21.    De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellante sub 7] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 5], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellant sub 10] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statep

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 6 A] en [appellante sub 6 B] gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], en [appellante sub 7] geheel gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Sluis van 23 juni 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied", voor zover dit betreft

a. de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 5" die rust op de bestemming "Wonen" voor zover die betrekking heeft op het perceel [locatie 1] te [plaats];

b. de aanduiding "horeca van categorie 3" die rust op het plandeel met de bestemming "Horeca" voor zover die betrekking heeft op het perceel Mollekotweg 5 te IJzendijke;

c. het bouwvlak dat is toegekend aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel aan de [locatie 3] te [plaats];

d. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor zover dat betrekking heeft op de strook grond tussen de woning aan de [locatie 4] te [plaats] en de weg, zoals aangegeven op de bijgevoegde kaart;

e. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor zover dat betrekking heeft op de zogenoemde grote schuur op het perceel aan de [locatie 4] te [plaats];

f. het plandeel met de bestemming "Wonen - 2" voor zover dat betrekking heeft op de loodsen op het perceel aan de [locatie 5] te [plaats];

g. het bouwvlak dat is toegekend aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel aan de [locatie 6] te [plaats];

III.    draagt de gemeenteraad van de gemeente Sluis op om binnen dertien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen over het plandeel dat is genoemd onder IId en het bouwvlak dat is genoemd onder IIg en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 5], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellant sub 10] geheel, en het beroep van [appellant sub 6 A] en [appellante sub 6 B] voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Sluis tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. tot een bedrag van € 553,50 (zegge: vijfhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent) voor [appellant sub 1], waarvan een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. tot een bedrag van € 925,80 (zegge: negenhonderdvijfentwintig euro en tachtig cent) voor [appellant sub 3] en anderen, waarvan een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 4], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. tot een bedrag van € 1237,46 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en zesenveertig cent) voor [appellanten sub 6], waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. en tot een bedrag van € 481,92 (zegge: vierhonderdeenentachtig euro en tweeënnegentig cent) voor [appellante sub 7], waarvan €437,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Sluis aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

a. ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1];

b. ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 3] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 4];

d. ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 6], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellante sub 7]

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Van Soest-Ahlers

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

343-723-726.