Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201102748/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Sierteeltgebied Randenburg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102748/1/R4.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

en

de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Sierteeltgebied Randenburg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, en de raad, vertegenwoordigd door T. Revet en R. van Meeteren, zijn verschenen.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [appellanten a en b]] afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201102748/2/R4.

Bij tussenuitspraak van 29 februari 2012, in zaak nr. 201102748/1/T1/R4 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 4 oktober 2010 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2012, heeft de raad de Afdeling verzocht om deze termijn te verlengen. Bij beschikking van 20 april 2012 heeft de Afdeling de bij haar tussenuitspraak van 29 februari 2012 bepaalde termijn verlengd tot en met 6 juli 2012.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2012, heeft de raad aan de Afdeling te kennen gegeven het gebrek in het besluit van 4 oktober 2010 te hebben hersteld. Bij besluit van 4 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Sierteeltgebied Randenburg" gewijzigd vastgesteld.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over het besluit van 4 juli 2012 naar voren te brengen. [appellant] heeft daarvan gebruik gemaakt.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 27 november 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, en de raad, vertegenwoordigd door drs. C. Flier en R. van Meeteren, beiden werkzaam bij de gemeente, en J.F. Rings, werkzaam bij Omgevingsdienst Midden-Holland, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak ten aanzien van het plandeel dat ziet op het perceel ongenummerd dat ten noorden ligt van het perceel van [appellant] aan de [locatie] te [plaats] en voor zover aan dit perceel de aanduiding "opslag" is toegekend, in rechtsoverweging 2.3.4 het volgende overwogen.

"De opslag van materialen, waaronder hout, is toegestaan op korte afstand van de woning van [appellant]. [appellant] heeft ter zitting desgevraagd naar voren gebracht met name ernstige geurhinder te ondervinden wanneer nieuw vers Bankirai hout wordt aangevoerd en wanneer het Bankirai hout weer wordt afgevoerd. Gelet op het verhandelde ter zitting komt het de Afdeling niet onaannemelijk voor dat [appellant] ter plaatse van zijn woning geurhinder van de opslag van hout kan ondervinden. Het enkele feit dat de VNG-brochure geen afstand voor geur aanbeveelt voor een groothandel in hout, daargelaten dat het hier volgens de planregels niet gaat om een groothandel in hout, betekent niet dat de raad kon afzien van het doen van onderzoek naar geurhinder om te beoordelen of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant] kan worden gewaarborgd. De conclusie is dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht" (hierna: Awb).

2. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen de gestelde termijn met inachtneming van hetgeen in 2.3.4 van de tussenuitspraak is overwogen alsnog te onderzoeken wat de gevolgen van het plan zijn voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek het besluit op dit punt alsnog toereikend te motiveren, dan wel het bestreden besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

3. De raad heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak de Milieudienst Midden-Holland (thans: Omgevingsdienst Midden-Holland) opdracht gegeven een geuronderzoek te verrichten. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het door de Milieudienst opgestelde "Advies bestemming Randenburgseweg ongenummerd" van 26 april 2012. Uit dit advies volgt dat drie bedrijfsbezoeken hebben plaatsgevonden. Bij het eerste algemene bedrijfsbezoek was volgens het advies geen geur van hout waar te nemen. Tijdens de andere twee bedrijfsbezoeken is gerichter onderzoek gedaan naar de houtopslag en de geur die daarbij ontstaat. Volgens het advies van de Milieudienst is in het bezoekverslag van de Milieudienst geconcludeerd dat de opslag van onbehandeld Bankirai hout geen geurhinder veroorzaakt. De opslag van de houtsoort Angelim Vermelho kan wel geurhinder veroorzaken. Bij droog weer is de geur van de betreffende houtsoort Angelim Vermelho waarneembaar op ongeveer 15-20 m en bij regenachtig weer is de geur van de betreffende houtsoort op ongeveer 25-30 m waarneembaar, aldus het advies van de Milieudienst. Hierbij is volgens het advies van de Milieudienst tevens de geur minder aangenaam. Aanvullend op de bedrijfsbezoeken heeft de Milieudienst bij navraag gesteld dat de opslag van Bankirai hout geen geurhinder veroorzaakt. Er zijn volgens het advies van de Milieudienst naast de houtsoort Angelim Vermelho ook geen andere houtsoorten bekend die geurhinder veroorzaken. Bewerkt en/of geïmpregneerd hout is volgens het advies buiten niet aangetroffen. In het advies van de Milieudienst is vermeld dat wordt geadviseerd de opslag van Angelim Vermelho hout op het desbetreffende perceel niet toe te staan, omdat dan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Onder verwijzing naar het advies van de Milieudienst heeft de raad bij besluit van 4 juli 2012 het plan gewijzigd vastgesteld voor het in geding zijnde plandeel. Daarbij is artikel 3, lid 3.1, onder d, van de planregels gewijzigd en artikel 3, lid 3.6, onder j, toegevoegd aan de planregels. Deze artikelen luiden als volgt:

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "agrarisch-sierteeltgebied" aangewezen gronden, ter plaatse van de aanduiding "opslag" tevens bestemd voor opslag ten behoeve van een houthandel.

Ingevolge artikel 3, lid 3.6, onder j, is het verboden de gronden met de aanduiding "opslag" te gebruiken voor de opslag van de houtsoort Angelim Vermelho alsmede bewerkt en/of geïmpregneerd hout.

4. Het besluit van 4 juli 2012 is ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb onderwerp van het geding.

5. [appellant] betoogt in zijn zienswijze op het besluit van 4 juli 2012 dat de bij dit besluit gewijzigde planregels niet verzekeren dat op het perceel ongenummerd, dat ten noorden ligt van zijn woning, geen geurend hout wordt opgeslagen, waarvan hij ter plaatse van zijn woning geurhinder kan ondervinden. Volgens [appellant] had de raad in artikel 3.6, onder j, van de planregels niet mogen volstaan met alleen een verbod op de opslag van de houtsoort Angelim Vermelho, maar had de opslag van alle geurende houtsoorten in de planregel verboden moeten worden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Verder voert [appellant] aan dat hij op 9 juli 2012 en in het weekend van 20 en 21 oktober 2012 heeft geconstateerd dat wel degelijk bewerkt en geïmpregneerd hout op het desbetreffende perceel wordt opgeslagen, zoals gecreosoteerde palen. [appellant] stelt ook geurhinder te ondervinden van dit bewerkt en geïmpregneerd hout.

5.1. De Afdeling overweegt allereerst dat voor zover [appellant] aanvoert dat in strijd met de planregels toch bewerkt en geïmpregneerd hout op het desbetreffende perceel wordt opgeslagen, dit een kwestie van handhaving is. Het aspect handhaving valt buiten deze procedure en kan daarom niet aan de orde komen.

5.2. In hetgeen [appellant] betoogt, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het advies van de Milieudienst heeft kunnen baseren. Nu, gelet op het advies van de Milieudienst, de opslag van de houtsoort Angelim Vermelho ingevolge artikel 3, lid 3.6, onder j, van de planregels op het desbetreffende perceel is verboden, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant] is gewaarborgd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] niet met een tegenrapport of andere objectief verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat ook andere houtsoorten onder het verbod van artikel 3, lid 3.6, onder j, van de planregels zouden moeten vallen.

6. [appellant] betoogt dat de opslag van hout beter elders op het desbetreffende perceel op grotere afstand van zijn woning kan plaatsvinden.

6.1. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat [appellant] zich keert tegen rechtsoverweging 2.3.3 van de tussenuitspraak. Onder verwijzing naar de uitspraak van 15 augustus 2012 in zaak nr. 201009068/1/A2, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen op een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Van een zeer uitzonderlijk geval is hier geen sprake, zodat van het daarin gegeven oordeel wordt uitgegaan.

7. Gezien de tussenuitspraak is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 oktober 2010 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover dat ziet op het plandeel dat ziet op het perceel ongenummerd dat ten noorden ligt van het perceel van [appellant] aan de [locatie] te [plaats] en voor zover aan dit perceel de aanduiding "opslag" is toegekend.

8. Ten aanzien van het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 juli 2012 ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gewijzigd vastgestelde plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van 4 juli 2012 in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant] tegen dat besluit is daarom ongegrond.

9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van C. [appellant] tegen het besluit van 4 oktober 2010 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk van 4 oktober 2010, voor zover dat ziet op het plandeel dat ziet op het ongenummerde perceel dat ten noorden van het perceel aan de [locatie] te [plaats] ligt voor zover aan dit perceel de aanduiding "opslag" is toegekend;

III. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 juli 2012 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.529,50 (zegge: duizendvijfhonderdnegentwintig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Alderlieste

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

590.