Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201204028/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:1637, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft het college geweigerd aan [appellant] een huisvestingsvergunning te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201204028/1/A3.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2012 in zaak nr. 11/5084 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft het college geweigerd aan [appellant] een huisvestingsvergunning te verstrekken.

Bij besluit van 14 november 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van den Ende, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door M. de Weger, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam (hierna: de Huisvestingsverordening) is het verboden een te huur aangeboden zelfstandige of onzelfstandige woonruimte met een huurprijs onder de huurprijsgrens, zonder een huisvestingsvergunning in gebruik te nemen voor bewoning.

Ingevolge artikel 2.5, eerste lid, komt de aanvrager die minder dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag van een huisvestingsvergunning onafgebroken ingezetene is van één van de gemeenten van de stadsregio slechts in aanmerking voor een huisvestingsvergunning, indien hij beschikt over een inkomen op grond van het in dienstbetrekking verrichten van arbeid, een inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf, een inkomen op grond van een regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden, een ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet, een ouderdoms- of nabestaandenpensioen als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, of studiefinanciering als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders aan de aanvrager die niet voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eis, de aangevraagde huisvestingsvergunning verlenen indien het weigeren van de huisvestingsvergunning tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden.

Ingevolge artikel 4.1 kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in deze verordening, indien vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in deze verordening zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.    [appellant] heeft zich per 2 februari 2011 uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) van Rotterdam wegens vertrek naar Curaçao. Vanaf 3 mei 2011 staat hij weer ingeschreven in de gemeente. [appellant] ontvangt sinds 4 mei 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) naar de norm van een alleenstaande ouder. Het college heeft geweigerd hem een huisvestingsvergunning te verlenen.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de hardheidsclausule van artikel 4.1 van de Huisvestingsverordening niet van toepassing is. [appellant] voert hierbij aan dat hij in scheiding lag met [partner] en zij hem de toegang tot het huis ontzegde. Hij heeft zich vervolgens laten uitschrijven uit de GBA en is voor een korte vakantie naar Curaçao vertrokken om alles op een rijtje te zetten. Na terugkomst is er een onhoudbare situatie ontstaan met betrekking tot de kinderen van [appellant] uit een eerdere relatie met [ex partner]. [ex partner] kon de kinderen geen onderdak meer bieden. De kinderen wonen nu bij [appellant]. Indien ook [appellant] geen woning meer heeft, zullen de kinderen door de Raad voor de Kinderbescherming uit huis worden geplaatst, aldus [appellant]. Hij voert aan dat de rechtbank de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende heeft meegewogen. Hij doet hierbij een beroep op de artikelen 3 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK). Tot slot stelt [appellant] dat het voor hem niet mogelijk is om spoedig andere woonruimte te vinden, gezien de woningnood in Rotterdam en het feit dat hij een WWB-uitkering ontvangt.

4.    Dit betoog faalt. De zogenoemde onhoudbare situatie met betrekking tot de kinderen van [appellant] en [ex partner] is ontstaan na het besluit van 14 november 2011. Het college neemt een besluit op basis van de dan bekende feiten en omstandigheden. De bestuursrechter beoordeelt de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit. Gezien deze toetsing kunnen de omstandigheden die leiden tot de genoemde onhoudbare situatie niet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 14 november 2011 worden betrokken. Met betrekking tot de overige feiten en omstandigheden heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat het college die in redelijkheid ontoereikend heeft kunnen achten voor toepassing van de hardheidsclausule als neergelegd in artikel 4.1 van de Huisvestingsverordening.

Aan een beoordeling van het beroep op het IVRK wordt niet toegekomen, nu de omstandigheden waarop dit beroep zich richt, zoals hiervoor overwogen, niet in de beoordeling kunnen worden meegenomen. Deze omstandigheden kunnen eerst worden meegenomen in het kader van een eventuele nieuwe aanvraag in het licht waarvan de verenigbaarheid van een mogelijke afwijzende beslissing met het IVRK aan de orde kan komen.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

317-773.