Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201203338/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2011 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201203338/1/A3.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2012 in zaak nr. 11/4625 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2011 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 13 september 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld op 29 november 2012.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, onder b, van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010 (hierna: de Huisvestingsverordening) kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig heeft.

Ingevolge artikel 63 kan het college afwijken van de verordening ten gunste van de aanvrager indien toepassing van de verordening naar zijn mening tot een bijzondere hardheid leidt.

Volgens paragraaf 2 van de Uitvoeringsinstructie 5 Urgentieverklaring en medische indicatie (hierna: de Uitvoeringsinstructie) is een urgentieverklaring bedoeld voor mensen die vanwege een levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie, buiten hun schuld, dringend een (andere) woning nodig hebben, er alles aan gedaan hebben om het probleem op te lossen en zelf niet de mogelijkheid hebben een woning op redelijke termijn te vinden.

Volgens paragraaf 4.2 kan een urgentieverklaring om medische of sociale redenen worden verleend. Op grond van sociale en/of medische omstandigheden kan een urgentieverklaring verleend worden indien sprake is van een levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie die alleen opgelost kan worden met (andere) zelfstandige huisvesting op zeer korte termijn. De aanvrager dient zelf zijn levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie aan te tonen en te zorgen voor bewijsmateriaal. De aanvrager dient tenminste twee jaar in Amsterdam te wonen en het feitelijk woonadres komt overeen met het adres in de Gemeentelijke Basisadministratie, tenzij de aanvrager beschikt over een postadres van Dienst Werk en Inkomen. Aanvrager dient buiten eigen schuld en toedoen in een urgente woonsituatie te verkeren en de aanvrager dient psychisch in staat te zijn zelfstandig te wonen, dat wil zeggen, er is door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (hierna: GGD) geen contra-indicatie verstrekt voor het zelfstandig wonen.

Volgens paragraaf 4.2, onder a, wordt onder medische of sociale redenen waarop iemand dringend woonruimte nodig heeft een woonsituatie verstaan die naar het oordeel van het college door sociale en/of medische omstandigheden zodanig is verstoord dat levensgevaar voor een of meer leden van het huishouden dreigt, dan wel dat een of meer leden van het huishouden zodanig geestelijk, emotioneel en/of lichamelijk belast is, dat volledige ontwrichting uit het geheel waar betrokkene deel van uitmaakt, optreedt en zelf niet is staat is dit op te lossen. Van levensbedreiging of levensontwrichting is sprake wanneer de aanvrager (of een van de leden van het huishouden), in samenhang met ernstige woonproblemen, niet meer in staat is zelfstandig te functioneren. Een zelfstandige woning is in dat geval (een substantieel deel van) de oplossing. Tot levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituaties worden gerekend ernstige (chronische) medische redenen, dakloos met kinderen door echtscheiding of beëindiging van samenwoning, inwonen gezin met schoolgaande kinderen, te hoge woonlasten en geweld of bedreiging.

Volgens paragraaf 4 van het Protocol aandachtsgroepen wonen 2010 is burenoverlast geen reden voor het verstrekken van een urgentieverklaring, tenzij de situatie gepaard gaat met levensontwrichtende en levensbedreigende omstandigheden.

2.     De zoon van [appellant] heeft een gedragsstoornis, waardoor hij overlast veroorzaakt. [appellant] heeft een urgentieverklaring aangevraagd bij het college, zodat hij met zijn zoon elders rustig kan wonen zonder overlast bij de buren te bezorgen. Het college heeft het bezwaar van [appellant] tegen het weigeren van een urgentieverklaring ongegrond verklaard. [appellant] bevindt zich niet in een noodsituatie en de GGD-arts heeft negatief geadviseerd over de aanvraag om urgentie aangezien de zoon van [appellant] reeds uit huis was geplaatst.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft aangenomen dat hij valt aan te merken als aanvrager. Hij voert daarbij aan dat de rechtbank heeft miskend dat daarvoor niet de hoeveelheid beschikbare woningen beslissend is.

3.1.    Het betoog faalt. De rechtbank heeft zich niet uitgelaten over de vraag of [appellant] aanvrager is. Het feit dat de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond heeft verklaard, maakt nog niet dat de rechtbank [appellant] niet als aanvrager heeft gezien.

4.    Voorts stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zich geen levensbedreigende dan wel levensontwrichtende situatie voordoet. Hij stelt dat het feit dat hij niet met zijn minderjarige kind kan samenwonen levensontwrichtend is. [appellant] stelt verder dat de rechtbank ten onrechte meer waarde heeft toegekend aan de adviezen van de GGD, dan aan het advies van de gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: BJAA). Door de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring schendt het college het recht van [appellant] op family life met zijn zoon ingevolge artikel 8 van het EVRM, aldus [appellant].

5.    Tussen partijen is in geschil of zich aan de zijde van [appellant] een levensbedreigende dan wel levensontwrichtende situatie voordoet die alleen opgelost kan worden met al dan niet andere zelfstandige huisvesting op zeer korte termijn.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit zich in het geval van [appellant] niet voordoet. [appellant] stelt dat zijn zoon uit huis is geplaatst vanwege geluidsoverlast en dat zijn zoon weer thuis kan komen wonen wanneer [appellant] met een urgentieverklaring een beter geïsoleerd huis bewoont. Uit het verslag van de Bascule, een kliniek voor jeugdpsychiatrie waar de zoon van [appellant] ter behandeling opgenomen is geweest, blijkt dat de zoon van [appellant] eerder uit huis is geplaatst vanwege zijn onhandelbare gedrag. Uit een telefoongesprek tussen gezinsvoogd Van der Waag en GGD-arts Knispel van 24 februari 2011 volgt dat de zoon van [appellant] na een incident/calamiteit wederom uit huis is geplaatst. De rechtbank heeft op basis van de stukken terecht overwogen dat de uithuisplaatsingen het gevolg lijken te zijn van het onhandelbare gedrag van de zoon van [appellant], in plaats van de gehorige woonsituatie. Een beter geïsoleerde woning lost deze gedragsproblemen niet op. Daarbij komt dat zowel GGD-arts De Haas als gezinsvoogd Smid van BJAA van mening zijn dat een residentiële plaatsing de meest adequate oplossing is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vooruitzichten dat de zoon weer thuis zou kunnen komen wonen ten tijde van het besluit van 13 september 2011 onvoldoende concreet waren en dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verkrijgen van een andere woning niet van doorslaggevend belang is voor het weer thuis komen wonen van de zoon.

Voor zover [appellant] stelt dat het college ten onrechte te weinig gewicht heeft toegekend aan het advies van de gezinsvoogd overweegt de Afdeling dat GGD-arts De Haas naar aanleiding van de brief van 3 mei 2011 van gezinsvoogd Smid telefonisch contact met Smid heeft opgenomen. Hieruit is gebleken dat de zoon van [appellant] nog steeds in Triversum, een centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie, was opgenomen en dat gezocht werd naar een residentiële plaatsing. Het advies van Smid is derhalve door De Haas in zijn advies opgenomen en het college mocht aan dit advies dan ook de waarde hechten die het daaraan heeft gehecht. En hoewel Smid zich in haar brief positief uitspreekt over de aanvraag van een urgentieverklaring van [appellant], heeft zij daarbij voornamelijk het belang van de zoon van [appellant] voor ogen gehad. Het is in het belang van de zoon van [appellant] dat hij ergens rustig kan komen te wonen met zijn vader, zonder overlast te hebben van of te bezorgen aan omwonenden, aldus Smid. Dit belang voldoet echter niet aan het door het college vastgestelde criterium voor het verstrekken van een urgentieverklaring. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college niet meer gewicht aan het advies van Smid heeft hoeven toekennen dan het heeft gedaan.

Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen levensbedreigende dan wel levensontwrichtende situatie voordoet die alleen opgelost kan worden met andere zelfstandige huisvesting op zeer korte termijn. Voor verlening van een urgentieverklaring op grond van 14, tweede lid, onder b, van de Huisvestingsverordening was derhalve geen plaats.

Het betoog faalt.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juli 2012 in zaak nr. 201108977/1/A3) heeft artikel 8 van het EVRM als doel het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven.

Gezien het hiervoor overwogene treft het betoog dat het college met de weigering van de urgentieverklaring artikel 8 van het EVRM heeft geschonden geen doel. De oorzaak dat [appellant] niet samen met zijn zoon kan wonen ligt niet bij de weigering van de urgentieverklaring, maar bij de uithuisplaatsing van zijn zoon wegens zijn gedragsproblemen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college door de weigering de door [appellant] gewenste urgentieverklaring te verlenen het recht op eerbiediging van zijn gezinsleven heeft geschonden.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

317-773.