Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201203274/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201203274/1/A2.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 februari 2012 in zaak nr. 11/1084 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Cromstrijen.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.E. Klijn Velderman, werkzaam bij Schep registergoed B.V., en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J. van Huut en W.J.E. Jacobs, beiden werkzaam bij de gemeente Cromstrijen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kent het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid, een bepaling van een bestemmingsplan.

2.    Bij de beoordeling van een aanvraag om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

3.    [appellant] is eigenaar van een perceel aan de [locatie] te Numansdorp, kadastraal bekend gemeente Numansdorp, sectie A, nummer […] (hierna: het perceel). Aan de aanvraag om vergoeding van planschade heeft hij ten grondslag gelegd dat de onder het oude bestemmingsplan "Middelsluis 1982" (hierna: het oude bestemmingsplan) voor het perceel bestaande bouwmogelijkheid onder het bestemmingsplan "Middelsluis"(hierna: het nieuwe bestemmingsplan) is komen te vervallen en dat hij daardoor schade lijdt.

4.    In hoger beroep is niet in geschil dat [appellant] door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren en dientengevolge schade lijdt. In geschil is uitsluitend of de schade ten laste van [appellant] moet blijven op de grond dat hij, door de onder het oude bestemmingsplan voor het perceel bestaande bouwmogelijkheid niet te benutten, het risico dat deze - gedeeltelijk - zou kunnen vervallen passief heeft aanvaard.

5.    Voor het antwoord op deze vraag is van belang of de voortekenen van de nadelige planologische wijziging reeds enige tijd zichtbaar waren. Daartoe is, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 mei 2000 in zaak nr. 199902237/1, BR 2001, p. 228), voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op het perceel in voor hem ongunstige zin zou gaan veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het advies van Langhout & Wiarda ten onrechte aan het besluit van 16 juni 2011 ten grondslag is gelegd, omdat dat advies naar inhoud en wijze van totstandkoming ernstige gebreken vertoont. In dat kader voert hij aan dat in dit advies van onjuiste feiten wordt uitgegaan en dat het advies alleen is gebaseerd op door het college verstrekte informatie, waarbij hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om de van belang zijnde feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Hierdoor zijn in het advies onjuiste conclusies getrokken. Voorts voert [appellant] aan dat er naar aanleiding van het advies van Langhout & Wiarda ten onrechte geen tweede hoorzitting heeft plaatsgevonden.

6.1.    Het college heeft voor het besluit van 16 juni 2011 advies gevraagd aan Langhout & Wiarda, nu de eerder uitgebrachte adviezen van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) en de bezwaarschriftencommissie uiteenliepen ten aanzien van de vraag of [appellant] passieve risicoaanvaarding kon worden tegengeworpen. Het college heeft zich vervolgens, naar aanleiding van de adviezen van de SAOZ en Langhout & Wiarda, op het standpunt gesteld dat [appellant] in de periode tussen terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan (hierna: het voorontwerp) en terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan voldoende tijd heeft gehad om van de planologische mogelijkheden gebruik te maken en dat [appellant], door hier geen gebruik van te maken, passieve risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen. Anders dan [appellant] betoogt heeft de rechtbank in dat kader terecht geoordeeld dat het college in het besluit van 16 juni 2011 voldoende heeft gemotiveerd waarom het van het advies van de bezwaarschriftencommissie is afgeweken en daarom niet heeft gehandeld in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb.

[appellant] heeft zijn stelling dat in het advies van Langhout & Wiarda van onjuiste gegevens is uitgegaan, niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is van belang dat de bevindingen in dat advies grotendeels overeenkomen met het eerdere advies van de SAOZ. Nu [appellant] bovendien door het college in de gelegenheid is gesteld om op het advies van Langhout & Wiarda te reageren, en het college in het besluit van 16 juni 2011 heeft vermeld dat deze schriftelijke reactie in de besluitvorming is meegenomen, kan het betoog van [appellant] niet tot het daarmee beoogde doel leiden.

Ook het betoog van [appellant] dat er naar aanleiding van het advies van Langhout & Wiarda ten onrechte geen tweede hoorzitting in bezwaar heeft plaatsgevonden, kan niet slagen, reeds nu uit het verslag van de bezwaarschriftencommissie blijkt dat [appellant] met het achterwege laten van een nieuwe inhoudelijke beoordeling door de bezwaarschriftencommissie heeft ingestemd.

Het betoog faalt.

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hem geen passieve risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen. Daartoe voert hij aan dat hij tijdens de terinzagelegging van het voorontwerp van de bijbehorende plankaart geen kennis heeft kunnen nemen, waardoor hij niet kon weten dat daarin een wijziging van de bestemming van zijn perceel was voorzien. Aangezien ook tijdens het gesprek dat hij ten tijde van de terinzagelegging van dat voorontwerp met een gemeenteambtenaar heeft gevoerd niet is vermeld dat het college voornemens was de bestemming van zijn perceel in voor hem negatieve zin te wijzigen, was er voor hem geen aanleiding om te veronderstellen dat een dergelijke wijziging zou plaatsvinden, aldus [appellant].

7.1.    [appellant] heeft het oordeel van de rechtbank dat het voorontwerp een concreet beleidsvoornemen bevat waardoor bouwmogelijkheden op zijn perceel worden uitgesloten, niet gemotiveerd betwist. Het voorontwerp heeft vanaf 26 februari 2007 ter inzage gelegen. Uit de inhoud van het gesprek met de gemeenteambtenaar, zoals door [appellant] is weergegeven, volgt dat het voor hem duidelijk was dat het plangebied van het voorontwerp mede zijn perceel omvatte. Aangezien daarmee is gegeven dat [appellant] er rekening mee diende te houden dat de planologische situatie op zijn perceel zou kunnen veranderen, had [appellant] zich ervan kunnen vergewissen dat de planologische situatie op zijn perceel niet in voor hem ongunstige zin zou gaan veranderen. Nu hij dat heeft nagelaten, is [appellant] terecht voorzienbaarheid tegengeworpen.

Het betoog faalt.

8.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de onder het oude bestemmingsplan voorziene bouwmogelijkheid door het indienen van de inspraakreactie op 29 maart 2007 was gewaarborgd.

8.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 november 2007 in zaak nr. 200702220/1), bestaat geen grond voor het aannemen van passieve risicoaanvaarding, indien onder het oude planologische regime concrete pogingen zijn ondernomen tot realisering van de bouwmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen. Het indienen van een inspraakreactie is evenwel geen concrete poging als hier bedoeld, nu het indienen van een inspraakreactie niet is gericht op realisering van de bouwmogelijkheden.

Het betoog faalt.

9.    Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat hij er, gelet op de schriftelijke reactie van het college van 4 oktober 2007 op zijn ingediende inspraakreactie, op mocht vertrouwen dat de vigerende bestemming van zijn perceel niet zou wijzigen.

9.1.    Ook dit betoog faalt. Het college heeft bij brief van 4 oktober 2007 op de inspraakreactie van [appellant] gereageerd. Nu het ontwerpbestemmingsplan op 20 september 2007, dus daarvóór, ter inzage was gelegd en nu daaruit bleek dat de bestemming van het perceel van [appellant] in voor hem ongunstige zin zou wijzigen, kan het beroep op het vertrouwensbeginsel, wat er ook zij van de inhoud van de brief van het college, reeds om die reden niet slagen.

10.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college de verwachting heeft gewekt dat het het advies van de bezwaarschriftencommissie zou volgen, kan eveneens niet slagen. Aan de omstandigheid dat het college in het kader van de heroverweging van het bestreden besluit, zoals bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, heeft onderzocht of een besluit met een andere strekking kon worden genomen, kon niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college een besluit met die andere strekking ook daadwerkelijk zou nemen. Artikel 7:11, eerste lid, van de Awb strekt er toe dat op de grondslag van het bezwaar van in dit geval [appellant] een volledige heroverweging van het besluit van 28 april 2010 plaatsvindt.

11.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college de door hem geleden schade had kunnen voorkomen. Daartoe voert hij aan dat het college zijn verzoek van 5 september 2008 om de wijziging van de bestemming van zijn perceel ongedaan te maken, ten onrechte niet heeft aangemerkt als bedenking tegen het vaststellingsbesluit van de raad van de gemeente als bedoeld in artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) of als een verzoek tot intrekking van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 35 van de WRO. Nu het college ten onrechte niets met zijn brief van 5 september 2008 heeft gedaan, heeft hij schade geleden, aldus [appellant].

11.1.    Het geschil dat ter beoordeling voorligt, ziet uitsluitend op de vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college terecht de aanvraag om een tegemoetkoming in de schade ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan van [appellant] vanwege passieve risicoaanvaarding heeft afgewezen. Nu het betoog van [appellant] ziet op - door hem gestelde - fouten van het college inzake de bestemmingsplanprocedure en deze procedure hier niet aan de orde is, valt dit betoog buiten de beoordeling van het in geding zijnde besluit.

Om dezelfde reden kan het betoog van [appellant] niet slagen, dat het college zich bij zijn standpunt dat de onder het oude bestemmingsplan op zijn perceel bestaande bouwmogelijkheid niet kon worden hersteld, ten onrechte op economische motieven in plaats van planologische motieven heeft gebaseerd.

Het betoog faalt.

12.    Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat [appellant] in de periode na de terinzagelegging van het voorontwerp rekening diende te houden met de kans dat de planologische situatie in voor hem ongunstige zin zou veranderen, en geen concrete pogingen heeft ondernomen om de bouwmogelijkheden te benutten. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de door [appellant] gestelde schade voor zijn rekening dient te blijven.

13.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Bindels

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

85-752.