Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6725

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201202083/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2011 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201202083/1/A2.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2012 in zaak nr. 11/5320 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2011 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 21 september 2011 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 januari 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201202081/1/A2, ter zitting behandeld op 21 september 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. E. van Kempen, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij het centraal kantoor van de raad te Utrecht, zijn verschenen.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van de raad eenvoudig afgehandeld kan worden.

Ingevolge het tweede lid kunnen bij de in artikel 12, derde lid, van deze wet bedoelde algemene maatregel van bestuur omtrent het in het eerste lid bepaalde nadere regels worden gesteld.

Vorenbedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt).

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder i, van het Brt wordt geen toevoeging verleend indien de rechtsbijstand uitsluitend is verzocht voor het verkrijgen van rechtsbijstand.

Ingevolge het tweede lid kan, in afwijking van het eerste lid, een toevoeging worden verleend, indien de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist.

De raad voert ten aanzien van de toepassing van de Wrb het beleid neergelegd in het Handboek Toevoegen 2007, uitgave april 2007.

Volgens aantekening 13 bij artikel 28 van de Wrb in dit Handboek wordt met artikel 8, tweede lid, van het Brt een algemene uitzonderingsbepaling gecreëerd om wel een toevoeging te verstrekken voor de in het eerste lid genoemde zaken, indien de bijzondere juridische of feitelijke ingewikkeldheid van het geval dat vereist. Indien een beroep wordt gedaan op deze uitzonderingsgrond, zal de aanvraag om rechtsbijstand met een beroep op artikel 8, tweede lid, van het Brt ter zake doende moeten worden gemotiveerd. Het niet spreken van de Nederlandse taal, het niet beschikken over juridische kennis of de (geestelijke) gezondheid van rechtzoekende maakt niet dat er sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid.

2.    Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor het inbrengen van een zienswijze tegen het voornemen om een besluit te nemen over een verblijfsvergunning in haar asielprocedure afgewezen, omdat de werkzaamheden vallen onder het bereik van een eerdere, aan haar echtgenoot verleende toevoeging. Bij brief van 7 maart 2011 heeft [appellante] hiertegen bezwaar gemaakt. De onderhavige aanvraag om toevoeging heeft betrekking op deze bezwaarprocedure bij de raad.

Bij het na bezwaar gehandhaafde besluit van 5 april 2011 heeft de raad geweigerd de gevraagde toevoeging te verlenen, omdat het hier een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijs aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling. Volgens de raad zijn de te verrichten werkzaamheden niet dusdanig feitelijk ingewikkeld of juridisch complex dat rechtsbijstand door een advocaat noodzakelijk is. Voor het indienen van een bezwaarschrift had [appellante] zo nodig de hulp kunnen inroepen van een derde, bijvoorbeeld het Juridisch Loket of VluchtelingenWerk, aldus de raad.

De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd en het beroep ongegrond verklaard.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bijzondere juridische ingewikkeldheid in dit geval meebrengt dat rechtsbijstand van een advocaat vereist is voor het indienen van het bezwaarschrift van 7 maart 2011 in de asielzaak. Daartoe voert zij aan dat om de gronden van het bezwaar te kunnen formuleren kennis van de Algemene wet bestuursrecht en het asielrecht is vereist, waarover zij niet beschikt. Daarbij komt dat het Juridisch Loket niet adviseert over asielaspecten en geen procedures namens rechtzoekenden voert, aldus [appellante]. Zij stelt voorts geen kennis te hebben van de Nederlandse taal.

3.1.    Gelet op het standpunt van de raad dat ten grondslag lag aan het besluit van 21 februari 2011, diende [appellante] in haar daartegen gerichte bezwaarschrift te vermelden om welke redenen het feitencomplex dat aan haar aanvraag om een verblijfsvergunning ten grondslag ligt, dat wil zeggen het vluchtverhaal, zodanig verschilt van dat van haar echtgenoot dat de raad hiervoor een aparte toevoeging diende te verstrekken. Dit kan aan de hand van een op zichzelf eenvoudig, feitelijk betoog. In de omstandigheid dat [appellante], naar zij stelt, geen kennis heeft van het - Nederlandse - recht en de Nederlandse taal, heeft de raad terecht geen aanleiding gezien bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval aan te nemen. Bij het opstellen van het bezwaarschrift had een andere persoon of instelling als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb haar desgevraagd behulpzaam kunnen zijn. Dat het Juridisch Loket, als gesteld, niet adviseert over asielaspecten en geen bezwaarschrift namens de rechtzoekende indient, wat daar verder van zij, maakt dit niet anders en leidt derhalve niet tot een ander oordeel.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval in de bezwaarfase geen toevoeging voor rechtsbijstand door een advocaat vereist en heeft de rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Borman    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

18-710.