Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6716

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201112039/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brieven van 28 januari 2008 heeft [aanvrager] aanvragen ingediend voor Nederlandse paspoorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112039/1/A3.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 oktober 2011 in zaak nr. 11/5007 in het geding tussen:

[aanvragers] (hierna tezamen en in enkelvoud: [aanvrager]), wonend te [plaats] (Pakistan)

en

de minister.

Procesverloop

Bij brieven van 28 januari 2008 heeft [aanvrager] aanvragen ingediend voor Nederlandse paspoorten.

Bij brief van 23 juni 2009 heeft [aanvrager] bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvragen.

Bij besluit van 26 april 2011 heeft de minister dit bezwaar gegrond verklaard, besloten de aanvragen van [aanvrager] niet in behandeling te nemen en het bezwaar ongegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen.

Bij uitspraak van 11 oktober 2011, verzonden op 12 oktober 2011, heeft de rechtbank het door [aanvrager] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 26 april 2011 vernietigd, voor zover daarbij de aanvragen van [aanvrager] niet in behandeling zijn genomen (lees: en voor zover daarbij de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond zijn verklaard). Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[aanvrager] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. F. Sevriens, werkzaam bij het ministerie, en [aanvrager], vertegenwoordigd door mr. S. Mahabier, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 10 oktober 2012 in zaak nr. 201112039/1/T1/A3 heeft de Afdeling de minister opgedragen om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen de gebreken in het besluit van 26 april 2011 te herstellen.

Bij besluit van 20 november 2012 heeft de minister ter uitvoering van deze tussenuitspraak opnieuw op het bezwaar van [aanvrager] beslist, dat bezwaar, voor zover dat is gericht tegen het niet in behandeling nemen van de door [aanvrager] ingediende aanvragen, gegrond verklaard, het besluit van 26 april 2011 in zoverre herroepen en beslist dat aan [aanvrager] Nederlandse paspoorten kunnen worden verstrekt.

[aanvrager] heeft een zienswijze ingediend over het besluit van 20 november 2012.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 49, eerste en zesde lid, van de Wet op de Raad van State, heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.    De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak overwogen dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het besluit van 26 april 2011 moet worden vernietigd wegens een ondeugdelijke motivering omdat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [aanvrager] vrijwillig de Pakistaanse nationaliteit heeft verkregen waardoor [aanvrager] de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.

3.    Het hoger beroep is gezien de tussenuitspraak ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Bij besluit van 20 november 2012 heeft de minister, gevolg gevend aan de tussenuitspraak, het door [aanvrager] gemaakte bezwaar, voor zover dat is gericht tegen het niet in behandeling nemen van de door [aanvrager] ingediende aanvragen, gegrond verklaard, het besluit van 26 april 2011 in zoverre herroepen en beslist dat aan [aanvrager] Nederlandse paspoorten kunnen worden verstrekt.

5.    [aanvrager] heeft in zijn reactie op het nieuwe besluit gesteld zich daarin te kunnen vinden.

Gelet hierop en het feit dat het hoger beroep van de minister ongegrond is, is in dit geval geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb ontstaan waarop nog dient te worden beslist.

6.    De minister dient op na te melden wijze te worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [aanvragers] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    bepaalt dat van de minister van Buitenlandse Zaken een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

290.