Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201208193/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Thienbunder" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201208193/1/R1.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Sittard-Geleen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Thienbunder" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door M.G.W. Rutten en A.G.V.M. Pfennings, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is de stichting "Woonmaatschappij ZO Wonen", vertegenwoordigd door [gemachtigde], daarbij werkzaam, verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in een ruimtelijk kader voor de herontwikkeling van de buurt Thienbunder. Daarbij worden, voor zover van belang, twee appartementengebouwen met beide maximaal 16 appartementen mogelijk gemaakt, grenzend aan de Mgr. Vranckenstraat.

2.    [appellanten], wonend aan de [locaties], voeren aan dat de in Thienbunder voorziene appartementengebouwen die in de plaats komen van eengezinswoningen een te hoge maximale bouwhoogte hebben en te dichtbij hun woningen komen, waardoor het straatbeeld ingrijpend wordt gewijzigd. Zij stellen ook dat de locatie niet geschikt is en elders binnen het plangebied een locatie kan worden gevonden die beter past in het straatbeeld.

2.1.    De raad stelt dat de maximale bouwhoogten van de appartementengebouwen in relatie tot de situering daarvan, op ruime afstand tot de woningen van [appellanten] en ingebed in het groen, het straatbeeld wijzigen, maar dat de straat deze wijziging kan dragen gezien het brede en stedelijke profiel hiervan. Aan deze laan zijn immers niet alleen grondgebonden woningen gelegen, maar ook nu reeds bedrijfspanden, appartementengebouwen en een kerk. Juist door het brede profiel van de weg is het gemengde karakter uit stedenbouwkundige optiek verantwoord. Voorts wordt met de nieuwe stedenbouwkundige structuur beoogd de buurt uit het isolement te halen en aan te laten sluiten bij de rest van de stad. De keuze om de twee appartementengebouwen te situeren aan de Mgr. Vranckenstraat heeft betrekking op het open stellen van de buurt. Door de centrale groene ruimte van de nieuwe buurt door te trekken richting de Mgr. Vranckenstraat ontstaat er openheid en zicht de wijk in. Deze openheid blijft gehandhaafd door twee appartementengebouwen, welke vrij staan in de open groene ruimte. Bovendien passen deze blokken beter binnen het gemixte karakter van de brede, stedelijke Mgr. Vranckenstraat dan de door [appellanten] genoemde locaties, aldus de raad.

2.2.    Voor het noordelijke appartementenblok geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 15 onderscheidenlijk 17 m. Voor het zuidelijke appartementenblok geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 13 onderscheidenlijk 15 m. Voor de eengezinswoningen die het dichtst bij de woningen van [appellanten] waren gelegen, gold ingevolge het bestemmingsplan "Sittard-Zuid" een maximale goot- en bouwhoogte van 6 onderscheidenlijk 9 m.

2.3.    De Afdeling stelt vast dat de appartementengebouwen op een afstand van 40 tot 45 m van de woningen zijn geprojecteerd en dat in de nabije omgeving een kerk, appartementengebouwen en bedrijfspanden zijn gelegen.  De inmiddels gesloopte eengezinswoningen waren op een afstand van 50 tot 55 m van de woningen gelegen. Gelet op de diversiteit van de bebouwing, de toegestane maximale hoogtes, de voorziene groene ruimte en de breedte van de tussenliggende weg van ruim 20 m is het standpunt van de raad dat de plannen stedenbouwkundig verantwoord zijn naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk te achten. Voorts hebben [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de raad voor de appartementengebouwen niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de locatie aan de Mgr. Vranckenstraat.

3.    [appellanten] voeren aan dat het realiseren van de appartementengebouwen zal leiden tot verlies van groenvoorzieningen door de kap van bomen.

3.1.    De raad stelt dat voor de te kappen bomen ten behoeve van de realisatie van het zuidelijk appartementenblok inmiddels een omgevingsvergunning is verleend, waartegen geen bezwaar is gemaakt. Voor de te vellen bomen is in de vergunning een herplantplicht opgenomen. Voor het noordelijk blok zal te zijner tijd voor zover nodig een besluit omtrent de kap van bomen dienen te worden genomen, waarbij ook een herplantplicht zal worden opgenomen. Voorts zijn de appartementengebouwen zodanig geprojecteerd, dat zij zoveel mogelijk ingepast kunnen worden in het bestaande groen.

3.2.    De Afdeling overweegt dat nu, zoals de raad heeft toegelicht, voor gekapte of nog te kappen bomen een herplantplicht geldt dan wel zal gelden en de bebouwing zoveel mogelijk zal worden ingepast in het bestaande groen, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de groenvoorziening ter plaatse van de te realiseren appartementengebouwen niet onevenredig zal worden aangetast. Daarbij betrekt de Afdeling dat ter zitting is toegelicht dat de bomen voor de woningen van [appellanten] gehandhaafd blijven.

4.    [appellanten] stellen dat als gevolg van de bouw van de appartementengebouwen het leefgebied van de rode eekhoorn, de vlaamse gaai, de haas, de uil, de vleermuis en de steenmarter zal worden aangetast.

4.1.    Wat betreft de gestelde aanwezigheid van bedreigde diersoorten verwijst de raad naar het aan het plan ten grondslag gelegde rapport "locatieonderzoek natuurwaarden, natuur en soortenbeleid Thienbunder, gemeente Sittard" van 8 juni 2011 alsmede naar het rapport "aanvullend ecologisch onderzoek Thienbunder" van 25 oktober 2011.

4.2.    De vraag of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) nodig is en zo ja, of deze kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in de procedure hieromtrent. Dat doet er evenwel niet aan af dat de raad het plan in zoverre  niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in zoverre in de weg staat.

4.3.    In het rapport van 8 juni 2011 is vermeld dat in het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van broedvogels. Wel is een aantal algemeen voorkomende vogels gesignaleerd, als gevolg waarvan werkzaamheden in het gebied buiten het broedseizoen dienen plaats te vinden. Ook algemeen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten komen voor, maar voor de aanwezigheid van strikt beschermde soorten zijn geen aanwijzingen, gelet op de inrichting van het plangebied en het ontbreken van een geschikt leefgebied.

In het rapport van 25 oktober 2011 is vermeld dat geen vaste rust- en verblijfplaatsen en/of vaste vliegroutes zijn waargenomen van vleermuizen. Ook de aanwezigheid van een vast foerageergebied is niet gebleken. Er zal volgens het rapport geen sprake zijn van negatieve effecten voor een duurzame instandhouding van de aanwezige soorten. Nadere vervolgstappen voor vleermuizen worden in het onderzoek niet noodzakelijk geacht. Er zijn binnen de bestaande bebouwing nesten van de huismus waargenomen. Deze waarneming is echter niet relevant voor de voorziene appartementengebouwen waartegen het beroep zich richt.

Gelet op voormelde conclusies van de rapporten van 8 juni en 25 oktober 2011 hoefde de raad er op voorhand niet in redelijkheid van uit te gaan dat de Ffw wat betreft de door [appellanten] genoemde diersoorten aan de uitvoerbaarheid van het plan in zoverre in de weg staat. Daarbij is in aanmerking genomen dat [appellanten] hun stelling niet hebben onderbouwd.

5.    [appellanten] betogen, onder verwijzing naar de in opdracht van de gemeente uitgevoerde bezonningsstudie, dat hun woningen als gevolg van de schaduwwerking van de te realiseren appartementen vooral in de wintermaanden een aanzienlijk verlies aan zonlicht zullen ondervinden.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat uit twee bezonningsstudies kan worden afgeleid dat de toename van de schaduwwerking als gevolg van de geprojecteerde appartementengebouwen niet van dien aard is dat dit tot een onaanvaardbare situatie leidt. Daarbij is betrokken dat de woningen van [appellanten] in een stedelijke omgeving zijn gelegen, waarbij verantwoorde stedelijke herinvulling van de naaste omgeving aan de orde kan zijn.

5.2.    Uit de aan het plan ten grondslag gelegde bezonningsstudie volgt dat de appartementen weliswaar enig effect hebben op de schaduwwerking op de woningen van [appellanten], maar dat ook in de huidige situatie de tuinen van de woningen van [appellanten] in het voor- en najaar in de schaduw zijn gelegen als gevolg van bestaande bomen en beplanting. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellanten] is een aanvullende bezonningsstudie uitgevoerd voor de periode oktober tot en met maart. Daarbij is de voormalige situatie met grondgebonden woningen vergeleken met de geprojecteerde situatie met appartementen, waarbij bestaande bomen en beplanting buiten beschouwing zijn gelaten. De conclusie van de aanvullende studie is dat in deze periode in de toekomstige situatie de schaduw als gevolg van de bebouwing de woningen 60 tot 80 minuten eerder bereikt, waarbij wordt opgemerkt dat het directe zonlicht al deels wordt ontnomen door de bestaande bomen en beplanting.

5.3.    De Afdeling overweegt dat weliswaar de voorziene bebouwing in de periode oktober tot en met maart een grotere schaduwwerking op de woningen van [appellanten] tot gevolg kan hebben, maar dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen onaanvaardbaar verlies van zonlicht zal plaatsvinden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het om een stedelijke omgeving gaat en voorts dat de bestaande bomen en beplanting ook tot minder zonlicht leiden.

6.    [appellanten] voeren aan dat het de vraag is of nog hoogbouw gerealiseerd moet worden, nu door bevolkingskrimp en vergrijzing een aanzienlijk aantal in de afgelopen jaren gebouwde appartementencomplexen leegstand kent.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat juist vanwege de vergrijzing en mede als gevolg van de bevolkingskrimp een herstructurering van de buurt Thienbunder plaats vindt. Daarbij is sprake van het terugbouwen van minder woningen en een gedifferentieerd programma, met het oog op de specifieke woningbehoefte van deze buurt en de stad. (Senioren)appartementen passen daarin, hetgeen wordt bevestigd door de grote belangstelling die daarvoor is. De appartementencomplexen waar [appellanten] op doelen, hebben een hoge bezettingsgraad, aldus de raad.

6.2.    In de plantoelichting is aangegeven dat de bevolkingskrimp in Limburg aanleiding is voor de regionale opgave om de woningvoorraad te herstructureren en het aantal woningen te verminderen. ZO Wonen, de gemeente Sittard-Geleen en de provincie Limburg hebben daartoe een samenwerkingsovereenkomst afgesloten voor de integrale wijk- en buurtverbetering in het TASs-gebied te Sittard. De buurt Thienbunder vormt samen met de buurten Achtbunder, Sanderbout en de voormalige slachthuislocatie het TASs-gebied, dat als prioritair herstructureringsgebied is aangemerkt binnen de Westelijke mijnstreek. Het doel daarbij is de buurten te verbeteren op ruimtelijk-functioneel en op sociaal-maatschappelijk vlak. De buurt Thienbunder loopt voorop in deze verbeteringsopgave, aldus de plantoelichting.

6.3.    De Afdeling acht het standpunt van de raad dat, gelet op de voorgenomen vermindering van het aantal woningen en de wens om een kwalitatieve verbetering van de woningvoorraad te realiseren, behoefte bestaat aan de voorziene appartementen, niet onredelijk. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat een aanzienlijk aantal in de afgelopen jaren gebouwde appartementencomplexen leegstand kent.

7.    In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg    w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

91.