Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6705

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201200104/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Laren-Noord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201200104/1/R1.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Laren,

2. [appellant sub 2], wonend te Laren,

3. [appellanten sub 3] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Laren,

4. [appellanten sub 4], wonend te Laren,

5. [appellant sub 5], wonend te Laren,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maatschappij voor Huizen Bezit en Beheer (hierna: de vennootschap) en anderen, gevestigd te Amsterdam,

7. [appellant sub 7] en anderen, wonend te Laren,

en

de raad van de gemeente Laren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Laren-Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5], de vennootschap en anderen en [appellant sub 7] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5], de vennootschap en anderen en [appellant sub 7] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2012, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren, [appellant sub 3], [appellanten sub 4], bijgestaan dan wel vertegenwoordigd door mr. G.J.A.M. Bogaers, [appellant sub 5], bijgestaan door mr. S. Levelt, advocaat te Amsterdam, de vennootschap en anderen, vertegenwoordigd door mr. C.E. Houtkooper, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 7] en anderen, in de persoon van [appellant sub 7] en bijgestaan door mr. T.A. van Nierop, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.J.J.P. Engels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het grondgebied van Laren en is conserverend van aard.

Het beroep van [appellante sub 1]

3. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel, kadastraal bekend als gemeente Laren, sectie […], nummers […] en […].

[appellante sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte op het perceel niet heeft voorzien in een bouwvlak van 150 m². [appellante sub 1] voert hiertoe aan dat zij sinds 1955 woonachtig is op het perceel [locatie 1] en dat zij inmiddels slecht ter been is, om welke reden zij op het perceel met [nummer] een gelijkvloerse woning wil oprichten. Volgens [appellante sub 1] heeft de raad niet onderkend dat hiermee het open karakter van het perceel slechts minimaal wordt aangetast. Voorts heeft de raad de door haar ingediende zienswijze niet op zorgvuldige wijze beantwoord, nu hierin wordt gesproken over een onjuist perceelnummer, aldus [appellante sub 1].

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toevoegen van een bouwvlak in strijd is met het uitgangspunt dat het plan conserverend van aard is. Voorts voorziet het plan volgens de raad in een afwijkingsbevoegdheid waarmee kan worden toegestaan dat een bijgebouw wordt gebruikt voor bewoning ten behoeve van mantelzorg.

3.2. Het perceel met nummer […] is gelegen achter het perceel met vrijstaande woningen aan de [locatie 2] en hierop bevindt zich thans een tennisbaan. Het perceel heeft de bestemming "Wonen" en hierop bevindt zich geen bouwvlak, zodat hier ingevolge artikel 19, lid 19.2.1 en 19.2.2, van de planregels uitsluitend bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd.

3.3. Anders dan [appellante sub 1] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad de door haar ingediende zienswijze op onzorgvuldige wijze heeft beantwoord. Dat hierin de perceelnummers 572 en 573 worden genoemd, betreft een kennelijke verschrijving, nu uit de beantwoording van de zienswijze volgt dat de raad van de juiste percelen is uitgegaan. De raad heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat het realiseren van een woning op het perceel ten koste gaat van het groene karakter van het perceel en leidt tot verstening, hetgeen in strijd is met de uitgangspunten van het plan. In artikel 19, lid 19.6.2, van de planregels is bovendien voorzien in een afwijkingsbevoegdheid waarmee kan worden toegestaan dat een bijgebouw wordt gebruikt voor bewoning ten behoeve van mantelzorg. De raad betoogt terecht dat met toepassing van deze bevoegdheid kan worden toegestaan dat [appellante sub 1] op het perceel met nummer 537 een bijgebouw van maximaal 70 m² opricht ten behoeve van mantelzorg. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid er voor kunnen kiezen niet te voorzien in een bouwvlak op het desbetreffende perceel.

3.4. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in zoverre plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemmingen "Wonen", "Bos", "Tuin" en "Agrarisch met Waarden", alsmede de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie hoge verwachting", "Waarde - Geomorfologie", "Waarde - Landschap" en "Waarde - Cultuurhistorie 1" voor het perceel aan de [locatie 3].

4.1. [appellant sub 2] betoogt dat de raad het plan op onjuiste wijze heeft bekend gemaakt, nu de publicatie een onjuiste rechtsmiddelenclausule bevat.

4.1.1. In de publicatie van het plan van 16 december 2011 in de Staatscourant en in het Larens Journaal staat dat hiertegen gedurende een termijn van zes weken beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende die kan aantonen dat hij redelijkerwijs niet in staat was zijn zienswijze over het ontwerpplan bij de raad in te dienen en een belanghebbende die het niet eens is met de wijzigingen die bij de vaststelling van het plan ten opzichte van het ontwerp zijn aangebracht.

[appellant sub 2] betoogt terecht dat deze rechtsmiddelenclausule onvolledig is, nu hierin niet staat dat beroep eveneens kan worden ingesteld door een belanghebbende die tijdig een zienswijze heeft ingediend. Deze beroepsgrond heeft evenwel betrekking op een onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

4.2. [appellant sub 2] betoogt voorts dat het plan op onzorgvuldige wijze is vastgesteld. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat in het concept van de nota zienswijzen ten onrechte niet was aangegeven dat zijn vertegenwoordiger ook voor andere partijen optrad, dat de agenda voor de vergadering van de commissie Ruimte en Infrastructuur onjuist was gedateerd en dat de uitnodiging voor deze vergadering naar een onjuist adres is verstuurd. Voorts hebben de indieners van een zienswijze volgens [appellant sub 2] slechts kort de tijd gehad om deze mondeling toe te lichten. Ten slotte betoogt [appellant sub 2] dat de raad bij de vaststelling van het plan vooringenomen is geweest.

4.2.1. Hetgeen [appellant sub 2] aanvoert, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op onzorgvuldige wijze is vastgesteld. De enkele omstandigheid dat het concept van de nota zienswijzen en de agenda voor de vergadering van de commissie Ruimte en Infrastructuur enkele onzorgvuldigheden en verschrijvingen bevatten en dat een uitnodiging naar een onjuist adres is gestuurd, betekent niet dat de raad het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld. Het ontwerpplan heeft voorts vanaf 20 juni 2011 voor een termijn van zes weken ter inzage gelegen, gedurende welke termijn een ieder een zienswijze heeft kunnen indienen. Voorts is op 28 augustus 2011 een informatieavond gehouden en is gelegenheid tot inspraak geweest tijdens de vergadering van de commissie Ruimte en Infrastructuur. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, bestaat gelet hierop geen grond voor het oordeel dat onvoldoende mogelijkheden tot inspraak zijn geboden. Dat de raad bij het vaststellen van het plan in beginsel niet heeft willen afwijken van het uitgangspunt dat Laren groen moet blijven, betekent ten slotte, anders dan [appellant sub 2] betoogt, niet dat hij heeft gehandeld in strijd met het verbod op vooringenomenheid. Dit verbod verzet zich er niet tegen dat de raad een plan opstelt vanuit een bepaalde beleidskeuze.

4.3. [appellant sub 2] betoogt verder dat het plan is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat uit de verbeelding niet duidelijk volgt welke bestemmingen op zijn perceel aan de [locatie 3] liggen.

4.3.1. Anders dan [appellant sub 2] betoogt volgt uit de verbeelding duidelijk dat ter plaatse van zijn perceel de bestemmingen "Wonen", "Bos", "Tuin" en "Agrarisch met Waarden", alsmede de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie hoge verwachting", "Waarde - Geomorfologie", "Waarde - Landschap" en "Waarde - Cultuurhistorie 1" gelden. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de op het perceel geldende dubbelbestemmingen op de analoge versie van de verbeelding met verschillende kruizen zijn aangegeven, terwijl deze kruizen op de digitale verbeelding niet zijn afgebeeld, geldt dat de digitale versie van de verbeelding doorslaggevend is. De op het perceel geldende dubbelbestemmingen staan, hoewel niet met verschillende kruizen, eveneens op de digitale versie van de verbeelding, zodat deze versie inhoudelijk niet verschilt van de analoge versie van de verbeelding. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" binnen de bestemming "Wonen" eveneens de bestemming "Agrarisch met Waarden" geldt, hetgeen tegenstrijdig is, berust dit op een onjuiste lezing van de verbeelding. Volgens de verbeelding gelden ter plaatse van deze aanduiding naast de bestemming "Wonen" de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie hoge verwachting" en "Waarde - Geomorfologie". Anders dan [appellant sub 2] betoogt, is van strijd met de rechtszekerheid derhalve geen sprake.

4.4. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in de mogelijkheid een woning te bouwen op het zuidelijk deel van zijn perceel met de bestemming "Agrarisch met Waarden". [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat de raad het stedenbouwkundige rapport van ir. H.A. van Steennis van 19 december 2007 ten onrechte niet bij zijn onderzoek heeft betrokken. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat door het niet voorzien in de mogelijkheid een woning te bouwen zijn eigendomsrechten worden aangetast, hetgeen in strijd is met artikel 1 van het eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Tegen deze schending staat volgens [appellant sub 2] bovendien geen effectief rechtsmiddel open, hetgeen in strijd is met artikel 6 en 13 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest. Ten slotte betoogt [appellant sub 2] dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

4.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toevoegen van een bouwvlak in strijd is met het uitgangspunt dat het plan conserverend van aard is. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat hij het beleid voert dat het groene karakter van Laren dient te worden behouden, hetgeen als uitgangspunt aan het plan ten grondslag ligt.

4.4.2. In het rapport 'Stedenbouwkundige visie op perceel [locatie 3], Laren (NH) en de directe omgeving daarvan', van 19 december 2007, opgesteld door ir. H.A. van Steennis, in opdracht van [appellant sub 2] (hierna: het stedenbouwkundig rapport), staat dat [appellant sub 2] de wens heeft een woning op te richten op de zuidwesthoek van het perceel [locatie 3] ter vervanging van de te slopen stal. Volgens dit rapport draagt een nieuwe woning als vervangende bebouwing voor de stal en gesitueerd bij de stal, ter plaatse van de Leemzeulder en het (nog) doodlopende pad wezenlijk bij aan de uitbeelding van de overgang tussen het groene noordelijke gebied en de bebouwde kom van Laren.

4.4.3. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het besluit omtrent het vaststellen van een bestemmingsplan. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de raad het stedenbouwkundig rapport bij de belangenafweging betrokken. De raad voert het beleid dat het groene en kleinschalige karakter van Laren dient te worden behouden en verdere verstening dient te worden tegengegaan, hetgeen als uitgangspunt aan het plan ten grondslag ligt. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het voorzien in de mogelijkheid een nieuwe woning te bouwen zal leiden tot verstening van het perceel. Dat volgens het stedenbouwkundig rapport de door [appellant sub 2] gewenste mogelijkheid om een woning te bouwen op de zuidwesthoek van het perceel [locatie 3] tot een verbetering van het landschap kan leiden, laat onverlet dat dit bijdraagt aan verstening van het perceel. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de raad in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht toegekend aan zijn belang om een nieuwe woning op het perceel te bouwen. De raad heeft gelet hierop in redelijkheid er voor kunnen kiezen niet te voorzien in de mogelijkheid een woning te bouwen op dit deel van het perceel.

Voor zover [appellant sub 2] stelt dat op een aantal percelen in de omgeving van zijn perceel wel bebouwing mogelijk wordt gemaakt, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat dit verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat voor de bebouwing op deze percelen onder het voorheen geldende plan vrijstellingen zijn verleend, die thans in het plan zijn overgenomen. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

4.4.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2012 in zaak nr. 201010885/1/R2), laat artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM onverlet de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang en is een bestemmingsplanregeling een zodanige regulering. Zoals volgt uit hetgeen overwogen in 4.4.3 biedt hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat geen billijke afweging heeft plaatsgevonden tussen de belangen van het individu enerzijds en die van de gemeenschap als geheel anderzijds. Uit het voorgaande volgt dat de desbetreffende bestemmingsregeling niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM.

Voorts staat ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan beroep open bij de Afdeling. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat tegen de door [appellant sub 2] aangevoerde schending van zijn eigendomsrechten geen effectief rechtsmiddel open staat. Anders dan [appellant sub 2] betoogt is derhalve geen sprake van schending van artikel 6 en 13 van het EVRM.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de raad artikel 17 en 47 van het Handvest heeft geschonden, kan dit evenmin slagen. De raad heeft bij het vaststellen van het bestemmingsplan niet het recht van de Unie ten uitvoer gebracht of anderszins bij dit recht aangeknoopt (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juni 2012, C 27/11, Vinkov, punt 59, (www.curia.europa.eu)), zodat de zaak niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest valt.

4.4.5. [appellant sub 2] betoogt verder tevergeefs dat de raad niet heeft onderkend dat het plan wat betreft de gronden op het zuidelijk deel van zijn perceel met de bestemming "Agrarisch met Waarden" niet uitvoerbaar is. [appellant sub 2] heeft deze stelling niet gemotiveerd. Vast staat dat de gronden thans bestaan uit groenvoorzieningen, hetgeen past binnen de bestemming "Agrarisch met Waarden". Dat volgens [appellant sub 2] deze bestemming niet de meest doelmatige bestemming is voor deze gronden, betekent niet dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is. Voorts kan de niet nader gemotiveerde stelling van [appellant sub 2] dat de binnen deze bestemming geldende planregels onduidelijk en verstikkend zijn evenmin slagen.

[appellant sub 2] betoogt voorts dat hij voormelde gronden gebruikt als tuin. Vast staat dat de gronden op het zuidelijke deel van het perceel onder het voorheen geldende plan "De Kolonie" de bestemming "Gebied met landschappelijke waarde en agrarische doeleinden" hadden. Zoals de raad terecht stelt waren deze gronden derhalve niet bestemd als tuin. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 2] deze gronden niettemin in gebruik heeft als tuin, betekent derhalve niet dat de raad deze ook als zodanig had moeten bestemmen. Daarbij heeft de raad terecht van belang geacht dat aan een deel van de gronden van [appellant sub 2], gelegen achter de bestemming "Wonen", reeds de bestemming "Tuin" is toegekend.

Voor zover [appellant sub 2] verder betoogt dat de raad niet in redelijkheid aan deze gronden de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie 1" heeft kunnen toekennen, kan dit evenmin slagen. Ingevolge artikel 24 van de planregels zijn de hiervoor aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische waardevolle open engen en de randzones rond deze engen. [appellant sub 2] heeft niet betwist dat ter plaatse sprake is van dergelijke gronden, zodat de enkele stelling dat enggronden zonder bomenrij aan de rand talloos zijn, niet kan slagen.

4.5. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de raad ten onrechte aan een deel van zijn gronden op het perceel [locatie 3] de bestemming "Bos" heeft toegekend. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat de raad niet heeft onderkend dat deze gronden niet als bos kunnen worden aangemerkt.

4.5.1. Volgens de plantoelichting hebben beeldbepalende bosstructuren en houtopstanden de bestemming "Bos" gekregen. Vast staat dat dergelijke bosstructuren en houtopstanden ter plaatse aanwezig zijn. Voorts staat vast dat de gronden onder het voorheen geldende plan "De Kolonie" eveneens als bos waren bestemd. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de raad aan deze gronden ten onrechte de bestemming "Bos" heeft toegekend.

4.6. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

5. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu hij geen zienswijze tegen het ontwerpplan heeft ingediend.

5.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken, in dit geval van 20 juni 2011 tot 1 augustus 2011, en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant sub 3] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Niet in geschil is dat [appellant sub 3] eerst op 29 december 2011, na afloop van de termijn voor het indienen van een zienswijze, een overeenkomst omtrent de aankoop van het perceel aan de [locatie 4] heeft gesloten. Anders dan de raad betoogt, bestaat onder deze omstandigheden aanleiding voor het oordeel dat het niet indienen van een zienswijze [appellant sub 3] redelijkerwijs niet kan worden verweten. Dat, zoals de raad stelt, de makelaar op de hoogte was van de terinzagelegging van het ontwerpplan, leidt niet tot een ander oordeel, nu evenmin in geschil is dat de onderhandelingen omtrent de aankoop van het perceel in augustus 2011, eveneens na afloop van voormelde termijn, zijn aangevangen.

5.2. Het beroep richt zich tegen het plandeel met onder meer de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" voor het perceel aan de [locatie 4].

[appellant sub 3] betoogt dat de raad aan een groter deel van zijn perceel de bestemming "Wonen" had moeten toekennen. [appellant sub 3] voert hiertoe aan dat hij een zwembad op het perceel wil aanleggen, maar dat dit binnen de bestemming "Tuin" niet is toegestaan. Volgens [appellant sub 3] had de raad moeten afwijken van het beleid dat gebieden langs de openbare weg vrij van bebouwing dienen te blijven en de bestemming "Tuin" krijgen, omdat het perceel aan drie zijden grenst aan de openbare weg.

5.2.1. Vast staat dat het plan conserverend van aard is en dat hierin de bestemmingsregeling voor het perceel aan de [locatie 4] zoals deze gold onder het voorgaande plan "De Kolonie" is overgenomen. Voorts staat vast dat [appellant sub 3] geen zienswijze heeft ingediend en hij ten tijde van het besluit van 28 november 2011 geen eigenaar was van dit perceel. De raad was derhalve ten tijde van het vaststellen van het plan niet op de hoogte van de wens van [appellant sub 3] om een zwembad op het perceel aan te leggen. De raad kon hiermee bij het vaststellen van het plan dan ook geen rekening houden. Anders dan [appellant sub 3] betoogt, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de raad ten tijde van het vaststellen van het besluit niet in redelijkheid tot de in het plan voor het perceel aan de [locatie 4] opgenomen bestemmingsregeling heeft kunnen komen.

5.3. [appellant sub 3] heeft ter zitting de beroepsgrond met betrekking tot de kippenren ingetrokken.

5.4. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

De beroepen van [appellanten sub 4] en de vennootschap en anderen

6. De beroepen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Tuin" en de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas" voor het perceel aan de [locatie 5].

6.1. [appellanten sub 4] betogen dat de raad ten onrechte in het plan de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas" heeft opgenomen voor het achterste deel van het perceel. Zij voeren hiertoe aan dat de raad niet heeft onderkend dat geen nut en noodzaak bestaat voor deze aanduiding. Voorts voeren zij aan dat als gevolg van deze aanduiding een tuinhuis op hun perceel niet kan worden herbouwd en de voorgenomen bouw van een boomhut niet is toegestaan. [appellanten sub 4] voeren verder aan dat als gevolg van deze aanduiding een aantal bomen op hun perceel moet worden verwijderd.

6.2. De vennootschap en anderen betogen dat de raad de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas" op onjuiste wijze in het plan heeft opgenomen. De vennootschap en anderen voeren hiertoe aan dat de raad in het plan een van de zichtlijnen heeft verwijderd, hetgeen tot gevolg heeft dat de aanduiding niet langer in overeenstemming is met het op het perceel gelegen recht van erfdienstbaarheid. De vennootschap en anderen betogen voorts dat de raad het verwijderen van een van de zichtlijnen ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Volgens de vennootschap en anderen heeft de raad doorslaggevend gewicht toegekend aan het risico op planschade als gevolg van het opnemen van de aanduiding, terwijl hiervan geen sprake kan zijn nu de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 5] niet door het plan, maar door het recht van erfdienstbaarheid worden beperkt.

6.3. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas" is opgenomen om de doorkijk vanaf het landgoed Larenberg op het dorp Laren vrij te houden van bebouwing. In 1886 is deze zichtas notarieel vastgelegd in een recht van erfdienstbaarheid.

6.4. Ingevolge artikel 12, lid 12.5.1, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas" bestemd voor behoud van het open karakter van de historische zichtas, behorend bij het landgoed, zoals vastgelegd in een servituut van 1886. Deze gronden dienen gevrijwaard te blijven van bouwwerken en opgaande beplanting die visuele hinder veroorzaken.

Ingevolge lid 12.5.2, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen en de aanduiding als bedoeld in lid 12.5.1 van de verbeelding te verwijderen, indien het in dit lid genoemde servituut is komen te vervallen.

6.5. In de plantoelichting staat dat het landgoed Larenberg zich onderscheidt van andere landgoederen in de omgeving vanwege de monumentale status in de zin van de Monumentenwet 1988 die het landgoed als complex historische buitenplaats heeft toegewezen gekregen. Het huis Larenberg wordt omringd door een park in landschapsstijl, dat dateert uit het midden van de jaren ‘30 van de 19e eeuw. Voor de compositie van de aanleg speelde de positie van het hoger gelegen buitenhuis en de gezichten vanuit het huis op de omgeving en het veel lager gelegen Laren een belangrijke rol. Om het gezicht op het dorp Laren vrij te houden, ligt op een lager gelegen perceel een recht van erfdienstbaarheid, die het bouwen op dit perceel verbiedt. Het historische landgoed Larenberg vertegenwoordigt naast een landschappelijke ook een culturele waarde. Deze waarde bestaat onder ander uit historische zichtassen en het tuinontwerp en cultuurhistorisch waardevolle ensembles.

6.6. Het voormelde recht van erfdienstbaarheid van uitzicht is bij notariële akte van 1 mei 1886 gevestigd ten behoeve van onder meer het landgoed Larenberg, kadastraal bekend als gemeente Laren, sectie E, nummer 376 en ten laste van onder meer het perceel aan de [locatie 5]. Uit de overgelegde kaarten uit het kadaster volgt dat de drie zichtlijnen, zoals deze op grond van het recht van erfdienstbaarheid gelden, over een groot deel van het perceel aan de [locatie 5] zijn gelegen. Het recht van erfdienstbaarheid houdt in dat op onder meer het perceel aan de [locatie 5] nimmer enige gebouwen, werken, beplantingen of enige andere verhevenheden gesticht of geplaatst mogen worden die het uitzicht van het landgoed Larenberg belemmeren.

6.7. De vennootschap en anderen hebben toegelicht dat zij de raad hebben gevraagd de drie historische zichtassen, zoals vastgelegd in het recht van erfdienstbaarheid, in het plan vast te leggen. De vennootschap en anderen willen dat de zichtassen planologisch zijn gewaarborgd en voorkomen dat het plan bouwmogelijkheden biedt die met het recht van erfdienstbaarheid in strijd zijn.

6.8. Vast staat dat de raad dit recht van erfdienstbaarheid in het plan heeft opgenomen door te voorzien in de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas" op onder meer het perceel [locatie 5]. In het ontwerpplan bestond deze aanduiding uit drie zichtlijnen waardoor deze, in overeenstemming met de in 6.6 genoemde kaarten uit het kadaster, over een groot deel van dit perceel was gelegen. De raad heeft naar aanleiding van een door [appellanten sub 4] ingediende zienswijze het plan gewijzigd vastgesteld, in die zin dat de meest noordelijk gelegen zichtlijn uit het plan is gehaald. Dit heeft tot gevolg dat in het vastgestelde plan de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas" uitsluitend over het meest zuidelijke deel van het perceel is gelegen.

6.9. De vennootschap en anderen betogen terecht dat dat de raad het niet opnemen in het plan van de meest noordelijk gelegen zichtlijn ondeugdelijk heeft gemotiveerd. In de reactie op de zienswijze van [appellanten sub 4] staat dat deze zichtlijn uit het plan wordt gehaald omdat deze zichtlijn de bouwmogelijkheden van [appellanten sub 4] beperkt, hetgeen kan leiden tot planschade. Zoals de vennootschap en anderen terecht betogen, heeft de raad geen afweging gemaakt tussen het culturele belang bij het behouden van de zichtlijnen en het belang van [appellanten sub 4] bij hun bouwmogelijkheden. De raad heeft bovendien niet onderkend dat het verwijderen van de zichtlijn de privaatrechtelijke belemmering om op een deel van het perceel te bouwen onverlet laat, zodat [appellanten sub 4] nog steeds niet ten volle gebruik kunnen maken van hun bouwmogelijkheden.

6.10. Volgens [appellanten sub 4] staan op het perceel binnen de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas", zoals deze in het plan is opgenomen, een aantal beeldbepalende bomen. [appellanten sub 4] betogen terecht dat deze bomen vallen onder opgaande beplanting die visuele hinder veroorzaakt, zoals opgenomen in artikel 12, lid 12.5.1, van de planregels. Dit zou betekenen dat deze bomen hier niet zijn toegestaan en dienen te worden verwijderd. Het is in beginsel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening om in een bestemmingsplan bestemmingen op te nemen die niet binnen de planperiode zullen worden verwezenlijkt. De raad heeft ter zitting verklaard dat niet zeker is dat de bomen binnen de planperiode zullen worden verwijderd. Desgevraagd heeft de raad voorts verklaard dat niet zeker is dat de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas", voor zover deze is gelegen op het perceel aan de [locatie 5], binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. Gelet hierop bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad het wel opnemen van de overige twee zichtlijnen in het plan door middel van de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas", voor zover deze is gelegen op het perceel [locatie 5], eveneens ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

6.11. Gelet op hetgeen is overwogen in 6.9 en 6.10 en vanwege de samenhang van de beroepen van [appellanten sub 4] en de vennootschap en anderen, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat betreft het plandeel met de bestemming "Tuin" en de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas", voor het perceel aan de [locatie 5], zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart, niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn reeds hierom gegrond. Hetgeen [appellanten sub 4] en de vennootschap en anderen overigens hebben aangevoerd behoeft geen verdere bespreking. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 5]

7. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Bos" voor het perceel, kadastraal bekend als gemeente Laren, sectie […], nummer […].

[appellant sub 5] betoogt dat de raad ten onrechte in het plan aan het perceel de bestemming "Bos" heeft toegekend. [appellant sub 5] voert hiertoe aan dat deze bestemming niet overeenkomstig de feitelijke situatie is. Voorts voert hij aan dat zijn bedrijfsactiviteiten op het perceel hiermee onder het overgangsrecht zijn gebracht. Verder ontbreken volgens [appellant sub 5] beschermenswaardige natuurwaarden op het perceel, zodat ook om die reden ten onrechte hieraan de bestemming "Bos" is toegekend. [appellant sub 5] voert voorts aan dat de raad ten onrechte het advies van de Stichting Goois Natuurreservaat (hierna: GNR) om aan het perceel de bestemming "Bos" toe te kennen, heeft overgenomen.

7.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in het kader van het vooroverleg advies is gevraagd aan GNR. Bij brief van 22 november 2010 heeft GNR geadviseerd om het perceel als bos te bestemmen, welk advies de raad heeft overgenomen.

7.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor bos en houtopstanden, behoud, herstel en ontwikkeling van de in dit gebied voorkomende landschaps- of natuurwaarden, water, waterbeheer en waterberging en onverharde paden.

Ingevolge lid 6.2.1 mogen binnen deze bestemming geen gebouwen worden gebouwd.

Ingevolge lid 6.2.2 mogen binnen deze bestemming bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. de hoogte van terrein- en erfafscheidingen mag ten hoogste 1 meter bedragen;

b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan.

7.3. In de plantoelichting staat dat in het plangebied diverse beeldbepalende bosstructuren en houtopstanden aanwezig zijn. Deze - deels particuliere - gronden hebben de bestemming "Bos" gekregen. Binnen deze bestemming is bouwen niet toegestaan, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen met een maximale hoogte van 1 m.

7.4. In de brief van GNR van 22 november 2010 staat dat het perceel in de huidige staat moet worden aangemerkt als bos en natuurgebied. Opgaande begroeiing in de vorm van bomen, met name naaldbomen, domineert hier, terwijl naast gesloten bos ook meer open natuurterrein aanwezig is. Als gevolg van een min of meer ongestoorde vegetatieontwikkeling zijn aan het perceel ongetwijfeld natuurwaarden toe te kennen. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat het perceel geïsoleerd ligt ten opzichte van de omringende grote natuurgebieden en hier van uitwisseling van diersoorten alleen in beperkte zin sprake kan zijn. In de brief staat voorts dat de in het voorontwerp aan het perceel gegeven bestemming "Agrarisch met waarde" geen recht doet aan de huidige status van het perceel en dat de bestemming "Bos" meer in de rede ligt, mede gelet op het gestelde in de beleidsvisie.

In het rapport 'Toetsing aan de Flora- en faunawet van bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie 6] Laren' uit 2009, opgesteld door Alterra in opdracht van de gemeente Laren, staat dat het perceel met een oppervlakte van 7000 m² bestaat uit vrij oude fijnsparren, doorgegroeide exemplaren van een voormalige kerstboomculture. Fijnsparrenbosjes op oudere leeftijd zijn, uitzonderingen daargelaten, weinig in trek bij de meeste planten en dieren. De conclusie is dat zich geen soorten van de Rode Lijsten of van de Habitatrichtlijn in dit perceel bevinden, of daar gebruik van maken voor een van hun activiteiten, aldus het rapport.

In het rapport '[locatie] Laren perceel […], landschappelijke notitie' van 11 juni 2012, opgesteld door Adviesbureau Haver Droeze in opdracht van [appellant sub 5], staat ten slotte dat het perceel gelet op het actuele gebruik en een eerste inschatting van de actuele natuurwaarde niet is aan te merken als een landschappelijk of natuurwetenschappelijk waardevol bosperceel. De vermeende bosfunctie op deze locatie is vermoedelijk ingegeven door een foutieve aanduiding op de topografische kaart uit 2002. De feitelijke situatie maakt bij bezichtiging direct duidelijk dat geen sprake is van bos of een bosopstand. Wel staat er een aantal doorgeschoten kerstbomen, waadoor de bomen enig formaat hebben, aldus het rapport.

7.5. Vast staat dat het perceel onder het voorheen geldende plan "De Kolonie" de bestemming "Gebied met landschappelijke waarde en agrarische doeleinden" had en dat hier ingevolge artikel 11, tweede lid, onder c, van de r[appellant sub 3] behorende bij dit plan agrarische bedrijven waren toegestaan. [appellant sub 5] stelt dat hij het perceel in gebruik heeft als sparrenkwekerij. [appellant sub 5] betoogt terecht dat de bestemming "Bos" dit gebruik niet toestaat, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit onder het overgangsrecht is gebracht. De raad heeft ter zitting bevestigd dat hij heeft onderkend dat de sparrenkwekerij onder de bestemming "Bos" niet is toegestaan en dat dit gebruik derhalve onder het overgangsrecht is gebracht. De raad heeft evenwel onvoldoende gemotiveerd waarom hij in zijn belangenafweging aan het belang bij een bosbestemming op het perceel doorslaggevend gewicht heeft toegekend en waarom het gebruik van [appellant sub 5] hiervoor moet wijken. De raad heeft hiertoe verwezen naar de brief van GNR, waarin wordt geadviseerd om het perceel als "Bos" te bestemmen. Uit de in 7.4 genoemde rapporten, die door de raad niet zijn betwist, volgt evenwel dat op het perceel geen beschermenswaardige natuurwaarden aanwezig zijn en dat de feitelijke situatie direct duidelijk maakt dat geen sprake is van een bos, maar hooguit van een aantal doorgroeide kerstbomen. Uit de door [appellant sub 5] overgelegde foto's volgt eveneens dat op het perceel enige bomen aanwezig zijn, maar dat van beeldbepalende bosstructuren en houtopstanden geen sprake is. Gelet hierop bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad het toekennen van de bestemming "Bos" aan het perceel [locatie 5] ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

7.6. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat betreft het plandeel met de bestemming "Bos" voor het perceel kadastraal bekend als gemeente Laren, sectie […], nummer […], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen [appellant sub 5] overigens heeft aangevoerd behoeft geen verdere bespreking. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 7] en anderen

8. Het beroep richt zich tegen het plandeel met onder meer de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Bos" voor het terrein achter het perceel aan de [locatie 7].

[appellant sub 7] en andere betogen dat de raad het plan onzorgvuldig heeft voorbereid. Zij voeren hiertoe aan dat zij slechts een week van te voren zijn uitgenodigd om de vergadering van de commissie Ruimte en Infrastructuur bij te wonen. Voorts heeft de raad het bestemmingsplan volgens [appellant sub 7] en anderen niet tijdig vastgesteld en dit niet tijdig bekend gemaakt. Verder is de door hen ingediende zienswijze volgens [appellant sub 7] en anderen onvolledig weergegeven in de nota beantwoording zienswijzen.

8.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro, is afdeling 3.4 van de Awb op de voorbereiding van een bestemmingsplan van toepassing, met dien verstande dat de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzageligging beslist omtrent vaststelling van het bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, geschiedt de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan binnen twee weken na de vaststelling.

8.2. Vast staat dat de in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro gestelde termijn is overschreden. Uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Weliswaar heeft de digitale publicatie van het bestreden besluit buiten de in artikel 3.8, derde lid, van de Wro gestelde termijn plaatsgevonden maar dit betreft een onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten.

8.3. De omstandigheid dat [appellant sub 7] en anderen slechts een week voorafgaand aan de vergadering van de commissie Ruimte en Infrastructuur zijn uitgenodigd om deze bij te wonen, biedt voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan onzorgvuldig heeft voorbereid. Daargelaten dat op de raad in het algemeen niet de verplichting rust indieners van een zienswijze in kennis te stellen van het houden van commissie- en raadsvergaderingen, acht de Afdeling deze termijn niet zodanig kort dat [appellant sub 7] en anderen onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om hierbij aanwezig te zijn.

Voorts verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Hetgeen [appellant sub 7] en anderen overigens hebben aangevoerd, biedt voorts evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan onzorgvuldig heeft voorbereid.

9. [appellant sub 7] en anderen betogen dat de raad ten onrechte aan het terrein de bestemming "Tuin" heeft toegekend. [appellant sub 7] en anderen voeren hiertoe aan dat de raad niet heeft onderkend dat hiermee het bosrijke karakter van de omgeving wordt aangetast. Voorts heeft de raad ten onrechte in het plan niet voorzien in een strook van 30 m met de bestemming "Bos". Volgens [appellant sub 7] en anderen is de huidige strook van 15 m met de bestemming "Bos" onvoldoende om het beeld van een bos te bieden en om hinder door het gebruik van het terrein te voorkomen. Voorts is het volgens [appellant sub 7] en anderen mogelijk om in deze strook een tennisbaan of een zwembad aan te leggen. [appellant sub 7] en anderen betogen voorts dat de raad ten onrechte aan een smalle strook grond gelegen voor de bosstrook de bestemming "Groen" heeft toegekend. [appellant sub 7] en anderen voeren hiertoe aan dat hier een laurierhaag is geplant die de aanblik van het bos wegneemt. Verder betogen [appellant sub 7] en anderen dat de raad ten onrechte de bestemming "Wonen" heeft toegekend aan een deel van het perceel. Zij voeren hiertoe aan dat hiermee de bouw van woningen en kantoren mogelijk wordt gemaakt, hetgeen niet passend is in de omgeving. Ten slotte betogen [appellant sub 7] en anderen dat de raad ten onrechte heeft voorzien in de mogelijkheid een inrit te realiseren tot het terrein vanaf de [locatie 8].

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Tuin" het meest doelmatig gebruik van het perceel mogelijk maakt. Voorts is een brede bosstrook als "Bos" bestemd om ervoor te zorgen dat het bosrijke karakter behouden blijft. Volgens de raad kan binnen deze bestemming geen zwembad of tennisbaan worden aangelegd. Voorts maakt het plan het niet mogelijk dat op het perceel woningen of kantoren worden gebouwd. De raad heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de strook grond met de bestemming "Groen" is opgenomen vanwege de ter plaatse aanwezige laurierhaag. Volgens de raad zou het aanplanten van bos op deze strook leiden tot een versmalling van de naastgelegen rijbaan.

9.2. In het plan is aan het grootste deel van het terrein achter het perceel aan de [locatie 7] de bestemming "Tuin" toegekend. Voorts is aan een strook van ongeveer 15 m breed aan de zuid- en oostkant van het terrein de bestemming "Bos" toegekend. Ten slotte is aan een smalle strook tussen de bestemming "Bos"en de [locatie 8] de bestemming "Groen" toegekend.

9.3. Anders dan [appellant sub 7] en anderen betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan het terrein de bestemming "Tuin" heeft kunnen toekennen. Zoals de raad terecht stelt, zijn de gronden binnen deze bestemming hoofdzakelijk bestemd voor tuinen en groenvoorzieningen. Het plan voorziet binnen deze bestemming slechts in beperkte bouwmogelijkheden, zodat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het groene karakter hiermee niet wordt aangetast. Voorts betoogt de raad terecht dat door de aanwezigheid van de strook grond van ongeveer 15 m breed met de bestemming "Bos" het bosrijke karakter van het terrein in stand blijft. [appellant sub 7] en anderen hebben hun stelling dat een dergelijke breedte onvoldoende is om het beeld van een bos te bieden en om hinder door het gebruik van het terrein te voorkomen niet gemotiveerd, zodat deze niet kan leiden tot een ander oordeel. Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1 en 6.2.2, van de planregels mogen binnen deze bestemming voorts geen gebouwen en geen bouwwerken, anders dan terrein- en erfafscheidingen, worden gebouwd, zodat hier geen tennisbaan of zwembad kan worden gerealiseerd. Voorts bestaat, anders dan [appellant sub 7] en anderen betogen, geen grond voor het oordeel dat vanwege de strook van ongeveer 4 m breed met de bestemming "Groen" vanaf de [locatie 8] geen zicht bestaat op het bos. De raad stelt terecht dat indien deze strook eveneens als "Bos" zou zijn bestemd het bos tot aan de [locatie 8] kan worden aangeplant. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk is.

9.4. Voor zover [appellant sub 7] en anderen betogen dat de bestemming "Tuin" in strijd is met het beleid, zoals opgenomen in het visiedocument "Groene Vingers", kan dit niet slagen. Hoewel [appellant sub 7] en anderen terecht betogen dat dit beleid voorschrijft dat het perceel in beginsel conserverend wordt bestemd, biedt dit beleid de mogelijkheid hiervan af te wijken. De raad heeft toegelicht dat de eigenaar van het perceel wegens de bestemming "Bos" onevenredig in zijn gebruiksmogelijkheden werd benadeeld, om welke reden hij aanleiding heeft gezien van voormeld beleid af te wijken.

9.5. In het plan is voorts aan een gedeelte van het perceel de bestemming "Wonen" toegekend. Binnen deze bestemming is geen bouwvlak opgenomen, zodat hier, ingevolge artikel 19, lid 19.2.1, van de planregels geen hoofdgebouwen mogen worden gebouwd. Ingevolge lid 19.2.2, onder f, van de planregels zijn ter plaatse uitsluitend bijgebouwen met een totale maximale oppervlakte van 100 m² toegelaten. Ingevolge lid 19.2.2, onder h, bedraagt de maximale hoogte van deze bijgebouwen 3 m. Anders dan [appellant sub 7] en anderen betogen, voorziet het plan ter plaatse derhalve niet in grootschalige woningbouw of kantoorgebouwen.

9.6. In het plan is ten slotte aan de zuidkant van het perceel, naast de strook met de bestemming "Bos" een smalle strook met de bestemming "Groen" opgenomen. [appellant sub 7] en anderen betogen terecht dat ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder c, van de planregels hier een inrit vanaf de [locatie 8] tot de bestemming "Tuin" kan worden gerealiseerd. [appellant sub 7] en anderen hebben evenwel niet gemotiveerd waarom de raad ten onrechte hierin heeft voorzien. De enkele omstandigheid dat hier thans feitelijk geen inrit zou zijn, betekent niet dat de raad deze in het plan niet mogelijk heeft kunnen maken.

9.7. Voorts dient de raad bij de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een plan ingevolge artikel 3:2 van de Awb de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Anders dan [appellant sub 7] en anderen betogen, heeft de raad de omstandigheid dat met de eigenaar van het terrein een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten terecht als relevant belang bij de belangenafweging betrokken. Voor zover [appellant sub 7] en anderen betogen dat de planologische regeling voor het terrein uitsluitend is ingegeven door deze overeenkomst kan dit niet slagen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de raad hieraan ruimtelijke overwegingen ten grondslag heeft gelegd.

10. In hetgeen [appellant sub 7] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Opdracht

11. Gelet op de belangen van [appellanten sub 4] en de vennootschap en anderen en [appellant sub 5] ziet de Afdeling voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor het plandeel aan de [locatie 5], zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart, en het plandeel kadastraal bekend als gemeente Laren, sectie E, nummer 274.

12. Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling nog het volgende. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 september 2011 in zaak nr. 201107073/2/R3) staat het, in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat de raad er voor kan kiezen het bestemmingsplan opnieuw vast te stellen zonder hieraan voorafgaand een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen.

Proceskostenveroordeling

13. De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en de vennootschap en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Nu een eerdere zitting geen doorgang kon vinden wegens een fout aan de zijde van de Afdeling, wordt aanleiding gezien de hiermee verband houdende kosten door de secretaris van de Raad van State te laten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maatschappij voor Huizen Bezit en Beheer en anderen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Laren van 28 november 2011, voor zover dat betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Tuin" en de aanduiding "vrijwaringszone - zichtas", voor het perceel aan de [locatie 5], zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

b. het plandeel met de bestemming "Bos" voor het perceel kadastraal bekend als gemeente Laren, sectie E, nummer 274;

III. draagt de raad van de gemeente Laren op om binnen 20 weken na datum van verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen hierin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de onder II. genoemde plandelen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

IV. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 3], en [appellant sub 7] en anderen ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Laren tot vergoeding van bij [appellanten sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 466,72 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro en tweeënzeventig cent) waarvan € 437,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de raad van de gemeente Laren tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.903,72 (zegge: tweeduizend negenhonderddrie euro en tweeënzeventig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Laren tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maatschappij voor Huizen Bezit en Beheer en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellanten sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 29,72 (zegge: negenentwintig euro en tweeënzeventig cent), vergoedt;

gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 466,72 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro en tweeënzeventig cent) waarvan € 437,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vergoedt;

gelast dat de secretaris van de Raad van State aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maatschappij voor Huizen Bezit en Beheer en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vergoedt;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Laren aan de navolgende appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van

a. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 4];

b. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 5]; en

c. € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de besloten; vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maatschappij voor Huizen Bezit en Beheer en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van de onder a. en c. genoemden bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

523.

<hr /><img alt="" width="750" src="/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/plankaarten/2012p00104-1.jpg" />