Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201110687/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] over het jaar 2008 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag gewijzigd vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110687/1/A2.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 augustus 2011 in zaak nr. 10/2884 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] over het jaar 2008 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag gewijzigd vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 6 juli 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van behandeling van de zaak ter zitting en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49, van toepassing.  

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang betreft die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht,

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door;

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Awir wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2.    Aan het besluit van 6 juli 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten voor de kinderopvang heeft gehad.

3.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen hem ten onrechte niet heeft gehoord, alvorens op het door hem gemaakte bezwaar te beslissen, faalt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellant] bij brief van 9 juni 2011 in de gelegenheid gesteld om daarop te worden gehoord en daarmee voldaan aan artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te oordelen dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht door hem niet aannemelijk gemaakt heeft geacht dat bij hem kosten van kinderopvang zijn opgekomen, een onjuiste uitleg aan artikel 18 van de Awir en artikel 7 van de Wko heeft gegeven, nu uit die bepalingen volgt dat de aanvrager van een kinderopvangtoeslag slechts desgevraagd gegevens verstrekt aan de Belastingdienst/Toeslagen ter beoordeling of aanspraak op zodanige toeslag bestaat en de Belastingdienst/Toeslagen dergelijke gegevens niet bij hem heeft opgevraagd. Nu hij kwitanties heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad, lag het bovendien op de weg van de Belastingdienst/Toeslagen om eventueel aannemelijk te maken dat hij geen betaling aan de gastouder heeft gedaan. Ingeval de bewijslast toch op hem rust, heeft de rechtbank hem ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om aanvullend bewijs van betalingen over te leggen, aldus [appellant].

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, desgevraagd moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte van die kosten is. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellant] onder meer bij brief van 27 maart 2009 gevraagd gegevens dienaangaande over te leggen. [appellant] is derhalve in de gelegenheid gesteld om betalingsbewijzen over te leggen.

4.2.        De rechtbank heeft evenzeer met juistheid overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen door [appellant] niet aannemelijk gemaakt heeft hoeven achten dat deze de gastouder in de desbetreffende periode heeft betaald. Zij heeft hierbij terecht aan de door hem overgelegde kwitantie niet de betekenis gehecht die hij daaraan wenste te zien. Deze kwitantie hoefde niet als voldoende bewijs van betaling voor kinderopvang te worden aanvaard. Hierbij is terecht in aanmerking genomen dat de bedragen op de rekeningafschriften van 2008 niet overeenkomen met het op de kwitantie vermelde bedrag.

4.3.        Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt ook tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag niet op nihil had mogen stellen, maar slechts mocht verlagen tot het bedrag aan kinderopvangkosten dat hij wel aannemelijk heeft gemaakt. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten voor kinderopvangtoeslag heeft gehad, kan zijn betoog reeds om die reden niet slagen.

6.    [appellant] klaagt tenslotte dat de rechtbank ten onrechte niet over alle in beroep aangevoerde gronden heeft geoordeeld. Zo is zij niet ingegaan op zijn stelling dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met het fairplay-beginsel heeft gehandeld.

6.1.    De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht door [appellant] niet aannemelijk gemaakt heeft geacht dat bij hem kosten voor kinderopvang zijn opgekomen. De beroepsgronden die zij niet heeft besproken, kunnen aan dat oordeel niet af doen. Nu dat oordeel in hoger beroep in stand blijft, kan deze hogerberoepsgrond niet leiden tot het ermee beoogde doel.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb    w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

362-752.