Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201200762/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 23 september 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] over 2008 en 2009 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag gewijzigd vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201200762/1/A2.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Vleuten, gemeente Utrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 december 2011 in de zaken nrs. 10/2228 en 11/1626 in het geding tussen:

[appellante]

en

Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 23 september 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] over 2008 en 2009 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag gewijzigd vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover het het voorschot kinderopvangtoeslag voor de periode 1 september 2008 tot en met 13 november 2008 betreft, en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 9 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van het onderzoek ter zitting en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1a, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49 (voor 1 januari 2009) en artikel 5 (na 1 januari 2009), van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het gastouderopvang betreft die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen  desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2.    Aan het besluit van 7 juli 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor de opvang van haar kinderen kosten heeft gemaakt.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te oordelen dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht door haar niet aannemelijk gemaakt heeft geacht dat bij haar kosten van kinderopvang zijn opgekomen, een onjuiste uitleg aan artikel 18 van de Awir en artikel 7 van de Wko heeft gegeven, nu uit die bepalingen slechts volgt dat de aanvrager van een kinderopvangtoeslag desgevraagd gegevens aan de Belastingdienst/Toeslagen verstrekt ter beoordeling of aanspraak bestaat op zodanige toeslag en de Belastingdienst/Toeslagen dergelijke gegevens niet bij haar heeft opgevraagd. Nu zij kwitanties heeft overlegd, lag het bovendien op de weg van de Belastingdienst/Toeslagen om aannemelijk te maken dat zij geen betaling aan de gastouder heeft gedaan en aldus kosten heeft gehad. Ingeval de bewijslast toch op haar rust, heeft de rechtbank haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om aanvullend bewijs van betaling over te leggen, aldus [appellante].

3.1.        Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte van die kosten is. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] bij brieven van 27 maart 2009 en 31 mei 2011 gevraagd gegevens dienaangaande over te leggen. [appellante] is derhalve in de gelegenheid gesteld om betalingsbewijzen over te leggen.

3.2.        De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen door [appellante] niet aannemelijk gemaakt heeft hoeven achten dat deze de gastouder in de desbetreffende periode heeft betaald. Zij heeft hierbij terecht aan de door haar overgelegde kwitanties niet de betekenis gehecht die [appellante] daaraan gehecht wenste te zien. Deze ongenummerde kwitanties, waarop de naam van de ontvanger en de reden van betaling niet zijn vermeld, hoefden niet als voldoende bewijs van betaling voor kinderopvang te worden aanvaard. Hierbij is terecht in aanmerking genomen dat de bedragen op de kwitanties niet nader met andere gegevens, zoals bankafschriften zijn gestaafd.

3.3.        Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb    w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

362-729.