Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6676

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201204969/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2010 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd, onder andere inhoudende dat binnen zes weken na verzending van de last de paardenbak op het perceel [locatie] te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren (hierna: het perceel) moet worden verwijderd en verwijderd moet worden gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201204969/1/A1.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2012 in zaak nr. 11/2893 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2010 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd, onder andere inhoudende dat binnen zes weken na verzending van de last de paardenbak op het perceel [locatie] te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren (hierna: het perceel) moet worden verwijderd en verwijderd moet worden gehouden.

Bij besluit van 26 april 2011 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten met aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 5 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 2 mei 2011 vernietigd voor zover daarbij de opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van de verharding is gehandhaafd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2012, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. Boot, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Loosdrecht landelijk gebied noordoost" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden (A)".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef, en onder a, en h, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor, voor zover thans van belang, de uitoefening van een grondgebonden veehouderij met daaraan ondergeschikt de niet-agrarische nevenfunctie paardrijactiviteiten, waarbij een buitenrijbaan uitsluitend is toegestaan binnen de bouwvlakken en het oppervlak maximaal 20 m x 40 m mag bedragen.

Ingevolge het vierde lid, onder c, van de planvoorschriften is het verboden om gronden in gebruik te nemen/hebben voor paardenbakken.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, en onder 33, wordt onder een buitenrijbaan of paardenbak verstaan, een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed en al dan niet voorzien van een omheining.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de last onder dwangsom onduidelijk is, nu uit de last niet blijkt of deze is gericht op het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de paardenbak of op het bouwen van de paardenbak zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.1.    In het besluit van 20 december 2010 is vermeld dat het college de overtredingen onder meer in strijd acht met artikel 14, vierde lid van de planvoorschriften. In deze bepaling staat dat het in gebruik nemen/hebben van gronden voor paardenbakken in strijd is met het bestemmingsplan. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college heeft opgetreden tegen het in gebruik nemen/hebben van de gronden voor een paardenbak. Voorts blijkt uit de besluiten van 20 december 2010 en 26 april 2011, in samenhang gelezen met het advies van de commissie bezwaarschriften, dat het college eveneens heeft bedoeld op te treden tegen het oprichten van de paardenbak zonder omgevingsvergunning. In het besluit van 20 december 2010 is vermeld dat geen bouwwerken mogen worden opgericht buiten het bouwvlak. De paardenbak is gesitueerd buiten het bouwvlak. Dit betekent dat de rechtbank terecht niet tot het oordeel is gekomen dat de last onder dwangsom onvoldoende duidelijk is.

Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat geen paardenbak op het perceel aanwezig is. Zij stelt dat het een weiland is met omgeploegd zand, voorzien van een omheining, hetgeen niet kan worden aangemerkt als een paardenbak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 33, van de planvoorschriften. In zoverre heeft de rechtbank miskend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden.

Zij betoogt daarnaast dat indien niettemin moet worden gesproken van een paardenbak, deze niet is aan te merken als een bouwwerk, zodat geen omgevingsvergunning benodigd was en de rechtbank heeft miskend dat het college ook in zoverre niet bevoegd was om handhavend op te treden.

3.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de paardenbak op het perceel voldoet aan de definitie in artikel 1, eerste lid, aanhef, en onder 33, van de planvoorschriften. De paardenbak op het perceel wordt gebruikt voor paardrijactiviteiten, zoals omschreven in het planvoorschrift, en is voorzien van een zandbed en een omheining. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het college bevoegd was om wegens het strijdige gebruik met het bestemmingsplan handhavend op te treden. Nu zij de bevoegdheid om handhavend op te treden daarmee reeds heeft vastgesteld en de betreffende last ondeelbaar is, kon zij de vraag of de paardenbak ook als bouwwerk moet worden aangemerkt, buiten bespreking laten.

Het betoog faalt.

4.    Nu is gehandeld in strijd met het bestemmingsplan, kon het college terzake handhavend optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.1.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat bijzondere omstandigheden vergen dat van handhavend optreden moet worden afgezien. Daartoe voert zij aan dat concreet zicht is op legalisering nu de paardenbak is opgericht bij een grondgebonden veehouderijbedrijf en het gaat om bedrijfsmatige activiteiten, zodat met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking een omgevingsvergunning kan worden verleend voor de paardenbak voor paardrijactiviteiten. Voorts is handhavend optreden volgens haar onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, nu het zand-veenmengsel dat zij op haar gronden heeft aangebracht dient voor het welzijn van de pony's.

4.2.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, nu het college niet voornemens is om met een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan af te wijken, geen concreet zicht op legalisering bestaat.     De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat handhavend optreden niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan dient te worden afgezien. Het algemeen belang van handhavend optreden weegt in dit geval zwaarder dan het door [appellante] aangevoerde belang met betrekking tot het welzijn van de pony's.

Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos    w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

407-776.