Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201204057/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2011 hebben provinciale staten het verzoek van Prodeon B.V. om een inpassingsplan vast te stellen voor het realiseren van een windpark langs de N50-zuid afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi AA20130390 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Milieurecht Totaal 2013/413

Uitspraak

201204057/1/R1.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prodeon B.V., gevestigd te Zwolle,

appellante,

en

provinciale staten van Overijssel,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2011 hebben provinciale staten het verzoek van Prodeon B.V. om een inpassingsplan vast te stellen voor het realiseren van een windpark langs de N50-zuid afgewezen.

Tegen dit besluit heeft Prodeon B.V. bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij provinciale staten verzocht om met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter. Provinciale staten hebben ingestemd met het verzoek en het bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

Prodeon B.V. heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 201204899/1/R1 ter zitting behandeld op 7 november 2011, waar Prodeon B.V., vertegenwoordigd door mr. H.C. Borgers, advocaat te Baarn,

ing. B.J. van der Sluis en A.M. van Merkerk, en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. A. van Maurik, T. van Loon en S. Bensliman, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad van de gemeente Kampen, vertegenwoordigd door D. Jager, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Prodeon B.V. heeft voor nader aangeduide gronden langs de zuidkant van de rijksweg N50 tussen Kampen en het knooppunt Hattemerbroek (hierna: de beoogde locatie) een verzoek ingediend tot vaststelling van een inpassingsplan, zodat kan worden voorzien in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een windpark met vijf windturbines.

2.    Ter zitting heeft Prodeon B.V. de beroepsgrond die inhield dat provinciale staten zo nodig voor een alternatieve locatie in Overijssel een inpassingsplan hadden moeten vaststellen, ingetrokken.

3.    Prodeon B.V. betoogt dat het provinciale staten ingevolge artikel 9e, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 niet vrijstaat om geen gebruik te maken van hun bevoegdheid om een verzoek tot vaststelling van een inpassingsplan voor de realisatie van een windpark in te willigen. Daarbij voert zij aan dat weliswaar geen verplichting tot vaststelling van een inpassingsplan voor een project bestaat indien dat het project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, maar dat dit in de onderhavige procedure niet door provinciale staten is beoordeeld. Nu de beoogde locatie naast infrastructuur ligt en daarom in de op 1 juli 2009 door provinciale staten vastgestelde Omgevingsvisie Overijssel (hierna: de Omgevingsvisie) valt onder het begrip 'kansrijk gebied', is de locatie volgens Prodeon B.V. geschikt bevonden voor de realisatie van een windpark en had niet gekeken mogen worden naar de gebiedskenmerken ter plaatse.

3.1.    Ingevolge artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 zijn provinciale staten bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW (megawatt), met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen.

Ingevolge het tweede lid, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, geven provinciale staten in ieder geval toepassing aan de bevoegdheid op grond van het eerste lid indien een producent een voornemen tot de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid schriftelijk bij hen heeft gemeld en de betrokken gemeente een aanvraag van die producent tot vaststelling dan wel wijziging van een bestemmingplan met betrekking tot de gronden, bedoeld in het eerste lid, heeft afgewezen. Voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken gegevens kunnen provinciale staten een formulier vaststellen.

Ingevolge het vijfde lid, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, kunnen provinciale staten, zo nodig in afwijking van het tweede lid, besluiten geen toepassing te geven aan het eerste lid indien:

a. in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, redelijkerwijs niet valt te verwachten dat toepassing van dit artikel de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden; en

b. is voldaan aan de voor die provincie gestelde minimum realisatienorm.

Ingevolge het zesde lid wordt, voor zover van belang, bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie per provincie een minimum realisatienorm vastgesteld.

3.2.    In de Omgevingsvisie staat dat naast de huidige drie windturbines met een totaal vermogen van 6 MW verschillende projecten in voorbereiding zijn. De provincie Overijssel heeft met het Rijk afgesproken in 2020 ten minste 80 MW voor Overijssel te realiseren. Voor windenergie worden onderscheiden: kansrijke gebieden, uitgesloten gebieden en overige gebieden (zie kaart Windenergie).

1. De kansrijke zoekgebieden: ten noorden van de Vecht, tussen Staphorst-Zwolle en Hardenberg (kaart Beleidsvisie Noordoost-Overijssel). In deze gebieden worden prestatieafspraken met gemeenten gemaakt voor de (boven)lokale ontwikkeling van windenergie. Andere geschikte plekken kunnen zijn: grotere bedrijventerreinen (groter dan 40 ha) en langs infrastructuur.

2. De uitsluitingsgebieden zijn de groen-blauwe hoofdstructuur waaronder de Ecologische Hoofdstructuur, de Nationale Parken en de Nationale Landschappen.

3. In overige gebieden zijn initiatieven die wat betreft ontwikkeling rekening houden met gebiedskenmerken ter plekke mogelijk.

Indien initiatieven van gemeenten en particulieren te weinig vermogen opleveren, zullen provinciale staten volgens de Omgevingsvisie in de kansrijke zoekgebieden de instrumenten die hen ter beschikking staan, zoals onder meer een inpassingsplan, maximaal inzetten. Windenergie realiseren provinciale staten in windparken met een minimaal vermogen van 2 MW per windturbine. Deze gaan zowel in het buitengebied als op bedrijventerreinen uit van een goed landschappelijk ontwerp overeenkomstig de gebiedskenmerken.

3.3.    Ingevolge artikel 2.1.5, vijfde lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 (hierna: de Omgevingsverordening) voorzien bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan, voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling overeenkomstig deze normerende uitspraken.

Ingevolge het zesde lid voorzien bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan, voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling overeenkomstig deze richtinggevende uitspraken.

3.4.    De Afdeling stelt vast dat de beoogde locatie op de in de Omgevingsvisie opgenomen kaart "Windenergie" is aangeduid als "overig gebied", zodat ter plaatse initiatieven voor windenergie mogelijk zijn die wat betreft ontwikkeling rekening houden met gebiedskenmerken. De omstandigheid dat de beoogde locatie naast infrastructuur is gelegen, heeft - anders dan Prodeon B.V. betoogt - niet tot gevolg dat per definitie sprake is van een kansrijk gebied, nu provinciale staten te kennen hebben gegeven dat eerst een nadere afweging van gebiedskenmerken en ruimtelijke kwaliteit moet worden gemaakt voordat een locatie naast infrastructuur als kansrijk gebied kan worden aangemerkt.

Uit de bij de Omgevingsverordening behorende Catalogus Gebiedskenmerken volgt dat de beoogde locatie valt binnen het laagveenontginningsgebied. Voorts volgt uit voornoemde Catalogus dat als ontwikkelingen plaatsvinden in de laagveenontginningen deze moeten bijdragen aan behoud en versterking van het lint als karakteristieke bebouwingsstructuur en dat de ter plaatse karakteristieke maat en schaal van de ruimte in stand moeten worden gehouden met onderscheid tussen gebieden met grote open ruimtes en gebieden met een langgerekte kavelstructuur met beplanting. Het slotenpatroon als accentuering van de ruimtelijke structuur moet gerespecteerd en versterkt worden. Ter zitting hebben provinciale staten te kennen gegeven dat de N50 geen landschappelijke patronen volgt en 'los' in het landschap ligt. Het tracé doorsnijdt de patronen van het onderliggende open laagveenontginningslandschap (kavels, sloten, wegen en linten). Voorts is door provinciale staten toegelicht dat de weg ook geen heldere structurering tussen landschappelijke eenheden vormt en dat het plaatsen van windturbines betekent dat deze los staan van de ondergrond en, gezien hun hoogte, op enige afstand ervaren worden als doorbreking van de landschappelijke structuur ter plaatse.

Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het realiseren van windturbines op de beoogde locatie de gebiedskenmerken niet worden behouden en versterkt. Dat de beoogde locatie in de beleidsvisie "Structuurvisie Kampen 2030" van de gemeente Kampen weliswaar is aangewezen als op termijn geschikte locatie voor het realiseren van windturbines maakt het voorgaande niet anders, nu provinciale staten niet gebonden zijn aan gemeentelijk beleid.

3.5.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Crisis- en herstelwet (Kamerstukken II 2009/2010, 32 127, nr. 3, blz. 62) volgt voorts dat de in artikel 9e, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 opgenomen verplichting betrekking heeft op de toepassing van de bevoegdheid als zodanig, en niet op de locatie, vorm of anderszins inhoudelijke afwegingen, zodat provinciale staten nog steeds een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening acceptabele beslissing zullen moeten nemen. Nu, gelet op hetgeen in 3.4. is overwogen, provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het realiseren van windturbines op de beoogde locatie niet in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie en evenmin met de Omgevingsverordening, omdat met het realiseren van windturbines de gebiedskenmerken ter plaatse niet worden behouden en versterkt, hebben provinciale staten in redelijkheid geen gebruik behoeven te maken van hun bevoegdheid tot het opstellen van een inpassingsplan voor de beoogde locatie.

3.6.     In hetgeen Prodeon B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Driessen

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

634.