Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201112019/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 1 juli 2010 heeft de plaatsvervangend raadsgriffier [appellant] medegedeeld dat zijn verzoek om zijn briefwisseling met de raad op de gemeentelijke website te plaatsen niet past binnen het beleid van de raad om brieven van burgers niet actief op de website te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112019/1/A3.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Heemstede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 oktober 2011 in zaak nr. 10-5733 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Heemstede.

Procesverloop

Bij brief van 1 juli 2010 heeft de plaatsvervangend raadsgriffier [appellant] medegedeeld dat zijn verzoek om zijn briefwisseling met de raad op de gemeentelijke website te plaatsen niet past binnen het beleid van de raad om brieven van burgers niet actief op de website te plaatsen.

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad die brief voor zijn rekening genomen en het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 28 oktober 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2012, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, verschaft het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.

2.    [appellant] heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat de rechtbank hem ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, ingetrokken, omdat de raad de door hem verzochte € 4,00 inmiddels aan hem heeft betaald.

Het hoger beroep richt zich dientengevolge alleen tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 16 december 2010.

3.    Bij dat besluit heeft de raad het bezwaar van [appellant] tegen de brief van 1 juli 2010, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 16 november 2010, niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek ziet op het verrichten van een feitelijke handeling en de reactie daarop geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geweigerd vast te stellen dat namens de raad geen bevoegd verweer is gevoerd. De medewerker van de gemeente die het verweerschrift heeft ingediend en de advocaat die ter zitting namens de raad aanwezig was, zijn daartoe volgens hem niet door de raad gemachtigd.

Volgens [appellant] kleven aan de vertegenwoordiging van de raad in hoger beroep soortgelijke gebreken.

4.1.    In artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is te besluiten rechtsgedingen namens de raad te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. In deze zaak is gesteld noch gebleken dat de raad anders heeft beslist. Op grond van deze bepaling komt de bevoegdheid om verweerschriften en andere stukken in te dienen in dezen derhalve toe aan het college van burgemeester en wethouders van Heemstede. Anders dan [appellant] stelt, betreft dit niet een door de raad aan dat college te mandateren bevoegdheid, als bedoeld in hoofdstuk 10.1.1 van de Awb, maar een rechtstreeks aan artikel 160 van de Gemeentewet ontleende eigen bevoegdheid van het college.

De Afdeling ziet met de rechtbank voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de medewerker, die namens het college als vertegenwoordiger van de raad het verweerschrift heeft ingediend, hiertoe niet bevoegd zou zijn. Aangezien het de uitoefening van een bevoegdheid van het college betreft, was voor deze mandatering geen toestemming van de raad vereist. Dit geldt evenzeer voor mr. Binnerts, die namens het college de raad ter zitting vertegenwoordigde. Het is aan het college te bepalen welke persoon de raad bij een rechtsgeding vertegenwoordigt. Aangezien tussen partijen niet in geschil was dat mr. Binnerts door het college voor die vertegenwoordiging was gevraagd, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar artikel 8:24, derde lid, van de Awb, terecht overwogen dat die vertegenwoordiging geen nader onderzoek behoefde.

Het voorgaande geldt evenzeer voor zover het de vertegenwoordiging van de raad in hoger beroep betreft.

Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank zijn verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek dat ziet op de wijze waarop de raad inhoud geeft aan het bepaalde in artikel 8 van de Wob. Volgens hem dient zijn verzoek te worden aangemerkt als een verzoek om openbaarmaking van de briefwisseling, als bedoeld in artikel 3 van de Wob, in een specifieke vorm, als bedoeld in artikel 7 van die wet. De reactie op een dergelijk verzoek is een besluit, aldus [appellant].

5.1.    [appellant] heeft zijn verzoek van 26 mei 2010 niet gegrond op een bepaling van de Wob. Eerst tijdens de bezwaarprocedure heeft hij zich op het standpunt gesteld dat artikel 8 van de Wob publicatie van de briefwisseling vereist. Zoals de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 201108497/1/A3 heeft overwogen, ziet artikel 8 van de Wob evenwel op het verstrekken van informatie uit eigen beweging door een bestuursorgaan en voorziet de Wob niet in de mogelijkheid dat een ieder een verzoek kan indienen strekkende tot naleving van deze openbaarmakingsplicht. Uit het stelsel van de Wob volgt dat aan een ieder uitsluitend het recht is toegekend om te verzoeken om openbaarmaking van informatie, als bedoeld in artikel 3 van de Wob.

Nu het verzoek van [appellant] onmiskenbaar strekt tot het openbaar maken van de briefwisseling, en dat verzoek niet op artikel 8 van de Wob kan worden gegrond, dient dat verzoek te worden aangemerkt als zijnde gegrond op artikel 3 van de Wob, gelezen in verbinding met artikel 7 van de Wob. De brief van 1 juli 2010 is een afwijzende reactie op dat verzoek en daarmee een besluit, als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. De raad heeft het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend.

Het betoog slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 16 december 2010 ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dat beroep alsnog gegrond verklaren. Dat besluit dient eveneens te worden vernietigd.

7.    De Afdeling ziet voorts aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt.

Het geschil over het verzoek om openbaarmaking van de briefwisseling beperkt zich tot de vorm van openbaarmaking, als bedoeld in artikel 7 van de Wob. Volgens [appellant] weigert de raad ten onrechte die briefwisseling op de gemeentelijke website te publiceren. Ter zitting is namens de raad uiteengezet dat het gemeentebestuur een systeem hanteert dat erop is gericht alleen specifieke informatie te publiceren, zodat de website overzichtelijk blijft en de informatie daardoor voor de burger gemakkelijk toegankelijk is. Een overmaat aan informatie heeft tot gevolg dat relevante informatie niet of moeilijker kan worden gevonden. Dit publicatiesysteem zou worden ondermijnd, indien informatie die daarvoor niet is geselecteerd als gevolg van het indienen van Wob-verzoeken toch op de website moet worden geplaatst. In dit geval heeft [appellant] de desbetreffende brieven bovendien reeds in zijn bezit en bestaat er geen speciaal gemeentelijk belang dat publicatie van de briefwisseling op de website rechtvaardigt, aldus de raad.

Gelet op deze motivering heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat het verstrekken van de informatie in de verzochte vorm redelijkerwijs niet kan worden gevergd, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Dat verzoek is bij het besluit van 1 juli 2010 daarom terecht afgewezen.

De Afdeling zal het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 1 juli 2010 ongegrond verklaren en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 16 december 2010.

8.    De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, bestaande uit de reiskosten die [appellant] heeft gemaakt om ter zitting te verschijnen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 oktober 2011 in zaak nr. 10-5733, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Heemstede van 16 december 2010, kenmerk 498210, ongegrond is verklaard;

III.    verklaart dat beroep gegrond;

IV.    vernietigt het onder II vermelde besluit van 16 december 2010;

V.    verklaart het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van de raad van de gemeente Heemstede van 1 juli 2010, kenmerk 474787, ongegrond;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het onder II vermelde besluit van 16 december 2010;

VII.    veroordeelt de raad van de gemeente Heemstede tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 18,52 (zegge: achttien euro en tweeënvijftig cent);

VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Heemstede aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Slump    w.g. Biharie

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

611.