Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6661

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201111868/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 24 oktober 2010 heeft [appellant] het college verzocht om de besluitenlijsten van de raadscommissievergaderingen voortaan primair te publiceren in huis-aan-huisblad "De Heemsteder".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201111868/1/A3.

Datum uitspraak: 19 december 2012

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Heemstede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 oktober 2011 in zaak nr. 11-685 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede.

Procesverloop

Bij brief van 24 oktober 2010 heeft [appellant] het college verzocht om de besluitenlijsten van de raadscommissievergaderingen voortaan primair te publiceren in huis-aan-huisblad "De Heemsteder".

Bij uitspraak van 28 oktober 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2012, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, verschaft het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.

Ingevolge artikel 23, vijfde lid, van de Gemeentewet maakt de raad de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar.

Ingevolge artikel 82, vijfde lid, zijn de artikelen 21 tot en met 23 van overeenkomstige toepassing op een vergadering van een raadscommissie.

2.    Ter zitting heeft [appellant] de Afdeling verzocht om het college te veroordelen tot publicatie in het gebruikelijke medium van de besluitenlijsten van alle raadscommissievergaderingen die hebben plaatsgevonden tussen 24 oktober 2010 en de datum van uitspraak op het hoger beroep. Een dergelijke uitbreiding van het hoger beroep is evenwel niet mogelijk. In hoger beroep ligt slechts ter beoordeling voor of de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 24 oktober 2010 terecht ongegrond heeft verklaard.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat dat verzoek niet kan worden aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 3 van de Wob, noch als aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Daartoe heeft zij overwogen dat het verzoek van [appellant] betrekking heeft op de wijze waarop het college uitvoering geeft aan zijn actieve openbaarmakingsplicht neergelegd in artikel 8 van de Wob en [appellant] daarbij geen belanghebbende is.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn verzoek niet is aan te merken als een verzoek op grond van artikel 3 van de Wob. Het college heeft zich in zijn verweerschrift van 16 februari 2011 op het standpunt gesteld dat de raad van de gemeente Heemstede op dat verzoek moet beslissen. Volgens [appellant] had de rechtbank moeten beoordelen of dat standpunt, dat tevens een weigering van het college inhoudt op zijn verzoek te beslissen, juist is. Voorts had de rechtbank een dwangsom moeten vaststellen wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek.

4.1.    In zijn verzoek verwijst [appellant] niet naar artikel 3 van de Wob, maar naar de artikelen 23, vijfde lid, en 82, vijfde lid, van de Gemeentewet en artikel 8 van de Wob. Voorts strekt het verzoek van [appellant] blijkens de bewoordingen daarvan niet tot openbaarmaking van informatie neergelegd in op het moment van dat verzoek bestaande documenten, als bedoeld in artikel 3 van de Wob, maar ziet dat verzoek op de wijze waarop het college in de toekomst besluitenlijsten openbaar moet maken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college onder deze omstandigheden dat verzoek niet hoefde aan te merken als een verzoek op grond van artikel 3 van de Wob.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het verzoek evenmin is aan te merken als een verzoek op grond van artikel 8 van de Wob. Zoals de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 201108497/1/A3 heeft overwogen, ziet die bepaling op het verstrekken van informatie uit eigen beweging door een bestuursorgaan en voorziet de Wob niet in de mogelijkheid dat een ieder een verzoek kan indienen strekkende tot naleving van deze openbaarmakingsplicht.

Naar het oordeel van de Afdeling komt het verzoek van [appellant] neer op een verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling. In de artikelen 23, vijfde lid, en 82, vijfde lid, van de Gemeentewet is voor besluitenlijsten bepaald dat deze op de "gebruikelijke wijze" openbaar worden gemaakt. De manier waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan deze openbaarmakingsplicht levert geen besluit op in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, overwogen dat het verzoek van [appellant] niet is aan te merken als een aanvraag een besluit te nemen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college niet binnen een wettelijke of redelijke beslistermijn een besluit diende te nemen op het verzoek van [appellant], zodat de ingebrekestelling onterecht was en geen dwangsommen zijn verbeurd.

Het betoog faalt.

5.    De Afdeling overweegt voorts ambtshalve als volgt. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Gelet op het vorenoverwogene is in dit geval echter niet gebleken van een met een appellabel besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb was het dan ook niet mogelijk beroep bij de rechtbank in te stellen. De rechtbank had zich derhalve onbevoegd moeten verklaren.

Voor zover [appellant] betoogt dat het college in strijd handelt met de artikelen 23, vijfde lid, en 82, vijfde lid, van de Gemeentewet, omdat het de besluitenlijsten op de website publiceert in plaats van in het huis-aan-huisblad, geldt dat alleen de burgerlijke rechter bevoegd is hierover een oordeel te geven.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8.    Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht terugbetaalt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 oktober 2011 in zaak nr. 11-685;

III.    verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen;

IV.    verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Slump    w.g. Biharie

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

611.