Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6658

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201206156/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Groenstraat - Haren - 2012" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit landbouw milieubeheer
Besluit landbouw milieubeheer 2
Besluit landbouw milieubeheer 3
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Wet geurhinder en veehouderij 3
Wet geurhinder en veehouderij 4
Wet geurhinder en veehouderij 6
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/61 met annotatie van P. Jong en P.B. Bokelaar

Uitspraak

201206156/1/R3.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Haren, gemeente Oss,

2.    [appellant sub 2], wonend te Haren, gemeente Oss,

en

de raad van de gemeente Oss,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Groenstraat - Haren - 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2012, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden bijgestaan door ing. C. de Vos, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.E.W.J. Quax-Kuster en J.J.A.M. Wingens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in de bouw van ongeveer 30 woningen aan de rand van Haren.

2.    [appellant sub 1], die ten westen van het plangebied een veehouderij exploiteert, betoogt dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld, voor zover binnen de wettelijk vereiste afstand tot zijn bedrijf woningen mogelijk worden gemaakt. Gelet hierop kan geen goed woon- en leefklimaat bij de in het plan voorziene woningen worden gegarandeerd en wordt hij in zijn bedrijfsvoering beperkt.

2.1.    Vast staat dat [appellant sub 1] een inrichting heeft waar 100 vleesvarkens en 10 zoogkoeien, ouder dan twee jaar, worden gehouden. In artikel 2 van het Besluit landbouw milieubeheer zijn de inrichtingen weergegeven waar dit besluit op van toepassing is. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, is dit besluit niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2 indien meer dan 50 mestvarkeneenheden in de inrichting worden gehouden. Dit betekent dat het bedrijf van [appellant sub 1] onder de werking van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) valt, omdat ingevolge bijlage 1 bij de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 100 vleesvarkens overeenkomen met 100 mestvarkeneenheden.

Dat, zoals [appellant sub 1] stelt, het aantal vleesvarkens zou kunnen worden verlaagd naar minder dan 50 en dat dan rekening dient te worden gehouden met een afstand zoals genoemd in het Besluit landbouw milieubeheer van 100 m, is een omstandigheid die de raad in redelijkheid niet bij zijn besluitvorming heeft hoeven te betrekken. De raad heeft in dit geval in redelijkheid kunnen uitgaan van de situatie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Daarbij wordt betrokken dat er geen aanknopingspunten zijn dat [appellant sub 1] binnenkort zijn bedrijfsvoering in die zin zal gaan aanpassen.

2.2.    Niet in geschil is dat het plangebied in een concentratiegebied ligt als bedoeld in artikel 1 van de Wgv en dat het plangebied na verwezenlijking van de woningbouw zal behoren tot de bebouwde kom van Haren. Voor vleesvarkens is bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en voor koeien niet.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgv wordt een omgevingsvergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odourunits per kubieke meter lucht (hierna: ou/m³).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object ten minste 100 m indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 ou/m³ en niet meer dan 14,0 ou/m³.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze ten minste 50 m bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen.

2.3.    De raad heeft bij besluit van 13 november 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2008 (hierna: Geurverordening) vastgesteld. Daaraan ligt ten grondslag de Geurgebiedsvisie van de gemeente Oss, september 2008, bevattende de uitkomsten van een onderzoek naar passende normen voor de geurbelasting. In de geurverordening is de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom van de kleine dorpskernen, waaronder Haren, vastgesteld op 6,0 ou/m³ en is in afwijking van artikel 4, eerste lid, van de Wgv de vaste afstand binnen de bebouwde kom op ten minste 50 m vastgesteld.

2.4.    In verband met het aspect geur heeft de raad onder andere het agrarische bedrijf van [appellant sub 1] onderzocht. In het op 3 juli 2009 uitgebrachte rapport "Voorgrondcontouren en achtergrondbelasting Groenstraat" (hierna: geurrapport van 3 juli 2009), dat in opdracht van de raad is opgesteld door de adviesdienst RMB (hierna: RMB), staat een kaart waarop de geurcontour die hoort bij een geurbelasting van 6 ou/m³ vanwege het bedrijf van [appellant sub 1] is weergegeven. Op de kaart behorende bij het op 14 maart 2011 uitgebrachte rapport "Beoordeling bestemmingsplanwijziging ten behoeve van ontwikkeling plangebied Groenstraat Haren" (hierna: geurrapport van 14 maart 2011), dat eveneens in opdracht van de raad is opgesteld door RMB, is de contour voor de vaste afstand van 50 m vanaf het bedrijf van [appellant sub 1] weergegeven.

2.5.    Blijkens de verbeelding liggen de plandelen die een woonbestemming en een bouwvlak hebben buiten de contour van 6 ou/m³ en de contour van 50 m gemeten vanaf de perceelsgrens van [appellant sub 1]. Dit betekent dat voor die plandelen wordt voldaan aan de afstandsnorm en geurcontour op grond van de Geurverordening en dat deze plandelen geen beperking vormen voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van [appellant sub 1]. Verder heeft de raad ter zitting onbetwist gesteld dat het bedrijf van [appellant sub 1] in een extensiveringsgebied ligt, waar geen uitbreidingsmogelijkheden worden geboden.

Voorts dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden beoordeeld of bij de in het plan voorziene woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In verband met de contour van 50 m overweegt de Afdeling dat, omdat wordt voldaan aan de afstandsnorm uit de Geurverordening, in beginsel mag worden aangenomen dat bij de voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. [appellant sub 1] heeft dit niet betwist. In verband met de contour van 6 ou/m³ overweegt de Afdeling dat hoewel wordt voldaan aan de op grond van de Geurverordening voor de veehouderij toepasselijke individuele norm, de raad tevens inzichtelijk dient te maken dat de toegestane geurbelasting, rekening houdend met mogelijke cumulatie van geurbelasting, in overeenstemming is met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat ook de achtergrondbelasting is beoordeeld en heeft hiervoor naar de Geurgebiedsvisie en het geurrapport van 3 juli 2009 verwezen. Uit deze stukken volgt dat ter plaatse van de voorziene woningen, ook indien rekening wordt gehouden met de achtergrondbelasting, een goed woon- en leefklimaat heerst. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij de in het plan voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden.

2.6.    Blijkens de verbeelding liggen de plandelen met de bestemmingen "Groen" en "Verkeer - Verblijf" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" geheel binnen de contour van 50 m en tevens voor een klein deel binnen de contour van 6 ou/m³.

Met het bestaan van een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden.

Bij gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid mogen de bestemmingen "Groen" en "Verkeer - Verblijf" gewijzigd worden in onder andere de bestemmingen "Wonen - Halfvrijstaand", "Wonen - Vrijstaand" en "Wonen - Woonhuizen" en worden dus woningen mogelijk gemaakt. Voor deze woningen voldoet het plan niet aan de afstandsnorm op grond van de Geurverordening, zodat het bedrijf van [appellant sub 1] hierdoor wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. De toelichting van de raad ter zitting dat om die reden juist is gekozen voor een wijzigingsbevoegdheid en niet voor een bestemming die woningen bij recht mogelijk maakt, maakt dat niet anders, nu de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijf van [appellant sub 1] binnen de planperiode beëindigd zal worden. Verder heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat ter plaatse van deze woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het betoog slaagt.

2.7.    In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied", is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 1] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Wonen - Halfvrijstaand", "Wonen - Vrijstaand" en "Wonen - Woonhuizen" strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8.    De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    [appellant sub 2], die ten zuidwesten van het plangebied een timmerbedrijf exploiteert, betoogt dat de raad ten onrechte de plandelen met de bestemming "Wonen - Woonhuizen" en de bestemming "Wonen - Halfvrijstaand" heeft vastgesteld, voor zover met die bestemmingen binnen zijn hindercontour woningen mogelijk worden gemaakt. Daartoe voert hij aan dat hij in verband met het door zijn bedrijf geproduceerde geluid door het plan in zijn uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt en dat bij de in het plan voorziene woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. [appellant sub 2] voert aan dat het akoestische rapport onzorgvuldig is, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheden van zijn perceel en omdat piekgeluiden en transportbewegingen binnen de inrichting niet bij het onderzoek zijn betrokken. Er is derhalve niet uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie. Verder stelt [appellant sub 2] dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) genoemde richtafstand in verband met stof.

Ook maakt [appellant sub 2] zich zorgen over de afwatering, omdat een bestaande sloot nabij zijn perceel zal worden gedempt. Verder vreest [appellant sub 2] voor wateroverlast als gevolg van de toename van het verharde oppervlak.

Tot slot voert [appellant sub 2] aan dat het plan in strijd is met het gemeentelijke beleid, omdat hiermee de ontwikkelingsstructuur van de kern van Haren wordt aangetast. In verband hiermee wijst [appellant sub 2] op een afwijzing van zijn verzoek om op zijn perceel een bedrijfswoning mogelijk te maken.

3.1.    In de "Structuurvisie kleine kernen" staat dat een van de kernkarakteristieken van Haren de relatie van het landschap met de bebouwing is. Dit wordt, behalve door de essenstructuur van de oostelijke es, ook tot uitdrukking gebracht door het zicht vanuit het landschap op de kern. Deze zichtlijnen dienen gehandhaafd te worden. Dit betekent, aldus de Structuurvisie, dat uitbreidingsmogelijkheden beperkt blijven tot de noordoostelijke en zuidwestelijke richting, omdat daarmee geen aantasting van het karakter en de identiteit van Haren plaatsvindt. Voorliggend plan maakt de beschreven uitbreiding in noordoostelijke richting mogelijk. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid. Over de afwijzing van het verzoek om een bedrijfswoning mogelijk te maken overweegt de Afdeling dat dat een individueel verzoek betreft waaraan een andere belangenafweging ten grondslag ligt dan hier het geval is. In zoverre is dan ook geen sprake van gelijke gevallen. Ook gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit plan in strijd is met het gemeentelijke beleid.

3.2.    In verband met het aspect geluid is in het op 7 mei 2007 uitgebrachte rapport "Akoestisch Rapport - Industrielawaai, Timmerwerkplaats [appellant sub 2]" (hierna: het akoestische rapport), dat in opdracht van de raad is opgesteld door het onderzoeksbureau Ulehake Bouwfysica, de geluidsbelasting van het timmerbedrijf van [appellant sub 2] onderzocht. Niet in geschil is dat het bedrijf onder de werking van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim) valt op grond waarvan voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de dag-, avond- en nachtperiode de geluidsnormen 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) gelden op de gevel van woningen en voor het maximale beoordelingsniveau 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A). Uit het akoestische rapport blijkt dat is uitgegaan van de huidige representatieve bedrijfsactiviteiten, waarbij rekening is gehouden met de geluidsnormen uit het Barim. Verder blijkt uit het akoestische rapport dat verscheidene activiteiten zijn onderzocht, zoals het gebruik van machines in de werkplaats, het aan- en afrijden van de vrachtwagen, bestelwagens en personenauto's, het gebruik van de houtmotafzuiging alsmede het optreden van piekgeluiden. Het betoog van [appellant sub 2] dat bij het onderzoek de transportbewegingen vanwege de inrichting en de piekgeluiden niet zijn betrokken, mist dan ook feitelijke grondslag. Blijkens de kaart uit bijlage IV van het akoestische rapport treedt het piekgeluid dat samenhangt met het dichtslaan van portieren van een personenauto of bestelwagen op de oprit aan de voorzijde van het perceel op. Dit geluid is vanaf die locatie gemeten. De stelling van [appellant sub 2] dat dit geluid meer aan de achterzijde van het perceel wordt veroorzaakt, leidt niet tot het oordeel dat het onderzoek ondeugdelijk is, nu [appellant sub 2] ter zitting heeft toegelicht dat dit piekgeluid hooguit twaalf keer per jaar voorkomt, wanneer een wagen langskomt voor het legen van de houtmotcontainer. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestische rapport onzorgvuldig is.

De conclusie van het akoestische rapport luidt dat aan de geldende geluidsnormen kan worden voldaan. Dat hierbij de uitbreidingsmogelijkheden van [appellant sub 2] onvoldoende zijn betrokken onderschrijft de Afdeling niet. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bij het akoestische rapport de gehele inrichting is betrokken en dat ter zitting naar voren is gekomen dat er in de richting van de voorziene woningen geen uitbreidingsmogelijkheden zijn. Het rapport "Geluidmetingen in de omgeving van machinale houtwerkplaats F.A. Dorst te Haren (NB)" waar [appellant sub 2] naar verwijst, bevat alleen feitelijke metingen en heeft niet ten grondslag gelegen aan het bestreden besluit. Ook volgens deze metingen wordt aan de geluidsnormen uit het Barim voldaan. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bedrijf van [appellant sub 2] wat betreft het aspect geluid niet zal worden beperkt door de in het plan voorziene woningen en bij de woningen geen onaanvaardbare geluidsbelasting zal optreden.

3.3.    In de VNG-brochure worden richtafstanden gegeven ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van onder andere de milieufactoren geur, stof en geluid uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Als uitgangspunt geldt dat de aangegeven indicatieve afstanden gemotiveerd kunnen worden toegepast. De raad heeft zich blijkens de nota van zienswijzen en het verweerschrift echter niet gebaseerd op de VNG-brochure, maar op de feitelijke situatie, en heeft gesteld dat er wat betreft stof geen relevant emissiepunt is, omdat de houtmot via een gesloten retourleiding in de houtmotcontainer wordt geblazen. [appellant sub 2] heeft deze werkwijze ter zitting bevestigd. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onaanvaardbare stofhinder bij de voorziene woningen niet te verwachten is.

3.4.    In het op 17 mei 2010 uitgebrachte rapport "Uitgangspuntennotitie Waterhuishouding Groenstraat te Haren", dat in opdracht van de raad door H2rio B.V. is opgesteld, zijn de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding onderzocht. Uit dit rapport volgt dat de bovengrond niet erg geschikt is voor infiltratie van regenwater. Geadviseerd wordt om een greppel en andere watervoorzieningen aan te leggen voor de berging van hemelwater. In de plantoelichting staat dat de eerste 10 mm van het hemelwater door particulieren op eigen terrein gebufferd dient te worden. Voor het overige hemelwater zal voorzien worden in wadi's en zijn er sloten aanwezig. De sloot aan de oostzijde van het plangebied zal worden verbreed. Blijkens de verbeelding hebben de sloten de bestemming "Water". Daarmee is, naar het oordeel van de Afdeling, voldoende verzekerd dat de sloten gehandhaafd blijven. Verder hebben drie plandelen de bestemming "Groen" gekregen waar onder andere water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk worden gemaakt. Gelet op het voorgaande voorziet het plan in voldoende waterhuishoudkundige voorzieningen en heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onaanvaardbare wateroverlast niet is te verwachten.

Over het dempen van de sloot nabij het perceel van [appellant sub 2] heeft de raad ter zitting toegelicht dat het water van zijn perceel en het plangebied tezamen opgevangen zal gaan worden door de waterhuishoudkundige voorzieningen in en rondom het plangebied. Verder heeft de raad ter zitting gesteld dat bij de uitvoering bekeken zal worden of extra maatregelen in verband met een afdoende afwatering van het perceel van [appellant sub 2] vereist zijn. Gelet hierop heeft de raad de belangen van [appellant sub 2] voldoende betrokken bij de vaststelling van het bestreden besluit.

3.5.    In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Wonen - Woonhuizen" en de bestemming "Wonen - Halfvrijstaand" strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

3.6.    Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oss van 29 maart 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Groenstraat - Haren - 2012" voor zover het de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" betreft;

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige en van [appellant sub 2] geheel ongegrond;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Oss tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,90 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro en negentig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Oss aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

350-661.