Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201203905/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Eekte-Hazewinkel" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 1
Wet geluidhinder 100
Wet geluidhinder 100a
Wet geluidhinder 100b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/23 met annotatie van F. Arents
JOM 2013/350

Uitspraak

201203905/1/R1.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] [appellante B] en [appellant C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), allen wonend te Oldenzaal,

en

de raad van de gemeente Oldenzaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Eekte-Hazewinkel" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2012, waar [appellant] in de persoon van [appellant C] en bijgestaan door H.A.M. Plegt, en de raad, vertegenwoordigd door J.J.M. Oude Avenhuis, werkzaam bij de gemeente, en mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Deventer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor het bedrijventerrein "De Eekte-Hazewinkel". Voor de Eektestraat is daarbij voorzien in een rijbaanverdubbeling.

Ontvankelijkheid

2.    Het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen het plandeel voor het verkooppunt voor motorbrandstoffen met LPG aan de Eekboerstraat steunt niet op een bij de raad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Nu [appellant] tegen voormeld plandeel geen zienswijze heeft ingediend en geen omstandigheid heeft aangevoerd op grond waarvan dit hem redelijkerwijs niet kan worden verweten, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

3.    [appellant] betoogt dat aan zijn woning [locatie] ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Volgens [appellant] zal de bedrijfsbestemming op het perceel voor zijn woning niet binnen de planperiode worden gerealiseerd. De raad heeft het voorstel van het college van burgemeester en wethouders om tot onteigening over te gaan niet overgenomen. Onteigening is ook niet nodig voor de rijbaanverdubbeling aangezien een hogere waarde kan worden vastgesteld en geluidwerende voorzieningen kunnen worden getroffen.

3.1.    De raad stelt dat de woning met ondergrond voor de rijbaanverdubbeling niet nodig is, maar dat de woning dient te worden verwijderd omdat enerzijds handhaving niet past binnen de huidige inzichten over een goed woon- en leefklimaat en op grond hiervan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de herontwikkeling van deze locatie ten behoeve van een kantoor of showroom noodzakelijk wordt geacht en anderzijds de raad de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de omliggende bedrijven niet wil beperken. De omstandigheid dat de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) de vaststelling van een hogere waarde mogelijk maakt, doet daar niet aan af.

3.2.    Aan de woning [locatie] is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven zoals nader aangegeven, bestaande volumineuze detailhandel in de meubelbranche met daaraan ten dienste staande winkelondersteunende horeca, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "detailhandel volumineus", een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning", groen, verkeer en een luchtbrug, waarin ondergeschikte detailhandel en horeca zijn toegestaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - luchtbrug 1", groen, verkeer en een luchtbrug, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - luchtbrug 2" met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

3.3.    Op 12 april 1965 is aan [appellant A] vergunning verleend voor de herbouw van een woning aan de [locatie]. In het sinds 1975 geldende bestemmingsplan "Het Hazewinkel" is aan het plandeel voor de woning een bedrijfsbestemming toegekend, die een burgerwoning niet toelaat. In het voorliggende plan is door het toekennen van de bestemming "Bedrijventerrein" wederom vastgelegd dat een burgerwoning ter plaatse niet is toegelaten.

3.4.    In het voorstel van het college van burgemeester en wethouders aan de raad wordt ten aanzien van [appellant] voorgesteld het perceel [locatie] te verwerven en tevens voorgesteld om de bereidheid uit te spreken om in het uiterste geval tot onteigening over te gaan. De raad heeft ten aanzien van de zienswijzen overeenkomstig het voorstel besloten. De raad heeft zich aldus op het standpunt gesteld dat in het uiterste geval tot onteigening van woning en ondergrond dient te worden overgegaan. De stelling van [appellant] dat de raad het voorstel niet heeft overgenomen, mist feitelijke grondslag.

3.5.    Het standpunt van de raad dat vanwege het woon- en leefklimaat ter plaatse en de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende bedrijven het gebruik van de woning [locatie] niet als zodanig kan worden bestemd, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Dat het op zichzelf mogelijk zou zijn een hogere waarde vast te stellen of geluidwerende voorzieningen aan te brengen betekent niet dat het standpunt van de raad onredelijk is. In aanmerking genomen de bereidheid om zo nodig tot onteigening over te gaan, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende verzekerd dat de bedrijfsbestemming ter plaatse van de woning binnen de planperiode zal kunnen worden verwezenlijkt.

4.    [appellant] voert aan dat de financieel-economische haalbaarheid van de voorgenomen rijbaanverdubbeling van de Eektestraat niet duidelijk is. Het is onzeker of de kosten van aankoop van de woning in de begroting zijn opgenomen.  Ook is de woning Eektestraat 30 die op het wegtracé staat nog niet verworven. Door vertraging in de uitvoering zal de provinciale bijdrage vervallen. Ook anderszins wordt onvoldoende inzicht geboden in de haalbaarheid van het plan, aldus [appellant].

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de verwerving van de woning met ondergrond [locatie] nodig is ten behoeve van de herontwikkeling tot bedrijventerrein. De kosten hiervan worden tot een bedrag ter hoogte van € 300.000,- ten laste gebracht van het gemeentelijk grondbedrijf. Het meerdere zal ten laste worden gebracht van het project Rijbaanverdubbeling Eektestraat en/of de algemene reserve van de gemeente.

4.2.    In de plantoelichting staat dat de kosten van de aanpassingen in verband met de herinrichting van de Eektestraat ongeveer € 6,2 miljoen bedragen en worden gedekt door bijdragen van de provincie Overijssel (ImG-gelden en projectbijdrage), de regio Twente (BBT-programma en BDU) alsmede eigen middelen van de gemeente, ieder in totaal voor globaal 1/3 van de gehele investering.

4.3.    Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de woning Eektestraat 30 inmiddels is aangekocht en er daarna voldoende financiële middelen over zijn voor aankoop van de woning [locatie]. Voorts heeft volgens de raad de realisatie van de eerste twee fasen van het plan een financieel voordeel opgeleverd en zijn samen met de provinciale bijdrage en de subsidie van de regio Twente de kosten van de derde fase waarin de rijbaanverdubbeling valt gedekt. Niet is gebleken dat de benodigde provinciale bijdrage zal uitblijven. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre niet financieel-economisch uitvoerbaar is.

5.    Volgens [appellant] geniet de woning [locatie] te weinig bescherming tegen omliggende bedrijven. Tot pal aan de woning is bedrijvigheid uit hogere milieucategorieën toegestaan. De milieuzonering schiet tekort. Ten onrechte is de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) niet gevolgd, ook niet als het gaat om de geluidsoverlast door de omringende bedrijvigheid, aldus [appellant].

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat nu de woning in het plan opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht, het plan niet voorziet en ook niet hoeft te voorzien in een adequate milieuzonering ten opzichte van deze woning. Het gebruik als woning zal immers worden beëindigd en de woning zal worden gesloopt.

Bij het voorgaande merkt de raad op dat dit uiteraard niet betekent dat in de tussenliggende periode geen rekening hoeft te worden gehouden met het woon- en leefklimaat ter plaatse.

5.2.    De Afdeling overweegt dat de VNG-brochure niet is bedoeld voor toetsing van bestaande situaties. De raad heeft zich in redelijkheid op voormeld standpunt kunnen stellen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de raad onweersproken heeft gesteld dat het woon- en leefklimaat voor [appellant] niet zal verslechteren als gevolg van het plan en voorts dat zolang de bewoning voortduurt daarmee bij de toepassing van de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving ten aanzien van de omliggende bedrijven rekening zal worden gehouden.

6.    [appellant] betoogt dat ten onrechte voor de omgeving van de woning een maximale bouwhoogte van 12 m geldt en niet de bestaande hoogte zoals als uitgangspunt bij burgerwoningen wordt gehanteerd.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat nu de woning in het plan opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht, het plan niet voorziet en ook niet hoeft te voorzien in een planologische bescherming van de woning. Het gebruik als woning zal immers worden beëindigd en de woning zal worden gesloopt.

6.2.    De Afdeling overweegt dat de bouwhoogte in de omgeving niet hoefde te worden afgestemd op de aanwezigheid van een burgerwoning, nu het gebruik van de woning van [appellant] niet als zodanig is bestemd en de verwachting is gerechtvaardigd dat deze binnen de planperiode zal worden gesloopt.

7.    Volgens [appellant] staat niet vast dat geen overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvindt.

7.1.    De raad stelt dat voor de herinrichting van de Eektestraat en de Enschedesestraat Windmill Milieu en Management een onderzoek heeft uitgevoerd naar de luchtkwaliteitsaspecten, waaruit volgt dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de planontwikkeling.

7.2.    In de niet onderbouwde stelling van [appellant] is geen aanleiding gelegen voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorziene herontwikkeling.

8.    Volgens [appellant] kan op basis van het verkennende flora- en faunaonderzoek niet worden geconcludeerd dat de voorgenomen verdubbeling van de Eektestraat niet in strijd is met de bepalingen van de Flora- en faunawet.

8.1.    De raad stelt dat niet duidelijk is gemaakt in welk opzicht de rijbaanverdubbeling zal leiden tot strijd met de Flora- en faunawet. Uit het onderzoek Eektestraat en Stakenbeek Oldenzaal, projectnr. 5005 van 29 november 2011, opgesteld door Eelerwoude B.V. volgt dat de verdubbeling van de rijbaan, mits zorgvuldig uitgevoerd en met mitigerende en compenserende maatregelen, niet zal leiden tot strijd met de Flora- en faunawet, aldus de raad.

8.2.    In de niet onderbouwde stelling van [appellant] is geen aanleiding gelegen voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan in zoverre.

9.    [appellant] betoogt dat de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer de voorkeursgrenswaarde ruimschoots overschrijdt zonder dat een hogere waarde is vastgesteld.

9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat nu de woning in het plan opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht, het plan niet voorziet en ook niet hoeft te voorzien in een planologische bescherming van de woning. Het gebruik als woning zal immers worden beëindigd en de woning zal worden gesloopt.

9.2.    Ingevolge artikel 1 van de Wgh wordt onder woning verstaan: gebouw dat voor bewoning gebruikt wordt of daartoe bestemd is.

Ingevolge voormeld artikel wordt onder reconstructie van een weg verstaan: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder a, en artikel 77, derde lid, blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van artikel 100 dan wel het bepaalde krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, voor zover van belang, worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 100, derde lid, voor zover hier van belang, geldt, ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig was en niet eerder een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de te reconstrueren weg is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig waren de heersende waarde.

Ingevolge artikel 100a, eerste lid, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende worden vastgesteld.

9.3.    Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag een akoestisch onderzoek van Sab "Akoestisch onderzoek bedrijventerrein De Eekte-Hazewinkel" van 18 mei 2011 (hierna: het akoestisch onderzoek) waaruit volgt dat de geluidbelasting op de twee waarneempunten voor de woning [locatie] in het peiljaar 2011 57,66 onderscheidenlijk 58,87 dB bedraagt en dat ten opzichte van die geluidbelasting de geluidbelasting met meer dan 2 dB toeneemt in 2022 tot 60,10 onderscheidenlijk 60,92 dB.

9.4.    De Afdeling stelt vast dat de woning van [appellant] een woning is in de zin van artikel 1 van de Wgh nu deze voor bewoning wordt gebruikt. Voorts moet op grond van het akoestisch onderzoek worden vastgesteld dat voor de woning als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting de heersende waarde als bedoeld in artikel 100, derde lid, van de Wgh geldt en dat de heersende waarde vanwege het wegverkeer op de Eektestraat op de gevel van de woning [locatie] door de rijbaanverdubbeling met meer dan 2 dB wordt overschreden, zodat zich ter plaatse een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wgh voordoet. Omdat voor de woning aan de [locatie] geen hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel van de woning is vastgesteld, is de ingevolge artikel 100, derde lid, van de Wgh geldende ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van die gevel niet in acht genomen.

10.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor de Eektestraat gelegen tussen de Ainsworthstraat en de Edisonstraat, is genomen in strijd met artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikel 100, derde lid, van de Wgh. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met voornoemd artikel te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover overigens bestreden, strekt tot een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

11.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het plandeel voor het verkooppunt voor motorbrandstoffen met LPG aan de Eekboerstraat niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van 5 maart 2012 van de raad van de gemeente Oldenzaal tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Eekte-Hazewinkel" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor de Eektestraat gelegen tussen de Ainsworthstraat en de Edisonstraat;

IV.    verklaart het beroep voor overige ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Oldenzaal tot vergoeding van bij [appellant A], [appellante B] en [appellant C] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 130,96 (zegge: honderddertig euro en zesennegentig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Oldenzaal aan [appellant A], [appellante B] en [appellant C] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Zwemstra

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

91.