Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6656

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
201109201/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Verdubbeling Sloeweg 2011" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109201/1/R2.

Datum uitspraak: 19 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Vereniging van Eigenaren Stelleplas, gevestigd te Heinkenszand, gemeente Borsele,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Borsele,

3. de stichting Stichting Dorpsraad Nieuwdorp, gevestigd te Borsele,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Borsele,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Verdubbeling Sloeweg 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben VvE Stelleplas, [appellant sub 2] en Dorpsraad Nieuwdorp beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Dorpsraad Nieuwdorp heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2012, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, Dorpsraad Nieuwdorp, vertegenwoordigd door I.J. Labruijère en H.W.J. van Dam, en de raad, vertegenwoordigd door J.A.M. Koolen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Tevens is ter zitting als partij gehoord het college van gedeputeerde staten van Zeeland, vertegenwoordigd door J.A.A. Melaard en ir. J.G.M. Bakx, beiden werkzaam bij de provincie.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de mogelijkheid om de Sloeweg te verdubbelen, waardoor een weg met vier rijstroken ontstaat. Daartoe is aan de gronden waarop de verdubbeling is beoogd de bestemming "Verkeer" toegekend.

Het beroep van VvE Stelleplas

2. VvE Stelleplas betoogt dat de verdubbeling van de Sloeweg zal leiden tot onaanvaardbare geluidoverlast op het vakantiepark Stelleplas. In dit verband voert VvE Stelleplas aan dat de raad ten onrechte geen geluidreducerende maatregelen heeft genomen. De huidige plannen om beplanting aan te brengen zijn daartoe onvoldoende, aldus VvE Stelleplas. Voorts voert zij aan dat door de verdubbeling van de Sloeweg en de daarmee gepaard gaande toename van geluid, de kavels op het terrein in waarde zullen dalen en de verhuurinkomsten zullen teruglopen.

Daarnaast betoogt VvE Stelleplas dat het plan is vastgesteld in strijd met het Provinciaal Sociaal-Economisch Beleidsplan 2009-2012, aangezien het plan leidt tot een kwaliteits- en productverslechtering voor het vakantiepark.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van VvE Stelleplas, voor zover daarin is gesteld dat het plan tot onaanvaardbare geluidoverlast zal leiden, niet-ontvankelijk is aangezien het slechts een herhaling van de zienswijze betreft.

De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet tot onevenredige geluidhinder op het vakantiepark Stelleplas zal leiden. Voorts stelt de raad dat het plan niet in strijd met het Provinciaal Sociaal-Economisch Beleidsplan 2009-2012 is vastgesteld aangezien de verdubbeling van de Sloeweg niet aan innovatie, kwaliteitsverbetering en productieverbetering van het vakantiepark in de weg staat.

2.2. Ten aanzien van het betoog van de raad dat het beroepschrift ten aanzien van het aspect geluid slechts een herhaling van de zienswijze betreft, kan dit betoog, wat daar verder ook van zij, niet tot het oordeel leiden dat het beroepschrift niet-ontvankelijk is. Het betoog faalt.

2.3. De op het vakantiepark aanwezige recreatiewoningen genieten geen bescherming ingevolge de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), maar dit betekent niet dat de recreatiewoningen in het geheel geen bescherming tegen geluidhinder toekomt. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de raad bij de vereiste belangenafweging in het kader van de goede ruimtelijke ordening de geluidbelasting die het plan op de recreatiewoningen tot gevolg zal hebben te betrekken. De raad heeft aan de vaststelling van het plan een onderzoek naar de geluidbelasting op de recreatiewoningen ten grondslag gelegd. Dit onderzoek is opgenomen in het rapport "Akoestisch onderzoek verbreding Sloeweg Uitwerking Alternatief 1A concept besluit MER N62" van de provincie Zeeland van januari 2010. In het akoestisch onderzoek is vermeld dat de geluidbelasting op het vakantiepark in 2000 51,2 dB bedroeg. In de toekomstige situatie zal de geluidbelasting 51,5 dB bedragen, zodat de geplande verdubbeling van de Sloeweg een stijging van de geluidbelasting van 0,3 dB met zich brengt, aldus het akoestisch onderzoek.

2.4. Niet gebleken is dat de berekening van de geluidbelasting als gevolg van het plan ter plaatse van het vakantiepark dusdanige gebreken dan wel leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet op het onderzoek heeft mogen baseren.

Uit de plantoelichting volgt dat het belang van de verdubbeling van de Sloeweg is de verbetering van de verkeersafwikkeling tussen het Sloegebied en Goes en Middelburg, het voorkomen van sluipverkeer op het onderliggende wegennet en het vergroten van de verkeersveiligheid in het gebied. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid aan dit belang een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen. Hierbij is van belang dat de toename van de geluidbelasting op het vakantiepark als gevolg van het plan is beperkt tot 0,3 dB. Ter zitting heeft de raad gesteld dat deze geringe toename het gevolg is van een kleine verschuiving van de afrit van de A58 in de richting van het vakantiepark, maar dat de A58, met de daarbij behorende geluidintensiteit, verder ongewijzigd blijft bestaan. VvE Stelleplas heeft dit niet bestreden. Overigens heeft de raad voorts te kennen gegeven dat tussen de weg en het vakantiepark groene beplanting zal worden aangelegd, hetgeen in het plan ook mogelijk is gemaakt. Deze groene beplanting zal blijkens het door de initiatiefnemer, de provincie, opgestelde landschapsplan bestaan uit beplanting die de eigenschap heeft dicht te vertakken. VvE Stelleplas heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze maatregel, gelet op de geringe toename van de geluidbelasting, onvoldoende geacht moet worden. Daarnaast bestaat geen grond voor de verwachting dat de waardedaling van de kavels op het vakantiepark, en de daling van verhuurinkomsten van de recreatiewoningen zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen daaraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Het betoog faalt.

2.5. Ten aanzien van het betoog van VvE Stelleplas dat het plan is vastgesteld in strijd met het beleid als opgenomen in het Provinciaal Sociaal-Economisch Beleidsplan 2009-2012 wordt overwogen dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan voornoemd provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de plantoelichting is expliciet aandacht besteed aan de verhouding van dit plan tot het beleid van de provincie. Het uitgangspunt zoals opgenomen in het Provinciaal Sociaal-Economisch Beleidsplan 2009-2012, namelijk dat sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering en innovatie binnen de recreatiesector, is hierbij betrokken. Voorts heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat het verbeteren van de verkeersafwikkeling door de met het plan beoogde verdubbeling van de Sloeweg tevens van belang is voor de recreatiesector in het gebied. Gelet hierop is aannemelijk dat de raad dit beleid op een voldoende wijze in de belangenafweging heeft betrokken.

2.6. In hetgeen VvE Stelleplas heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van VvE Stelleplas is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

3. [appellant sub 2] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor zover grenzend aan zijn gronden aan de [locatie] te [plaats]. Hij stelt zich op het standpunt dat de raad ten onrechte gekozen heeft voor een wegontwerp met een middenberm van 20 meter, aangezien voor de aanleg daarvan een deel van zijn gronden nodig is. De raad heeft zijn belangen bij het behoud van deze gronden voor zijn grondgebonden agrarisch bedrijf niet meegewogen bij de vaststelling van het plan, aldus [appellant sub 2]. Voorts voert hij aan dat de raad zonder nadere afweging ten aanzien van de noodzaak en wenselijkheid van een brede middenberm, is aangesloten bij het beleid van de provincie om een brede middenberm zonder geleiderail aan te leggen. Bovendien is de raad volgens hem niet gebonden aan het provinciale beleid zoals opgenomen in "Vensters op Zeeland, routeontwerp A58 traject zeeland/N62" van 9 oktober 2007, te meer nu dit beleidsstuk geen beleidsregels bevat. Aanvullend hieraan stelt hij dat de raad in het bestemmingsplan "Verdubbeling Westerscheldetunnelweg", waarin eveneens een wegverbreding aan de orde was, wel is afgeweken van het genoemde provinciale beleid, zodat het plan is vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast voert hij ten aanzien van de middenberm aan dat de raad ten onrechte bij het opstellen van het plan zonder nadere afweging is aangesloten bij de ontwerpeisen van het CROW. Voorts betwist [appellant sub 2] de noodzaak van een middenberm van 20 meter en verder heeft de raad ten onrechte geen onderzoek gedaan naar alternatieve wegprofielen, zoals een smallere middenberm met een aarden wal waarin de geleiderail is weggewerkt, aldus [appellant sub 2].

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de met het plan beoogde verdubbeling van de Sloeweg de aanleg van een brede middenberm wenselijk is, gelet op het uitgangspunt van het plan om een middenberm zonder geleiderail aan te kunnen leggen zodat het open polderlandschap behouden blijft. Hierbij wijst de raad er op dat ten aanzien van dit onderwerp een uitgebreide belangenafweging heeft plaatsgevonden, waarbij het openhouden van het polderlandschap van doorslaggevend belang is geacht.

3.2. Aan een deel van de gronden van [appellant sub 2] is de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor verhardingen, wegen, voet- en fietspaden, rabatten, parkeerterreinen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, oevers, bruggen, viaducten en voorzieningen ten behoeve van het openbare nut.

Hieruit volgt dat binnen deze bestemming agrarisch gebruik niet is toegestaan.

3.3. Zoals hiervoor reeds is overwogen volgt uit de plantoelichting dat het belang van de verdubbeling van de Sloeweg is de verbetering van de verkeersafwikkeling tussen het Sloegebied en Goes en Middelburg, het voorkomen van sluipverkeer op het onderliggende wegennet en het vergroten van de verkeersveiligheid in het gebied. Voorts vermeldt de plantoelichting dat in het plan is aangesloten bij het uitgangspunt zoals opgenomen in het provinciale beleid "Vensters op Zeeland, routeontwerp A58 traject zeeland/N62" van 9 oktober 2007 dat aan beide landelijke uiteinden van de N62, de Sloeweg, de middenberm zodanig zal worden verbreed dat ook de geleiderail in het midden kan vervallen om op die manier de automobilist optimaal te laten ervaren dat deze door de open polderlandschappen rijdt.

3.4. Weliswaar is het uitgangspunt om het polderlandschap open te houden zoals aan het plan ten grondslag is gelegd, opgenomen in het genoemde provinciale beleid waaraan de raad niet is gebonden, maar dit betekent niet dat de raad bij de vaststelling van het plan, gelet op zijn beleidsvrijheid, hier niet bij mocht aansluiten. Bovendien is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de raad voorafgaand aan de vaststelling van het plan de voor- en nadelen van een middenberm met een breedte van 20 meter heeft afgewogen.

Voorts leidt de stelling van [appellant sub 2] dat de raad bij de vaststelling van een ander bestemmingsplan wel is afgeweken van het uitgangspunt als opgenomen in "Vensters op Zeeland, routeontwerp A58 traject zeeland/N62" niet tot het oordeel dat de raad in dit geval dit uitgangspunt niet aan het plan ten grondslag had mogen leggen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de raad bij de vaststelling van elk plan gehouden is alle specifieke belangen en omstandigheden af te wegen. Bovendien heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in het plangebied van het bestemmingsplan "Verdubbeling Westerscheldetunnelweg" overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Van de vaststelling van het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is in zoverre dan ook niet gebleken.

Voor zover [appellant sub 2] heeft betoogd dat het genoemde uitgangspunt eveneens bereikt zou kunnen worden met een smallere middenberm, heeft de raad gesteld dat de breedte van de middenberm is vastgesteld aan de hand van de door het CROW opgestelde richtlijnen, die zijn neergelegd in het Handboek Wegontwerp Stroomwegen (publicatie 164b). Op grond van deze richtlijnen wordt bij de aanleg van een weg zonder geleiderail met het oog op de verkeersveiligheid een middenberm van 20 meter aanbevolen. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad hier niet bij had mogen aansluiten. Daarnaast heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een alternatief waarbij sprake is van een smallere middenberm met een aarden wal, waarin een geleiderail is verwerkt, zoals voorgesteld door [appellant sub 2], minder wenselijk is, aangezien daarmee eveneens niet kan worden voldaan aan het genoemde uitgangspunt. Het betoog faalt.

3.5. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat de raad zijn belangen onvoldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het plan wordt overwogen dat bestaand legaal gebruik in beginsel dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Op dit uitgangspunt kan onder meer een uitzondering worden gemaakt, indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt.

3.6. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Borsele buiten" was aan de hiervoor omschreven gronden van [appellant sub 2] de bestemming "Agrarisch gebied met maximale flexibiliteit" toegekend. Binnen deze bestemming was agrarisch gebruik toegestaan, zodat sprake is van bestaand legaal gebruik.

3.7. Het agrarische bedrijf van [appellant sub 2] heeft naar hij stelt een omvang van 47 hectare. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voor de met het plan beoogde verdubbeling van de Sloeweg door middel van de aanleg van een weg met een middenberm van 20 meter, 2 hectare grond van het bedrijf van [appellant sub 2] zal worden gebruikt. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het verlies van deze gronden zodanige gevolgen zal hebben voor zijn bedrijfsvoering dat de raad daaraan een doorslaggevende betekenis had moeten toekennen. De enkele stelling dat het verkleinen van het grondareaal van zijn huiskavel de rentabiliteit van zijn bedrijf benadeelt, is daarvoor onvoldoende. Nu hetgeen is aangevoerd voorts geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het plan niet binnen de planperiode zal worden uitgevoerd, heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de genoemde belangen gediend met de realisering van het plan, waarvoor in verband met de aanleg van de weg een deel van de gronden van [appellant sub 2] nodig is, dan aan de belangen van [appellant sub 2] bij het behoud van deze gronden voor zijn bedrijf. Het betoog faalt.

4. [appellant sub 2] vreest verder dat zijn woon- en leefklimaat door de beoogde verdubbeling van de Sloeweg zal worden aangetast. Hij betoogt daartoe dat de raad ten onrechte geen geluidwal ter hoogte van zijn boerderij en de naastgelegen vakantieboerderij heeft voorzien. [appellant sub 2] betwist dat de geluidbelasting door het wegverkeer binnen de wettelijke normen zal blijven, aangezien in de planregels niet is gewaarborgd dat geluidarm asfalt zal worden gebruikt bij de aanleg van de weg. Voorts voert hij aan dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de effecten van een geluidwal op zijn woon- en leefklimaat. In dit verband betoogt hij dat het enkele feit dat is voldaan aan de normen van de Wgh, zoals de raad stelt, niet betekent dat ook sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het beleid van de raad om alleen geluidwerende voorzieningen op te nemen indien dat noodzakelijk is vanwege de wettelijke geluidsnormen, acht [appellant sub 2] onaanvaardbaar.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de geluidbelasting ter plaatse van de gronden van [appellant sub 2] als gevolg van het plan niet dusdanig toeneemt dat daaraan een doorslaggevende betekenis had moeten worden toegekend. In dit verband merkt de raad op dat de geluidbelasting slechts toeneemt met 1 dB. In dit kader acht de raad het aanbrengen van afschermende voorzieningen niet nodig.

4.2. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de raad het akoestisch onderzoek zoals opgesteld door de provincie aan het plan ten grondslag gelegd. In het onderzoek is de geluidbelasting als gevolg van een toename van verkeer door de verdubbeling van de Sloeweg vergeleken met de situatie van voor de opening van de Westerscheldetunnel en de toename van het verkeer als gevolg daarvan. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van de gronden van [appellant sub 2] de geluidbelasting als gevolg van het plan met 1 dB zal toenemen, waardoor sprake is van een geluidbelasting van 49 dB.

4.3. In het onderzoek is als uitgangspunt gehanteerd dat de Sloeweg met geluidarm asfalt zal worden aangelegd. Ter zitting heeft de initiatiefnemer, de provincie, te kennen gegeven dat de gehele weg van geluidarm asfalt zal worden voorzien. De Afdeling acht hiermee voldoende verzekerd dat de weg met geluidarm asfalt zal worden aangelegd, zodat in het onderzoek terecht van dit uitgangspunt is uitgegaan. Nu voorts niet anderszins is gebleken dat de berekening van de geluidbelasting ter plaatse van de gronden van [appellant sub 2] gebreken dan wel leemten in kennis vertoont, heeft de raad zich bij de vaststelling van het plan op het onderzoek mogen baseren.

4.4. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat geen sprake is van een toename van 2 dB of meer van de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting waardoor geen sprake is van een reconstructie van een weg als neergelegd in artikel 1 van de Wgh, zodat de Wgh dit geval niet van toepassing is. Zoals hiervoor is overwogen dient de raad, in het geval de Wgh niet van toepassing is, bij de vaststelling van een bestemmingsplan bij de vereiste belangenafweging in het kader van de goede ruimtelijke ordening wel de geluidbelasting op de woning en de vakantieboerderij van [appellant sub 2] te betrekken. Nu de geluidtoename ter plaatse van de gronden van [appellant sub 2] als gevolg van het plan beperkt is tot 1 dB heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang gediend met de met het plan beoogde verdubbeling van de weg. Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling voorts van oordeel dat de raad in dit geval in redelijkheid heeft kunnen afzien van het nemen van geluidreducerende maatregelen. Het betoog faalt.

4.5. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van Dorpsraad Nieuwdorp

5. Dorpsraad Nieuwdorp heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover de bestemming "Verkeer" is toegekend aan de gronden gelegen tussen de Vleugelhofweg en de Driedijk. Zij betoogt dat het plan zal leiden tot een verkeersonveilige situatie voor fietsers die de weg proberen over te steken. In dit verband voert zij aan dat de raad ten onrechte geen veilige en van autoverkeer gevrijwaarde oversteekplaats voor fietsers en voetgangers, zoals een tunnel, in het plan heeft opgenomen. Hierdoor wordt Nieuwdorp minder bereikbaar, waardoor de leefbaarheid van het dorp zal worden aangetast, aldus Dorpsraad Nieuwdorp. Zij stelt dat een goede oversteekgelegenheid tevens van belang is voor toeristen, hetgeen de raad ten onrechte niet heeft betrokken bij de vaststelling van het plan.

Voorts betoogt Dorpsraad Nieuwdorp dat de aanleg van een rotonde ter plaatse van de kruising van de Sloeweg met de Molendijk zal leiden tot verkeersonveilige situaties voor fietsers. Hierbij wijst zij op het advies van de Commissie voor de m.e.r. Voorts stelt zij dat de raad ten onrechte het verkeersstromen-onderzoek aan het plan ten grondslag heeft gelegd, aangezien dit onderzoek niet op een adequate wijze is uitgevoerd. Bovendien bieden de in het onderzoek opgenomen tellingen een onvolledig beeld. Daarnaast voert zij aan dat de noodzaak van een rotonde en een middenberm van 20 meter ontbreekt, terwijl deze inrichtingsvormen veel ruimte in beslag nemen en voorts tot hoge kosten leiden.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie voor fietsers. Hij stelt dat het voorziene fietspad via de nieuwe aansluiting nabij de Molendijk voldoende veilig is. Daarnaast stelt de raad zich op het standpunt dat de aanleg van een fietstunnel onder de Sloeweg, zoals Dorpsraad Nieuwdorp heeft voorgesteld, geen verantwoorde verbetering van het plan met zich brengt, gelet op de sociale onveiligheid van een dergelijke tunnel en de hoge kosten die verbonden zijn aan de aanleg daarvan.

5.1.1. Aan de gronden gelegen tussen de Vleugelhofweg en Driedijk is de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor verhardingen, wegen, voet- en fietspaden, rabatten, parkeerterreinen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, oevers, bruggen, viaducten en voorzieningen ten behoeve van het openbare nut.

5.2. De bestemming "Verkeer" maakt ter plaatse van de kruising van de Sloeweg met de Molendijk de aanleg van een rotonde mogelijk, maar ook andere inrichtingen, zoals een vrijliggend fietspad, zijn mogelijk binnen de bestemmingsplanregeling. Daarnaast is binnen deze bestemming de aanleg van oversteekplaatsen voor fietsers mogelijk. Het gaat bij deze aspecten echter om de uitvoering van het plan welke in deze procedure niet ter beoordeling staat.

Ten aanzien van de vraag of de bestemmingsregeling een belemmering vormt voor een inrichting van de weg met een voor fietsers veilige oversteekplaats, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hiervan geen sprake is. Hierbij wordt van belang geacht dat de raad in het rapport "Verkeersveiligheidaudit N62: gedeelte A58 - N254" van Royal Haskoning/DHV B.V. van 7 mei 2008 de verkeersveiligheid nader heeft onderzocht, zoals de Commissie voor de m.e.r. in haar rapport "Verbetering verkeersafwikkeling Sloeweg N62, Zeeland" ten aanzien van het projectplan heeft te kennen gegeven. In het onderzoek van Royal Haskoning/DHV B.V. is een aantal aanbevelingen opgenomen om de fietsverbinding veiliger te maken, op grond waarvan de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan een inrichting van de weg met een voor fietsers veilige oversteek niet in de weg staat.

Voorts biedt hetgeen Dorpsraad Nieuwdorp heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan van onjuiste aantallen fietsers die de Sloeweg dagelijks oversteken. De enkele stelling dat het onderzoek daartoe niet op een adequate wijze is uitgevoerd is daarvoor onvoldoende.

Voor zover Dorpsraad Nieuwdorp heeft betoogd dat de raad in het plan had moeten voorzien in de mogelijkheid om een fietstunnel aan te leggen, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanleg van een fietstunnel, gelet op de sociale veiligheid en de kosten die daar aan verbonden zijn, geen goed alternatief biedt voor de gekozen inrichting van het plan. De Afdeling acht dit standpunt van de raad niet onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het plan zoals vastgesteld een uitvoering mogelijk maakt waarbij een voor fietsers veilige oversteek aangelegd kan worden.

Ten aanzien van de omvang van het plandeel met de bestemming "Verkeer", voor zover daarmee beoogd is een rotonde aan te leggen, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze omvang noodzakelijk is om een goede verkeersafwikkeling ter plaatse te realiseren. In hetgeen Dorpsraad Nieuwdorp heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Voor zover Dorpsraad Nieuwdorp betoogt dat de noodzaak van een brede middenberm niet is aangetoond, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij hierover heeft overwogen onder 3.4. In hetgeen Dorpsraad Nieuwdorp heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

5.3. In hetgeen Dorpsraad Nieuwdorp heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Dorpsraad Nieuwdorp is ongegrond.

Proceskosten

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012

159-674.