Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY6364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
201202734/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 20 februari 2012 is de vreemdeling, die door de Canadese autoriteiten onder begeleiding werd uitgezet naar zijn land van herkomst, voor een tussenlanding aangekomen op de luchthaven Schiphol. In afwachting van zijn volgende vlucht heeft hij verbleven in een ophoudruimte voor zogenoemde transitdeportees van het Bureau Verwijderingen van de Koninklijke Marechaussee (hierna: ophoudruimte). (…) Anders dan in art. 6, lid 1 en 2 van de Vw 2000, waarin is bepaald dat een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, wordt in art. 4.6 van het Vb 2000 alleen bepaald dat een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, zich houdt aan de aldaar door de ambtenaren belast met de grensbewaking in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen. In voormeld art. 4.6 is niet uitdrukkelijk bepaald dat een daarin bedoelde aanwijzing ook kan inhouden dat de desbetreffende persoon kan worden geplaatst in een ruimte die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Het is dan ook niet voorzienbaar dat een aanwijzing als daarin bedoeld kan strekken tot vrijheidsontneming. Gelet daarop is art. 4.6 van het Vb 2000 niet voldoende precies zoals hiervoor bedoeld. Gelet op het voorgaande is de Afdeling thans, anders dan in de uitspraak van 4 december 2007 in zaak nr. 200707552/1 (LJN: BB9992), van oordeel dat de aan de vreemdeling opgelegde vrijheidsontnemende maatregel in de ophoudruimte niet kan worden gebaseerd op art. 4.6 van het Vb 2000. Dat de duur van de toepassing van deze maatregel in de praktijk is beperkt tot niet meer dan drie uur, maakt dat niet anders. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat er voor het verblijf van de vreemdeling in de ophoudruimte geen wettelijke basis is geweest. (…) Gelet op het voorgaande bestaat grond voor het oordeel dat de vrijheidsontneming in de ophoudruimte onrechtmatig is. Het voorgaande betekent, anders dan de vreemdeling heeft gesteld, niet dat daarmee ook de aan hem opgelegde artikel 6-maatregel onrechtmatig moet worden geacht. Deze laatste maatregel is opgelegd omdat de vreemdeling de toegang tot Nederland is geweigerd, nadat hij te kennen had gegeven asiel te willen vragen. Er bestaat dan ook geen oorzakelijk verband tussen de vrijheidsontneming in de ophoudruimte en het opleggen van de artikel 6-maatregel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 6
Vreemdelingenwet 2000 93
Vreemdelingenwet 2000 106
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/53

Uitspraak

201202734/1/V4.

Datum uitspraak: 12 december 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 maart 2012 in zaak nr. 12/6389 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2012 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 maart 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2012, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. N.C. Blomjous, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P. Bosch en mr. D. Kuiper, beiden werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Op 20 februari 2012 is de vreemdeling, die door de Canadese autoriteiten onder begeleiding werd uitgezet naar zijn land van herkomst, voor een tussenlanding aangekomen op de luchthaven Schiphol. In afwachting van zijn volgende vlucht heeft hij verbleven in een ophoudruimte voor zogenoemde transitdeportees van het Bureau Verwijderingen van de Koninklijke Marechaussee (hierna: ophoudruimte). Nadat de vreemdeling in die ophoudruimte te kennen had gegeven een asielaanvraag te willen indienen, is hem op 20 februari 2012 de toegang geweigerd en is hem dezelfde dag krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) de verplichting opgelegd zich op te houden in het Aanmeldcentrum Schiphol (hierna: artikel 6 maatregel).

3. Hetgeen als grieven 2 tot en met 8 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in deze procedure alleen beroep is ingesteld tegen een artikel 6 maatregel en dat daarom geen oordeel kan worden gegeven over de rechtmatigheid van het verblijf van de vreemdeling in de ophoudruimte.

De vreemdeling voert hiertoe aan dat hij, hoewel hij op het formulier waarmee hij beroep heeft ingesteld heeft aangekruist dat het beroep is gericht tegen de aan hem opgelegde artikel 6-maatregel, in de aanvullende beroepsgronden van 29 februari 2012 en ter zitting van de rechtbank uitdrukkelijk naar voren heeft gebracht dat het beroep mede is gericht tegen de aan de artikel 6-maatregel voorafgaande vrijheidsontneming in de ophoudruimte. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op de in dat kader door hem aangevoerde beroepsgronden, aldus de vreemdeling.

4.1. De vreemdeling heeft op 24 februari 2012 een beroepschrift ingediend, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van het door het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken van de rechtbank verstrekte standaardformulier 'Beroepschrift Habeas Corpus Vw 2000', versie 3/2011. Daarop heeft hij aangekruist dat het beroep is gericht tegen een artikel 6 maatregel. Op dit standaardformulier kan niet worden aangekruist dat het beroep tevens is gericht tegen een plaatsing in de ophoudruimte, zoals dat bij de vreemdeling het geval is geweest. In voormeld aanvullend beroepschrift en ter zitting van de rechtbank heeft de vreemdeling zich echter niet alleen op het standpunt gesteld dat de aan hem opgelegde artikel 6-maatregel onrechtmatig is geweest. Ook heeft hij uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat de daaraan voorafgaande plaatsing in de ophoudruimte eveneens onrechtmatig is geweest.

Gelet op het voorgaande, en in aanmerking genomen dat het in zaken als deze gebruikelijk is dat de beroepsgronden niet reeds in het beroepschrift naar voren worden gebracht, moet het ervoor worden gehouden dat de vreemdeling zijn beroep mede heeft gericht tegen de plaatsing in de ophoudruimte. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat alleen beroep is ingesteld tegen een artikel 6 maatregel. Door beroepsgronden van de vreemdeling over de plaatsing in de ophoudruimte buiten beschouwing te laten, heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover deze ziet op hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd over de plaatsing in de ophoudruimte, en voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling beslissen op de in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover dat, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog nodig is.

6. De vreemdeling betoogt dat de plaatsing in de ophoudruimte onrechtmatig is geweest, onder meer omdat aan deze vrijheidsontneming geen titel ten grondslag heeft gelegen. Gelet op het voorgaande is de op de plaatsing in de ophoudruimte volgende artikel 6 maatregel eveneens onrechtmatig geweest, aldus de vreemdeling.

6.1. De staatssecretaris heeft ter zitting van de Afdeling verklaard dat de vreemdeling in het kader van een Canadees verzoek om doorgeleiding door een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) in de ophoudruimte is geplaatst in afwachting van zijn volgende vlucht. De ophoudruimte is, zo heeft de staatssecretaris verklaard, een gesloten ruimte die een vreemdeling niet zelfstandig kan verlaten. Een verblijf in die ruimte duurt in de praktijk in beginsel niet langer dan drie uren, aldus de staatssecretaris.

6.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling gedurende zijn verblijf in de ophoudruimte zijn vrijheid is ontnomen. Voorts staat vast dat de grondslag van deze vrijheidsontneming niet is gelegen in artikel 6 of artikel 59 van de Vw 2000.

6.2.1. Een regeling op grond waarvan een vreemdeling de vrijheid wordt ontnomen dient, mede in het licht van artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, voldoende precies te zijn (zie punt 50 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 25 juni 1996, Amuur tegen Frankrijk, nr. 19776/92, www.echr.coe.int). Dat betekent dat een dergelijke regeling voldoende nauwkeurig moet zijn vormgegeven, zodat duidelijk is hoever de bevoegdheid reikt en voorzienbaar is hoe zij zal worden uitgeoefend.

Anders dan in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, waarin is bepaald dat een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, wordt in artikel 4.6 van het Vb 2000 alleen bepaald dat een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, zich houdt aan de aldaar door de ambtenaren belast met de grensbewaking in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen. In voormeld artikel 4.6 is niet uitdrukkelijk bepaald dat een daarin bedoelde aanwijzing ook kan inhouden dat de desbetreffende persoon kan worden geplaatst in een ruimte die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Het is dan ook niet voorzienbaar dat een aanwijzing als daarin bedoeld kan strekken tot vrijheidsontneming. Gelet daarop is artikel 4.6 van het Vb 2000 niet voldoende precies zoals hiervoor bedoeld.

6.2.2. Gelet op het voorgaande is de Afdeling thans, anders dan in de uitspraak van 4 december 2007 in zaak nr. 200707552/1 (www.raadvanstate.nl), van oordeel dat de aan de vreemdeling opgelegde vrijheidsontnemende maatregel in de ophoudruimte niet kan worden gebaseerd op artikel 4.6 van het Vb 2000. Dat de duur van de toepassing van deze maatregel in de praktijk is beperkt tot niet meer dan drie uur, maakt dat niet anders.

6.2.3. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat er voor het verblijf van de vreemdeling in de ophoudruimte geen wettelijke basis is geweest.

6.2.4. Aangenomen moet worden dat de vrijheidsontneming van de vreemdeling in de ophoudruimte heeft plaatsgevonden in het kader van de grensbewaking. Uit artikel 93, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de daarin vermelde vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen gelijk worden gesteld met een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank. Naar analogie daarvan dient ook de feitelijke vrijheidsontneming van de vreemdeling in het kader van de grensbewaking te worden gelijkgesteld met een besluit, zodat ook daartegen beroep openstaat bij de vreemdelingenrechter.

6.2.5. Gelet op het voorgaande bestaat grond voor het oordeel dat de vrijheidsontneming in de ophoudruimte onrechtmatig is.

6.3. Het voorgaande betekent, anders dan de vreemdeling heeft gesteld, niet dat daarmee ook de aan hem opgelegde artikel 6-maatregel onrechtmatig moet worden geacht. Deze laatste maatregel is opgelegd omdat de vreemdeling de toegang tot Nederland is geweigerd, nadat hij te kennen had gegeven asiel te willen vragen. Er bestaat dan ook geen oorzakelijk verband tussen de vrijheidsontneming in de ophoudruimte en het opleggen van de artikel 6-maatregel.

7. In zoverre is het beroep gegrond. Nu de vrijheidsontneming van de vreemdeling in de ophoudruimte op 20 februari 2012 onrechtmatig is geweest, wordt aanleiding gezien de hem met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden schadevergoeding toe te kennen.

8. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond, voor zover dit de plaatsing in de ophoudruimte betreft;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 maart 2012 in zaak nr. 12/6389, voor zover deze de plaatsing in de ophoudruimte betreft;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 105,00 (zegge: honderdvijf euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Dijken

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

595.

Verzonden: 12 december 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser