Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201112659/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Hernesseroord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5131

Uitspraak

201112659/1/R4.

Datum uitspraak: 12 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Middelharnis,

en

de raad van de gemeente Middelharnis,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Hernesseroord" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellante] en Stichting Zuidwester, hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door A. van Papeveld en F.C.B.C.M. Suykerbuyk en bijgestaan door mr. J.L. Zijlma, advocaat te 's-Gravenhage en de raad, vertegenwoordigd door A. van den Berg, M. Villerius, C. van der Elst en mr. M. Bekooy, advocaat te Zwolle zijn verschenen. Voorts is Stichting Zuidwester, vertegenwoordigd door mr. M. Bekooy, voornoemd, als partij verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan is een herziening van het bestemmingsplan "Hernesseroord", vastgesteld door de raad op 4 september 2008, waaraan door de Afdeling gedeeltelijk goedkeuring is onthouden bij uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200905177/1/R1. Het plan voorziet zowel in een voortzetting van de bestaande maatschappelijke zorgfunctie waarbinnen enkele maatschappelijke voorzieningen kunnen worden uitgebreid, alsmede in de bouw van ongeveer 300 reguliere woningen.

2.    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met categorie 3, onder 3.1 van bijlage I van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden. Nu in dit plan de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied wordt mogelijk gemaakt, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw op het bestreden besluit van toepassing.

2.1.        [appellante] exploiteert ten oosten van het plangebied op het bedrijventerrein Oostplaat, een grond-, weg- en waterbouwbedrijf. [appellante] richt zich in beroep tegen de plandelen met de bestemming "Wonen - 7", "Wonen-8" en de oostelijk gelegen bestemming "Maatschappelijk".

Exploitatieplan

3.    [appellante] betoogt dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld, hetgeen volgens haar vereist was omdat de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente Middelharnis en Stichting Beheer Zorgvastgoed, thans Stichting Zuidwester, dateert uit 2007 en het plan inmiddels op diverse punten is gewijzigd.

3.1.    Het beroep van [appellante] is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van financiële delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zou [appellante] niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat [appellante] geen eigenaar is van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro heeft gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellante] die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan, kan zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbende bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep van [appellante] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Uitvoerbaarheid

4.    [appellante] betoogt dat realisatie van het plan binnen de planperiode niet is gewaarborgd, nu de projectontwikkelaar de overeenkomst kan ontbinden, indien het bestemmingsplan niet in werking is getreden voor 1 januari 2012. [appellante] betoogt voorts dat ten onrechte geen zakelijke weergave van de samenwerkingsovereenkomst uit 2007 is gepubliceerd. Dit is volgens haar in strijd met artikel 6.24 van de Wro in samenhang gelezen met artikel 6.2.12 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Omdat de uitvoerbaarheid daardoor niet kon worden beoordeeld en nu geen exploitatieplan is opgesteld, is volgens [appellante] niet verzekerd dat het plan financieel uitvoerbaar is. Voorts is het plan volgens [appellante] niet uitvoerbaar, omdat er geen behoefte aan reguliere woningen is, nu er sprake is van een bevolkingskrimp in het gebied.

4.1.        De raad stelt dat het relativiteitsvereiste uit artikel 1.9 van de Chw eraan in de weg staat dat [appellante] zich op de financiële uitvoerbaarheid beroept.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de economische vooruitzichten wellicht minder gunstig zijn, maar dat de beoogde ontwikkeling nog steeds wordt beoordeeld als een kansrijk project. Het plan voorziet in 316 reguliere woningen, hetgeen aansluit bij de marktvraag, aldus de raad. De behoefte aan de woningen blijkt ook uit de provinciale structuurvisie van juni 2010, uit de Woonvisie Zuid-Holland van 25 januari 2005, de regionale structuurvisie Goeree-Overflakkee van december 2011, de toekomstvisie Middelharnis 2020 van februari 2009 en de woonvisie Middelharnis.

De raad stelt verder dat een samenwerkingsovereenkomst is gesloten op 14 november 2007. Een korte zakelijke beschrijving was opgenomen in het vorige plan "Hernesseroord", dat deels onherroepelijk is geworden. Aan de verplichting uit artikel 6.2.12 van het Bro kon volgens de raad niet meer worden voldaan, nu dat vereist dat binnen twee weken na sluiting van de overeenkomst een zakelijke beschrijving hiervan ter inzage wordt gelegd. Uit de plantoelichting blijkt volgens de raad voldoende dat het plan financieel uitvoerbaar is, aldus de raad.

4.2.    Ter zitting is gebleken dat de overeenkomst door de projectontwikkelaar niet is ontbonden. In het aangevoerde in zoverre wordt dan ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad had moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar zou zijn.

Volgens de woonvisie Middelharnis van 9 juni 2011, blijft er behoefte aan woningen. In het woningbouwprogramma is voor de kernen Middelharnis en Sommelsdijk het doel gesteld tot 2025 met 360 woningen uit te breiden. In de hele gemeente is het doel tot 2025 met 450 woningen uit te breiden. Het plan voorziet daarnaast in de mogelijkheid twee-onder-één-kap woningen te realiseren, waar volgens de woonvisie veel behoefte aan bestaat. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

4.3.        Het betoog van [appellante] dat ten onrechte geen zakelijke weergave van de overeenkomst ter inzage is gelegd faalt. In de plantoelichting wordt verwezen naar de exploitatieovereenkomst die op 14 november 2007 is gesloten tussen de gemeente en Stichting Zuidwester. Een zakelijke weergave van de zakelijke overeenkomst is gepubliceerd in het vorige plan "Hernesseroord" dat gedeeltelijk onherroepelijk is. Partijen konden in dit geval derhalve bekend zijn met de overeenkomst. Voorts is ter zitting toegelicht dat de kosten voor de uitvoering van het bestemmingsplan niet noemenswaardig zijn veranderd ten opzichte van de kosten voor de uitvoering van het voorgaande bestemmingsplan en dat Stichting Zuidwester deze kosten op zich neemt. Gelet op het voorgaande wordt in het aangevoerde geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat ten onrechte geen zakelijke weergave van de overeenkomst ter inzage is gelegd.

Het betoog faalt.

4.4.        Gelet op het voorgaande behoeft het betoog van de raad dat artikel 1.9 van de Chw in de weg staat aan een beroep op de financiële uitvoerbaarheid geen bespreking.

Woon- en leefklimaat, beperking bedrijfsvoering

5.    Ter zitting heeft [appellante] aangegeven zich wat betreft de gronden over het woon- en leefklimaat van de in het plan voorziene woningen en de beperking van haar bedrijfsvoering met name niet te kunnen verenigen met de bestemmingen die zijn gelegen binnen de invloedssfeer van haar bedrijf. Het betreft hier de meest oostelijk gelegen bestemming "Maatschappelijk" en het oostelijk gelegen gedeelte van de bestemming "Wonen-8".

6.    [appellante] betoogt dat ter plaatse van de woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat zij in haar bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt. Zij betoogt dat haar bedrijf inmiddels valt onder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim) en niet meer wordt gereguleerd door een milieuvergunning. Er zijn haar geen maatwerkvoorschriften opgelegd, hetgeen betekent dat de volledige ruimte uit het Barim benut kan worden. Volgens [appellante] is ten onrechte uitgegaan van de situatie die haar in het verleden vergund was, met name nu het Barim meer mogelijkheden biedt dan de inmiddels vervallen vergunning. [appellante] heeft ter zitting toegelicht dat zij de mogelijkheden uit het Barim in de nabije toekomst wil gebruiken door 's nachts meer werkzaamheden aan onder meer wegen te gaan uitvoeren en in verband daarmee vaker vrachtverkeersbewegingen van- en naar de inrichting zullen plaatsvinden. Dit zal gepaard gaan met een kortdurende, lokale toename van het geluidsniveau.

[appellante] stelt dat ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het bedrijventerrein en dat ten onrechte niet wordt voldaan aan de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: VNG-brochure). [appellante] stelt dat zelfs indien de feitelijke situatie als uitgangspunt wordt genomen, ter hoogte van de voorziene woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Volgens haar is niet onderzocht of voorkeursgrenswaarden zullen worden overschreden. [appellante] wijst er in dit verband op dat met name in de avond- en nachtelijke uren binnen haar inrichting activiteiten plaatsvinden, waaronder laden en lossen met zwaar materieel teneinde 's nachts aan onder meer openbare werken  werkzaamheden te verrichten. [appellante] betoogt voorts dat bij de vaststelling van het voorgaande bestemmingsplan "Hernesseroord" van 4 september 2008, waaraan gedeeltelijk goedkeuring is onthouden, werd uitgegaan van de ligging van de woningen binnen de geluidscontour van 55 dB(A), om welke reden hogere waarden werden vastgesteld. Volgens haar heeft de raad niet gemotiveerd waarom de woningen nu kennelijk buiten die geluidscontour vallen, terwijl de afstand tussen de woningen en haar bedrijf niet is vergroot. [appellante] betoogt voorts dat de raad de plaatsing van een geluidswal ten onrechte niet als voorwaarde in het bestemmingsplan heeft opgenomen, terwijl zij dat wel nodig acht.

6.1.    De raad stelt dat voor zover [appellante] zich beroept op de maximale planologische mogelijkheden, dit betoog ingevolge artikel 1.9 van de Chw slechts betrekking kan hebben op haar eigen gronden.

De raad erkent dat in het bestemmingsplan is uitgegaan van de voormalige vergunde situatie, maar stelt dat ook nu het Barim van toepassing is, het plan geen onaanvaardbare gevolgen met zich brengt. Hiertoe stelt de raad zich op het standpunt dat wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter uit de VNG-brochure tussen de inrichting van [appellante] en de voorziene woningen. Gelet daarop wordt [appellante] volgens de raad niet beperkt in haar bedrijfsvoering en is ter plaatse van de in het plan voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. Daarnaast blijkt uit het akoestisch rapport van DGMR van 10 september 2012, dat in opdracht van [appellante] is opgesteld, dat de gemiddelde geluidbelasting op drie op de grens van de inrichting van [appellante] gelegen beoordelingspunten lager is dan de maximale geluidnorm als gesteld in artikel 2.17, eerste lid, van het Barim. Dit houdt volgens de raad in dat [appellante] door het plan niet beperkt wordt in haar bedrijfsvoering en voorts nog uitbreidingsruimte heeft. Dat de uitbreidingsruimte enigszins wordt beperkt is volgens de raad in dit geval niet onaanvaardbaar, met name nu [appellante] geen concrete uitbreidingsplannen heeft.

Ten aanzien van het betoog van [appellante] dat een geluidsscherm als voorwaarde in het plan had moeten worden opgenomen stelt de raad dat dit niet nodig is, nu ook zonder afscherming volgens de raad een aanvaardbaar woon en leefklimaat kan worden gegarandeerd.  

6.2.    Niet in geschil is dat het bedrijf van [appellante] sinds de wijziging van het Barim van 1 januari 2008 een categorie B bedrijf in de zin van het Barim is. Dit betekent dat de vergunning met ingang van die datum van rechtswege is vervallen en dat de activiteiten van het bedrijf van [appellante] ten tijde van het bestreden besluit gereguleerd werden door het Barim. Ter zitting is komen vast te staan dat geen maatwerkvoorschriften aan [appellante] zijn opgelegd en dat [appellante] derhalve niet aan strengere geluidsvoorschriften is gebonden dan die gesteld zijn in afdeling 2.8 van het Barim.

6.3.    De raad is in het plan uitgegaan van de situatie waarin de activiteiten van [appellante] nog door een vergunning werden gereguleerd. Vaststaat dat de geluidruimte die het Barim biedt, groter is dan de geluidruimte van de voormalige vergunning. De raad is in het plan gelet op het voorgaande uitgegaan van verkeerde uitgangspunten. Nu de geluidruimte uit de voormalige vergunning verschilt van de geluidruimte uit het Barim, heeft de raad miskend dat de in het plan voorziene woningbouw mogelijk gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van [appellante]. Ook is niet gebleken dat de raad een volledige beoordeling heeft gemaakt van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen, nu de geluidsruimte uit het Barim daarbij niet is betrokken.

De verwijzing van de raad naar het rapport van DGMR van 10 september 2012 om aan te tonen dat [appellante] niet wordt beperkt in haar bedrijfsvoering en dat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden, volstaat niet, aangezien in het kader van het bestemmingsplan een verdergaande beoordeling gewenst is, waarin een volledige beoordeling wordt gemaakt van de situatie en waarin inzichtelijk wordt gemaakt wat de gevolgen van het plan zijn voor het bedrijf van [appellante] en of ter plaatse van de in het plan voorziene woningen, voor zover bestreden, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

De raad heeft gelet op het voorgaande niet met de vereiste zorgvuldigheid beoordeeld wat de gevolgen van de in het plan voorziene woningbouw zijn. Hierbij is ook van belang dat [appellante] door het laden, lossen van en vertrekken met materieel met name 's nachts hoge piekgeluiden produceert en niet is gebleken dat deze in de beoordeling zijn betrokken. Daarnaast is van belang dat niet in de beoordeling is betrokken dat [appellante], ondanks dat zij op haar vorige locatie aan de geluidsvoorschriften voldeed, zich door klachten van omwonenden over de geluidhinder van haar bedrijf gedwongen zag het bedrijf te verplaatsen en voorts niet is onderzocht of een geluidsscherm tussen het plangebied en het bedrijventerrein waarop [appellante] is gevestigd, met het oog op het realiseren van een goed woon- en leefklimaat een bijdrage zou kunnen leveren.

6.4.    Gelet op het voorgaande is het besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hernesseroord" van 6 oktober 2011 wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de bestemmingen "Wonen 8" en "Maatschappelijk" voor zover gelegen binnen de invloedssfeer van het bedrijf van [appellante].

6.5.    De betogen van [appellante] over het al dan niet uitgaan van de maximale planologische mogelijkheden en de eventuele ligging van de in het plan voorziene woningen binnen de geluidscontour van 55 dB(A) van het bedrijf, behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

6.6.    Voor zover de raad betoogt dat artikel 1.9 van de Chw zich ertegen verzet dat [appellante] zich beroept op de maximale planologische mogelijkheden van andere bedrijven, wordt overwogen dat het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit erin is gelegen dat de raad in het plan is uitgegaan van verkeerde uitgangspunten ten aanzien van de situatie van [appellante], en dat het besluit daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog van de raad, wat daarvan ook zij, kan gelet daarop geen aanleiding geven voor het in stand laten van het besluit in zoverre.

7.    [appellante] heeft zich voor het overige in haar beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Deze beroepsgronden kunnen dan ook niet slagen.

8.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Construction B.V. en [appellante] Avenhorn Groep B.V. niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan;

II.    verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Construction B.V. en [appellante] Avenhorn Groep B.V. gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hernesseroord" van de raad van de gemeente Middelharnis van 6 oktober 2011, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Wonen 8" en "Maatschappelijk" voor zover aangegeven op de bijgevoegde kaart;

IV.    verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Construction B.V. en [appellante] Avenhorn Groep B.V. voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Middelharnis tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Construction B.V. en [appellante] Avenhorn Groep B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Middelharnis aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Construction B.V. en [appellante] Avenhorn Groep B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Drouen

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

375-731.

<hr /><img width="750" src="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/plankaarten/2011p12659-1.jpg" alt="" />