Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5895

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201201028/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Andijk (thans: het college van burgemeester en wethouders van Medemblik) aan [appellant] een bedrag van € 15.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2007 tot de dag van uitbetaling, ter vergoeding van planschade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201028/1/A2.

Datum uitspraak: 12 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Andijk, gemeente Medemblik (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 december 2011 in zaak nr. 09/1770 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Andijk (thans: het college van burgemeester en wethouders van Medemblik) aan [appellant] een bedrag van € 15.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2007 tot de dag van uitbetaling, ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij besluit van 14 april 2009, verzonden op 8 juni 2009, heeft het college van burgemeester en wethouders van Andijk het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij tussenuitspraak van 10 februari 2011 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het college in de gelegenheid gesteld een door haar geconstateerd gebrek in het besluit van 14 april 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen zij in de tussenuitspraak heeft overwogen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 12 juli 2011, genomen ter uitvoering van de tussenuitspraak, heeft het college medegedeeld op welke wijze het gebrek is hersteld en, voor zover thans van belang, het tegen het besluit van 28 oktober 2008 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en [appellant] een bedrag van € 28.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2007 tot de dag van uitbetaling, ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij uitspraak van 15 december 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep van [appellant] tegen het besluit van 14 april 2009 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep van [appellant] tegen het besluit van 12 juli 2011 ongegrond verklaard en het college veroordeeld in de door [appellant] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2012, waar [appellant] en Blokker, bijgestaan door mr. M. Lammerse, advocaat te Hoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Bas, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

1.1.    Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor de indiener van dat verzoek in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt geldt evenzeer voor de vaststelling van de eventuele waardevermindering.

2.    [appellant] is eigenaar van een perceel met woning, plaatselijk bekend Gedeputeerde [locatie] te Andijk. Hij heeft het college bij brief, ingekomen op 8 mei 2007, verzocht om vergoeding van planschade die hij stelt te lijden als gevolg van het nieuwe planologische regime, dat de realisering van drie windturbines in de nabijheid van zijn woning mogelijk maakt.

Het college heeft het verzoek om vergoeding van planschade voor advies voorgelegd aan Maandag Planschadeadvies (hierna: Maandag). In een advies van 15 september 2008 heeft Maandag een vergelijking gemaakt tussen het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2003" en het nieuwe planologisch regime, zoals neergelegd in het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Het Grootslag 2003", dat op 22 april 2004 is vastgesteld en op 10 februari 2005 onherroepelijk is geworden. In het advies is uiteengezet dat, samengevat weergegeven, ingevolge dit nieuwe bestemmingsplan drie windturbines op een afstand van minimaal 200 m van het perceel van [appellant] mogen worden opgericht. Dit leidt tot een planologisch nadeel in de vorm van geluidhinder en wat betreft de situeringswaarde van de woning. Maandag heeft daaruit, met verwijzing naar een taxatierapport van P.H. Reinders Folmer van 8 september 2008, de conclusie getrokken dat de planologische wijziging tot een planologische verslechtering heeft geleid en de waarde van de woning hierdoor op de peildatum, 2 december 2004, van € 517.500,00 naar € 502.000,00 is gedaald, zijnde een waardevermindering van € 15.500,00.

Het college heeft dit advies aan het na bezwaar gehandhaafde besluit van 28 oktober 2008 ten grondslag gelegd.

[appellant] heeft in beroep een deskundigenrapport van Langhout en Wiarda (hierna: Langhout) van 16 augustus 2010 overgelegd. Volgens Langhout boet de woning fors aan situeringswaarde in. Gelet hierop en op de schadefactoren geluidhinder en slagschaduw, taxeert Langhout de waarde van woning onmiddellijk voorafgaande aan de planologische wijziging op € 520.000,00 en daarna op € 480.000,00. Hij gaat derhalve uit van een waardedaling van € 40.000,00.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het advies van Maandag ten onrechte geen rekening houdt met de maximaal mogelijke rotordiameter en evenmin met de mogelijkheid van windturbines die twee in plaats van drie rotorbladen hebben. Verder geeft dit rapport geen inzicht in de maximale slagschaduwhinder die van de turbines kan worden ondervonden en is niet duidelijk of, en in hoeverre, de mogelijke geluidhinder van alle drie de windturbines op de woning van [appellant] in de planvergelijking is betrokken, aldus de rechtbank.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college aan Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur (voorheen Maandag; hierna: Kenniscentrum) om nader advies gevraagd. In het advies van 29 juni 2011 concludeert Kenniscentrum dat uit nader onderzoek naar de maximale slagschaduwhinder volgt dat moet worden uitgegaan van een aanmerkelijk langere hinderduur per jaar dan waarvan in het advies van 15 september 2008 was uitgegaan. Met inachtneming hiervan bepaalt Kenniscentrum de waarde van de woning na de planologische wijziging op € 489.000,00, zodat de waardevermindering als gevolg van die wijziging € 28.500,00 bedraagt.

Onder verwijzing naar het nader advies heeft het college bij besluit van 12 juli 2011 het bezwaar tegen het besluit van 28 oktober 2008 alsnog gegrond verklaard en [appellant] een bedrag van € 28.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2007 tot de dag van uitbetaling, ter vergoeding van planschade toegekend.

In de uitspraak van 15 december 2011 heeft de rechtbank overwogen dat het nader advies wat betreft de schadefactoren geluidhinder en slagschaduwhinder voldoende inzichtelijk is en niet onjuist voorkomt. In de taxatie van Langhout, die concludeert tot een hoger schadebedrag, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het college in het besluit van 12 juli 2011 ten onrechte is uitgegaan van een schadebedrag van € 28.500,00.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college het nader advies van Kenniscentrum -mede- aan het besluit van 12 juli 2011 ten grondslag heeft mogen leggen, heeft miskend dat de waardebepaling in dat advies zodanige gebreken bevat dat daarop niet mocht worden afgegaan. Hij voert aan dat in het door hem in beroep overgelegde advies van Langhout en de twee in bezwaar overgelegde rapporten van makelaars wordt geconcludeerd tot een aanzienlijk grotere waardevermindering van de woning, dan waar Kenniscentrum van uitgaat. Gelet op de ernst van de geluid- en slagschaduwhinder, staat de toegekende planschadevergoeding niet in verhouding tot de waardevermindering van zijn woning, aldus [appellant].

3.1.    In de tussenuitspraak is met juistheid overwogen dat de conclusies in het rapport van Makelaarsgroep Jaspers-Van Diepen en de e-mail van CMK-makelaars niet zijn gebaseerd op een vergelijking van de planologische regimes, zoals die van belang is voor een beoordeling van een verzoek, als door [appellant] gedaan. De rechtbank heeft deze stukken dan ook terecht niet relevant geacht voor de beoordeling van dit verzoek.

De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden overwogen dat niet gebleken is dat het nader advies van Kenniscentrum wat betreft de vaststelling van de relevante toename van geluid- en slagschaduwhinder als gevolg van de planologische wijziging op onjuiste uitgangspunten berust. In het deskundigenrapport van Langhout is van dezelfde planvergelijking uitgegaan als vermeld in het advies van Maandag en het nader advies van Kenniscentrum en is de waarde van de woning voorafgaande aan de planologische verandering getaxeerd op € 520.000,00, hetgeen slechts gering hoger is dan de taxatie van Kenniscentrum, die € 517.500,00 bedraagt. De enkele omstandigheid dat Langhout de waarde van de woning na de planologische verandering op een lager bedrag taxeert dan Kenniscentrum heeft gedaan, betekent niet dat de door Kenniscentrum getaxeerde waarde onjuist is, nu het verschil tussen de taxaties binnen in beginsel aanvaardbare marges valt. Anders dan [appellant] betoogt, vormt de omstandigheid dat de taxatie van Kenniscentrum op € 500,00 nauwkeurig is vastgesteld geen grond om te twijfelen aan de totstandkoming van deze taxatie. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college het nader advies van Kenniscentrum aan het besluit van 12 juli 2011 ten grondslag heeft mogen leggen.

Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de kosten van de door hem ingeschakelde deskundige. Hij wijst in dit verband op de drie door hem overgelegde nota's van Langhout van 16 augustus 2010, 6 december 2010 en 10 augustus 2011.

4.1.    Het college heeft zich ter zitting bij de Afdeling desgevraagd niet verzet tegen een veroordeling tot vergoeding van de nota's van 16 augustus 2010 en 6 december 2010, ten bedrage van € 2.380,00, onderscheidenlijk € 1.526,18.

Tussen partijen is in geschil of de nota van 10 augustus 2011, ten bedrage van € 297,50, voor vergoeding in aanmerking komt. Deze nota heeft betrekking op de kosten voor het laten opstellen van het nader rapport van Langhout van 10 augustus 2011, dat een reactie vormt op het door het college naar aanleiding van de tussenuitspraak gevraagde nader advies van Kenniscentrum van 29 juni 2011 en het daarop gebaseerde besluit van 12 juli 2011. Nu de rechtbank het beroep van [appellant], voor zover gericht tegen het besluit van 12 juli 2011, ongegrond heeft verklaard, bestaat geen aanleiding voor vergoeding van deze kosten, aldus het college.

4.2.    Bij de einduitspraak, na de toepassing van een zogenoemde bestuurlijke lus, kunnen de in verband met het (hoger) beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Ook na de tussenuitspraak gemaakte kosten komen in de regel voor vergoeding in aanmerking. Daaraan doet niet af dat, zoals in dit geval, het beroep van rechtswege tegen het nadere besluit ongegrond is verklaard.

Het nader advies van Langhout heeft betrekking op de specifieke vragen die in deze procedure aan de orde zijn en die van invloed kunnen zijn op de uitkomst van het geschil. Gelet hierop heeft [appellant] ervan mogen uitgaan dat het nader advies van Langhout een relevante bijdrage zou kunnen leveren aan een voor hem gunstige beantwoording van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. De hoogte van de nota van 10 augustus 2011 komt de Afdeling niet onredelijk voor, gelet op de aan het nader advies bestede werkzaamheden, zodat deze nota voor vergoeding in aanmerking komt. Het vorenstaande brengt mee dat het college alsnog zal worden veroordeeld tot vergoeding van € 4.203,68 in verband met de door [appellant] gemaakte kosten van Langhout.

Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij is nagelaten het college te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] in beroep gemaakte kosten van de door hem ingeschakelde deskundige. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college daartoe alsnog veroordelen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld die [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft gemaakt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 december 2011 in zaak nr. 09/1770, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college van burgemeester en wethouders van Medemblik te veroordelen tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] opgekomen proceskosten wegens de door hen ingeschakelde deskundige;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Medemblik tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.147,52 (zegge: vijfduizend honderdzevenenveertig euro en tweeënvijftig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Medemblik aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Bindels

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

85-710.