Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5892

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201106889/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2011 heeft het college aan de Afdeling Amstelveen/Ouder-Amstel van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, thans Stichting Dierentehuis Amstelveen, een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een dierentehuis met een speel-/uitlaatweide op het perceel Kostverlorenweg 12 te Amstelveen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/348
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5130

Uitspraak

201106889/1/A4.

Datum uitspraak: 12 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Amstelveen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2011 heeft het college aan de Afdeling Amstelveen/Ouder-Amstel van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, thans Stichting Dierentehuis Amstelveen, een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een dierentehuis met een speel-/uitlaatweide op het perceel Kostverlorenweg 12 te Amstelveen.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2012, waar [een van de appellanten], bijgestaan door mr. L.D.H. Hamer, advocaat te Amsterdam, en R.L. Florentinus, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Tielbeke en ing. K. Tsolakidis, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Stichting Dierentehuis Amstelveen, vertegenwoordigd door F.R.W. de Maar, gehoord.

Overwegingen

1.    Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het in werking hebben van het reeds bestaande dierentehuis in een nieuw gebouw en voor het gebruik van een speel-/uitlaatweide achter het gebouw.

3.    [appellanten] voeren aan dat de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarde van 45 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode ten onrechte hoger is dan de richtwaarde die de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) geeft voor een landelijke omgeving. Zij stellen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Volgens hen baseert het college zich ten onrechte op een referentieniveau van 40-45 dB(A) dat berust op voor hen onbekende metingen uit 2004 of 2006. Zij stellen dat daarom niet inzichtelijk is of dat referentieniveau nog actueel is. Volgens hen is het referentieniveau van het omgevingsgeluid sinds 2006 waarschijnlijk gedaald door de toepassing van zeer open asfaltbeton en het verminderde vliegverkeer van en naar de Buitenveldertbaan sinds de ingebruikname van de Polderbaan.

Voorts voeren zij aan dat de geluidgrenswaarde van 45 dB(A) te hoog is, omdat in het akoestisch rapport van 9 juli 2010 van Cauberg-Huygen, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, bij de berekening van die waarde de geluidbelasting vanwege het gebruik van een hogedrukspuit is meegenomen, terwijl het gebruik van die hogedrukspuit bij het bestreden besluit niet is vergund.

3.1.    In voorschrift 1 van paragraaf C.1. van de vergunningvoorschriften is, kort weergegeven, bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting op de relevante locaties niet meer dan 45 dB(A) mag bedragen in de dagperiode.

3.2.    Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder de Handreiking als uitgangspunt gehanteerd.

In de Handreiking is ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bepaald dat zolang geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld - zoals het geval is bij de gemeente Amstelveen - bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking is opgenomen.

In hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

3.3.    Niet in geschil is dat de omgeving van de inrichting moet worden aangemerkt als een landelijke omgeving waarvoor in hoofdstuk 4 van de Handreiking voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau een richtwaarde is opgenomen van 40 dB(A) in de dagperiode. De bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarde is hoger dan die richtwaarde. Het college stelt zich bij het bestreden besluit op het standpunt dat van de richtwaarde is afgeweken omdat het referentieniveau van het omgevingsgeluid in het gebied 40-45 dB(A) bedraagt. Volgens het college zouden in 2004 en 2006 metingen zijn verricht, maar niet is vermeld welke metingen dat zijn of waar is gemeten. Door het college zijn geen meetresultaten overgelegd.

Voor zover het college uitgaat van een ongewijzigd referentieniveau van 40-45 dB(A) is niet aannemelijk gemaakt dat dit het referentieniveau was ten tijde van voormelde metingen, is niet inzichtelijk gemaakt waarom dat referentieniveau nog actueel is noch waarom bij het bestreden besluit wat betreft de hoogte van de geluidsnorm is uitgegaan van het hoogste niveau in de range van 40 tot 45 dB(A). Met de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat de inrichting in de omgeving van Schiphol en drie snelwegen is gelegen waardoor het referentieniveau hoger dan 40 dB(A) zou zijn en de verwijzing naar niet nader aangeduide meetresultaten van het monitorstation Luistervink, heeft het college niet toereikend gemotiveerd waarom het in dit geval van de richtwaarde in de Handreiking kon afwijken. Dat geldt temeer nu het college het betoog van [appellanten]   dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid sinds 2006 waarschijnlijk is gedaald, niet met concrete gegevens heeft weerlegd.

Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat een geluidgrenswaarde van 45 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode voor de bedrijfsvoering nodig is, aangezien het gebruik van de hogedrukspuit, waarvan de geluidbelasting is meegenomen bij de berekening van het geluidniveau, niet is vergund.

Gelet op het voorgaande berust het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet op een deugdelijke motivering voor zover voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode een geluidgrenswaarde van 45 dB(A) is gesteld.

De beroepsgrond slaagt.

4.    [appellanten] voeren aan dat in het akoestisch rapport ten onrechte is uitgegaan van een gemiddelde bronsterkte van het blaffen van honden van 105 dB(A).

4.1.    In het akoestisch rapport wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2008 in zaak nr. 200706975/1, waarin de Afdeling een gemiddelde bronsterkte van 104 dB(A) aannemelijk achtte, onder meer gelet op de in de aanvraag voor het pension vermelde verhouding tussen kleine en grote hondenrassen en de variatie in het bronvermogen van het blaffen van die honden.

4.2.    In het verweerschrift vermeldt het college dat in de inrichting verschillende hondenrassen aanwezig kunnen zijn. Ter zitting heeft de Stichting Dierentehuis Amstelveen toegelicht dat vanwege de grootte van de hokken in de inrichting geen grote honden kunnen worden gehouden. [appellanten] hebben, gelet op die toelichting ter zitting, niet aannemelijk gemaakt dat een gemiddelde bronsterkte van 105 dB(A) niet representatief is voor het geblaf van de honden binnen de inrichting.

De beroepsgrond faalt.

5.    [appellanten] betogen dat de nachtnorm niet spoort met het akoestisch rapport. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat de in voorschrift 1 van paragraaf C.1. van de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarde van 30 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de nachtperiode niet valt te rijmen met de omstandigheid dat in het akoestisch rapport ervan wordt uitgegaan dat de inrichting in de nachtperiode geen geluid veroorzaakt.

5.1.    Aangezien niet in geschil is dat de omgeving van de inrichting moet worden aangemerkt als een landelijke omgeving waarvoor in hoofdstuk 4 van de Handreiking voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau een richtwaarde is opgenomen van 30 dB(A) in de nachtperiode, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college die geluidgrenswaarde niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

De beroepsgrond faalt.

6.    Volgens [appellanten] heeft het college te hoge geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau gesteld.

6.1.    In vergunningvoorschrift 2 van paragraaf C.1. is, kort weergegeven, bepaald dat het maximale geluidniveau vanwege de inrichting op de relevante locaties niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) mag bedragen in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

6.2.    De in vergunningvoorschrift 2 van paragraaf C.1. voor het maximale geluidniveau opgenomen grenswaarden komen overeen met de waarden die in paragraaf 3.2 van de Handreiking ten hoogste aanvaardbaar worden geacht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 augustus 2012 in zaak nr. 201104269/1/A4) is het vaste jurisprudentie dat een bevoegd gezag deze waarden in redelijkheid toereikend kan achten ter bescherming tegen onaanvaardbare geluidhinder.

De beroepsgrond faalt.

7.    [appellanten] voeren aan dat geen onderzoek is gedaan naar het maximale geluidniveau dat wordt veroorzaakt vanuit de binnenhokken. Zij hebben ter zitting gesteld dat bij een geluidisolatie van het gebouw van 20 dB(A) weliswaar wordt voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau, maar dat niet is aangetoond dat het gebouw daadwerkelijk zodanig is uitgevoerd.

7.1.    Het college stelt in het verweerschrift dat het geluid vanuit de binnenhokken niet akoestisch relevant is vanwege de isolatie van meer dan 20 dB(A) zoals op blz. 6 van het akoestisch rapport is vermeld. Ter zitting hebben het college en de Stichting Dierentehuis Amstelveen toegelicht op welke wijze bij de verbouwing van het dierentehuis een hoge isolatiewaarde wat betreft geluid is gerealiseerd. In aanmerking genomen dat het gebruikelijk is voor muren 20 dB(A) geluidwering te rekenen, hebben [appellanten]   niet aannemelijk gemaakt dat de geluidisolatie van de binnenhokken minder dan 20 dB(A) bedraagt. Derhalve hebben zij evenmin aannemelijk gemaakt dat de geluidbelasting vanuit de binnenhokken dusdanig is dat niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

De beroepsgrond faalt.

8.    Tot slot stellen [appellanten] dat de vergunning ten onrechte slechts voorziet in een geluidscherm rond de speelweide en niet op de brug tussen het gebouw en die speelweide, zodat indien de honden op de brug blaffen een overschrijding van de geluidsnormen zou kunnen optreden.

8.1.    Het college stelt dat de honden zich slechts enkele seconden op de brug zullen bevinden wanneer zij van het gebouw naar de speelweide en terug worden begeleid. Volgens het college is het gelet op een blaftijd van 5% of 10% van de tijd en de omstandigheden dat de honden op de brug worden begeleid en dan doorgaans niet blaffen, niet aannemelijk dat door het ontbreken van een geluidscherm op de brug een overschrijding van de geluidsnormen zal optreden. [appellanten] hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van het college onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

9.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 2 mei 2011 dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

10.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van het verzoek om het college te veroordelen in de kosten van het opmaken van deskundigenrapporten door M+P Raadgevende Ingenieurs, overweegt de Afdeling het volgende. Slechts de kosten van het opstellen van het rapport van 27 juli 2011 komen voor vergoeding in aanmerking ten bedrage van € 600,00. De kosten van het opmaken van het rapport van 26 november 2010 komen niet voor vergoeding in aanmerking aangezien dat rapport niet in verband met de behandeling van het beroep is opgemaakt. Van de kosten die staan vermeld op de declaratie van M+P Raadgevende Ingenieurs van 1 oktober 2012 en die zijn opgevoerd als kosten voor het opmaken van deskundigenrapporten, is niet gebleken dat die kosten zijn gemaakt voor het opmaken van deskundigenrapporten. Reeds daarom komen die kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen van 2 mei 2011, kenmerk 2008-20974;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.471,91 (zegge: veertienhonderdeenenzeventig euro en eenennegentig cent), waarvan € 847,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Van Heusden

Voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

163-687.