Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5881

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201203006/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2011 heeft het college op grond van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: de Wet bag) aan de garagebox van [appellant] de [nummeraanduiding] toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201203006/1/A3.

Datum uitspraak: 12 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Neder-Betuwe,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 februari 2012 in zaak nr. 11/3184 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2011 heeft het college op grond van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: de Wet bag) aan de garagebox van [appellant] de [nummeraanduiding] toegekend.

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het besluit van 14 maart 2011 onder wijziging van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 28 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2012, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M. Hogendoorn-de Jong, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de Wet bag wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder nummeraanduiding: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats.

Ingevolge deze aanhef en onder q wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder verblijfsobject: kleinste binnen een of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik, die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, kent de gemeenteraad nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

Ingevolge artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad aan het college bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) (hierna: de Verordening) wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder nummeraanduiding: door het college als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats, een ligplaats en een afgebakend terrein, dat bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- en/of cijfercombinatie.

Ingevolge deze aanhef en onder l wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder verblijfsobject: de kleinste binnen een of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik, die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, die onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, kent het college binnen het grondgebied van de gemeente nummers toe aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen.

Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot toekenning van een nummeraanduiding hanteert het college het Objectenhandboek basisregistraties adressen en gebouwen, versie 2009 (hierna: het Objectenhandboek) als uitgangspunt. Hierin wordt een toelichting gegeven op definities genoemd in artikel 1 van de Wet bag voor het op een juiste wijze toepassen en op een landelijk uniforme wijze interpreteren van deze definities.

2.    Het college heeft aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat de garagebox als een verblijfsobject in de zin van artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag is aan te merken. Gelet op artikel 6, eerste lid, van de Wet bag en artikel 3, tweede lid, van de Verordening dient een nummeraanduiding aan de garagebox te worden toegekend, aldus het college.

3.    [appellant] betoogt dat in de aangevallen uitspraak onder het procesverloop ten onrechte geen melding wordt gemaakt van de klacht, die hij bij het college heeft ingediend naar aanleiding van het niet naar behoren afhandelen van een eerdere klacht over de incorrecte en onduidelijke bekendmaking van het voornemen de nummeraanduiding aan de garagebox toe te kennen en van de wijze waarop hij in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 14 maart 2011 is bejegend.

3.1.    De beslissing van het college in het kader van de klachtbehandeling maakt geen onderdeel uit van het bij de rechtbank bestreden besluit. De mogelijk onzorgvuldige behandeling van de klacht en de uitkomst van de klachtprocedure hebben geen gevolgen voor de rechtmatigheid van dat besluit. De rechtbank behoefde in het procesverloop dan ook geen melding van de klachtprocedure te maken.

Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de manager van de afdeling Ruimte niet bevoegd was het besluit van 14 maart 2011 te nemen.

4.1.    Indien al moet worden geoordeeld dat aan het besluit van 14 maart 2011 een gebrek kleeft, is dit gebrek met het besluit op bezwaar van 5 juli 2011 hersteld, nu laatstgenoemd besluit door het college is genomen.  Derhalve kan in het midden blijven of de manager van de afdeling Ruimte bevoegd was namens het college het besluit van 14 maart 2011 te nemen.

Het betoog faalt.

5.    [appellant] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college de garagebox terecht als een verblijfsobject in de zin van artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag heeft aangemerkt. Volgens hem heeft het college de garagebox ten onrechte aangemerkt als een van zijn woning afzonderlijke eenheid van gebruik die in functioneel opzicht zelfstandig is. Daartoe voert hij aan dat de garagebox via een andere woning aan zijn woning is gekoppeld. Anders dan het college heeft gesteld, is de omstandigheid dat de garagebox vanuit de woning niet kan worden bereikt zonder in de open lucht te komen niet relevant, aangezien dat ook geldt voor achttien naburige garageboxen waaraan geen nummeraanduiding wordt toegekend, aldus [appellant]. Hij betoogt dat het college voorts de zelfstandige overdraagbaarheid van de garagebox ten onrechte als argument heeft gebruikt, omdat tien nabijgelegen garageboxen, die volgens hem ook onderwerp van goederenrechtelijke rechtshandelingen kunnen zijn, geen nummeraanduiding krijgen om reden dat die zich op hetzelfde perceel als de bijbehorende woning bevinden. De tweedeling op grond van het al dan niet hebben van een eigen perceelsregistratie is strijdig met de toepasselijke wet- en regelgeving, aldus [appellant].

5.1.    Zoals het college terecht heeft gesteld, is een object een verblijfsobject in de zin van artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag, indien aan de in deze bepaling cumulatief gestelde criteria wordt voldaan.

Volgens het Objectenhandboek is een verblijfsobject de kleinste eenheid van gebruik binnen een of meer panden, indien en voor zover er een aaneengesloten samenhangend gebruik is. Er is geen aaneengesloten gebruik, wanneer het gebruik over uit elkaar gelegen eenheden binnen een of meer panden is verspreid. Als voorbeeld hiervan wordt in het Objectenhandboek een vrijstaande garagebox genoemd. Een garagebox geldt als vrijstaand, indien deze geen gedeelde muur heeft met de bijbehorende woning en de garagebox niet bereikt kan worden zonder in de open lucht te komen. Een garagebox die niet is aangebouwd aan de daarbij horende woning, maar aan een buurwoning, wordt als vrijstaand aangemerkt, omdat de garagebox geen functioneel zelfstandige eenheid met de buurwoning vormt, aldus het Objectenhandboek.

Gelet hierop heeft het college de garagebox van [appellant], die geen gedeelde muur met de bijbehorende woning heeft en vanuit de woning niet bereikt kan worden zonder in de open lucht te komen, terecht als een afzonderlijke eenheid van gebruik aangemerkt.

Voorts heeft het college de garagebox, die in een rij van vier garageboxen en los van de bijbehorende woning staat en over een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg beschikt, terecht in functioneel opzicht zelfstandig geacht. Het gebruik van de garagebox is niet onlosmakelijk verbonden met dat van de woning van [appellant]. Het college heeft ter zitting bij de Afdeling terecht gesteld dat, anders dan [appellant] betoogt, voor het antwoord op de vraag of de garagebox in functioneel opzicht zelfstandig is niet van belang is of de garagebox een zelfstandige stroomvoorziening heeft.

Een van de cumulatieve criteria van artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet bag is verder dat de eenheid van gebruik zelfstandig onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen, zoals koop of verkoop. Het college heeft daarom terecht getoetst of de garagebox van [appellant] aan dit criterium voldoet. Dat aan naburige garageboxen, die volgens [appellant] verhuurd of in eigendom overgedragen kunnen worden, geen nummeraanduiding wordt toegekend om reden dat zij op een woonperceel staan, is niet in strijd met de toepasselijke wet- en regelgeving. Volgens het Objectenhandboek is een garagebox in beginsel geen verblijfsobject, maar geldt als een van de uitzonderingen daarop dat een garagebox die zo is gelegen dat niet duidelijk is bij welk woonobject deze hoort, wel als verblijfsobject wordt afgebakend. Dat laatste geldt onder meer voor garageboxen die deel uitmaken van een serie garageboxen, aldus het Objectenhandboek. Het betoog van [appellant] dat het college op oneigenlijke gronden tot een ongelijke behandeling van de verschillende garageboxen is gekomen, faalt derhalve.

6.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door aan haar oordeel dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld ten grondslag te leggen dat het college tot toekenning van nummeraanduidingen aan naburige garageboxen zal overgaan zodra de onderhavige procedure is afgerond, heeft miskend dat het college dat eerst ter zitting heeft gesteld. De rechtbank heeft ten onrechte aan deze stelling van het college waarde gehecht, aldus [appellant].

6.1.     Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit de gedingstukken en de namens het college ter zitting gegeven toelichting is gebleken dat het college ook de overige garageboxen die als een verblijfsobject in de zin van de Wet bag zijn aan te merken van een nummeraanduiding zal voorzien, maar dat daartoe in afwachting van de uitkomst van dit geschil nog niet is overgegaan. Vaststaat dat het college ook aan de buren van [appellant] een vooraankondiging heeft toegezonden van het voornemen hun garagebox van een nummeraanduiding te voorzien. Uit het advies van de commissie voor bezwaarschriften, dat aan het besluit op bezwaar ten grondslag is gelegd, en uit het verweerschrift in beroep volgt dat het college is begonnen met de toekenning van de nummeraanduiding aan de garagebox van [appellant], omdat hij naar aanleiding van de bekendmaking van het voornemen daartoe een zienswijze heeft ingediend en het college ervoor heeft gekozen de uitkomst van de juridische procedure die [appellant] is begonnen af te wachten alvorens aan de overige garageboxen een nummeraanduiding toe te kennen. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat niet aannemelijk is dat het college daartoe zal overgaan.

7.    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot vermeende fouten in de plankaart bij het bestemmingsplan "Kern Ochten" en andere bezwaren tegen dat bestemmingsplan dienen buiten beschouwing te blijven, nu die bezwaren buiten dit geding vallen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

317-598.