Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5874

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201206363/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoek Oud Bodegraafseweg-Overtocht" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201206363/1/T1/R4.

Datum uitspraak: 12 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Bodegraven,

en

de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoek Oud Bodegraafseweg-Overtocht" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. E.F.J.A.M. de Wit en G.P.J. van de Poll, en de raad, vertegenwoordigd door mr. Th.L. van Deursen en mr. H.W. Lauwers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en R.J.J. de Groot en G. de Gier, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.    Bij uitspraak van 16 maart 2011, in zaak nr. 201006022/1/R1, heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het besluit van de raad van 20 mei 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kern Bodegraven" vernietigd voor zover dit betrof het plandeel met de bestemming "Gemengd - 6" aan de [locatie] te Bodegraven alsmede het plandeel ten zuiden van [appellante] met de bestemming "Gemengd - 6" en de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden 26". Voorts heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 24 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen deze plandelen opnieuw vast te stellen.

Naar aanleiding hiervan is bij het plan voorzien in een planologische regeling voor het perceel aan de [locatie] en de percelen ten zuiden daarvan.

Bestemming Gemengd - 4

3.    [appellante] voert aan dat aan haar perceel aan de [locatie] te Bodegraven ten onrechte uitsluitend een bestemming als bakkerij is toegekend, aangezien het bedrijf aldus niet kan worden overgedragen ten behoeve van een andere vorm van detailhandel, zoals een slagerij of een modezaak.

3.1.    Aan het perceel [locatie], waar [appellante] is gevestigd, is de bestemming "Gemengd - 4" toegekend. Op de verbeelding zijn ter plaatse van dit perceel tevens de aanduidingen "detailhandel", "specifieke vorm van gemengd 1" en "cultuurhistorische waarden" opgenomen.

3.2.    Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder 3.1.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Gemengd - 4" aangewezen gronden bestemd voor:

a. dienstverlening;

b. detailhandel;

c. bedrijven;

d. wonen;

e. het behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische en monumentale waarden van gebouwen, ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorische waarden".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder 3.1.2, onder b, is detailhandel uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "detailhandel".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder 3.1.2, onder c, zijn naast de andere genoemde functies binnen deze bestemming uitsluitend de volgende bedrijven toegestaan:

1. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 1" is uitsluitend een bakkerij toegestaan.

3.3.    Nu aan het perceel niet alleen de aanduiding"specifieke vorm van gemengd 1", maar ook de aanduiding "detailhandel" is toegekend, volgt uit voormelde planregels dat ter plaatse niet alleen een bakkerij, maar tevens - onder meer - detailhandel is toegestaan. Voor zover [appellante] stelt dat de toegekende bestemming te beperkt is, omdat anders dan voor zover het een bakkerij betreft, bij detailhandel geen aanverwante bedrijvigheid mogelijk wordt gemaakt, overweegt de Afdeling dat deze stelling in zoverre op een onjuiste lezing van de term "detailhandel" berust dat hieronder ook ondergeschikte vormen van dienstverlening moeten worden geacht te zijn begrepen. De raad heeft er verder, gezien de situering binnen het kernwinkelgebied, in redelijkheid van kunnen afzien om naast de detailhandelsbestemming een bedrijfsbestemming aan het perceel toe te kennen. Het betoog faalt.

Bestemming Gemengd - 6

4.    [appellante] betoogt dat de ten zuiden van haar perceel voorziene bestemming "Gemengd - 6" waarbij een appartementencomplex met maximaal 26 wooneenheden kan worden gerealiseerd, zal leiden tot een beperking in haar bedrijfsvoering en een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de te realiseren appartementen. In dat verband stelt zij dat volgens haar, anders dan de raad meent, de bakkerij dient te worden aangemerkt als een categorie-B bedrijf met SBI-2003 code 1581. Tevens wijst zij erop dat met uitsluitend een vliesgevel aan de zijkant van het voorziene appartementencomplex de geluiduitstraling vanuit de bakkerij op de achterzijde van het appartementencomplex niet voldoende kan worden gereduceerd. Wat geur betreft betoogt [appellante] dat de toepasselijke voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 niet worden nageleefd en dat de raad miskent dat uitbreidingsplannen van de bakkerij wel degelijk aan de orde kunnen zijn dan wel sprake zal kunnen zijn van een opwaardering van de inrichting.

4.1.    De raad voert aan dat het relativiteitsvereiste, als bedoeld in artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), in de weg staat aan de behandeling van het betoog van [appellante] inzake geluid, omdat zij zich zou beroepen op rechtsregels die slechts zijn gericht op de bescherming van het woon- en leefklimaat van de - toekomstige - bewoners van het appartementencomplex tegen het geluid op de achtergevel.

4.2.    Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw, voor zover hier van belang, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In categorie 3, onder 3.1, van bijlage I van de Chw wordt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aangemerkt ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden. Nu het bestreden besluit de bouw van 26 wooneenheden mogelijk maakt is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op dit besluit.

Ingevolge artikel 1.9 van de Chw, dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

4.3.    Aan artikel 1.9 van de Chw kan, blijkens de tekst ervan, slechts toepassing worden gegeven indien de betrokken regel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 januari 2011, 201006426/1/R2, kan uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) worden afgeleid dat de wetgever met artikel 1.9 van de Chw de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

De door [appellante] ingeroepen normen voor geluid beogen zowel de belangen van omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat als de belangen van bedrijven bij een ongehinderde bedrijfsuitoefening te waarborgen. Deze normen strekken dan ook mede ter bescherming van de belangen van [appellante]. Anders dan de raad naar voren heeft gebracht, staat artikel 1.9 van de Chw in zoverre dan ook niet aan een mogelijke vernietiging van het besluit in de weg.

4.4.    De raad stelt dat het plangebied is aan te merken als een gebied met functiemening en dat de bakkerij op grond van bijlage 4 van de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering", editie 2009 (hierna: de VNG-brochure), is aan te merken als een categorie-A bedrijf met SBI-2008 code 4724, nu het een plaatselijke bakkerij betreft die bakt voor de eigen winkel en de lokale markt. De door [appellante] genoemde code heeft volgens de raad betrekking op bakkerijen die, anders dan onderhavige, een industrieel karakter hebben. Gelet op het voorgaande is het volgens de VNG-brochure toegestaan het bedrijf aan een woning te realiseren zonder dat sprake is van onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefklimaat, aldus de raad. In aanvulling hierop heeft de raad een akoestisch onderzoek laten uitvoeren. Uit dit onderzoek volgt volgens de raad dat na het toevoegen van een zogenaamde vliesgevel geen sprake is van een overschrijding van geluidnormen en dat binnenwaarden door de getroffen maatregelen aan de gevels van de nieuwbouw worden gewaarborgd. Hierbij wijst de raad erop dat in het plan is voorgeschreven dat het appartementencomplex alleen mag worden gebouwd in combinatie met deze vliesgevel.

4.5.    Aan gronden ten zuiden van de [locatie] is de bestemming "Gemengd - 6" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder 4.1.1, sub d, zijn de voor "Gemengd - 6" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder 4.1.2, sub c, voor zover hier van belang, geldt voor wonen dat het aantal woningen per bouwperceel ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" niet meer mag bedragen dan met deze aanduiding is aangegeven.

4.6.    In de plantoelichting wordt ten aanzien van milieuhinder verwezen naar de VNG-brochure. Niet in geschil is dat het betrokken gebied, gelet op de verschillende aanwezige functies, aangemerkt dient te worden als een "gebied met functiemenging" in de zin van de VNG-brochure. Binnen dergelijke gebieden zijn volgens de VNG-brochure de richtafstanden voor rustige woonwijken niet toepasbaar, maar wordt de toelaatbaarheid van milieubelastende functies beoordeeld aan de hand van drie milieucategorieën: A, B en C. Voor categorie A geldt dat deze bedrijfsactiviteiten zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. Bedrijfsactiviteiten die onder categorie B vallen, kunnen in een gemengd gebied worden uitgeoefend, maar hebben een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.

SBI-2003 code 1581 (SBI-2008 code 1071), waarnaar [appellante] verwijst, betreft "Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen, charge-ovens, v.c. < 7500 kg meel/week". SBI-2008 code 4724, waarnaar de raad verwijst, betreft "Detailhandel brood en banket met bakken voor eigen winkel". Ter zitting is gebleken dat de bakkerij uitsluitend bakt voor eigen gebruik alsmede levering aan restaurants en verenigingen. Gezien de omvang en ligging van het perceel bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming een bakkerij met een industrieel karakter mogelijk maakt. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de mogelijk gemaakte bakkerij valt onder SBI-2008 code 4724 en is beoordeeld als een categorie-A bedrijf, zodat de brochure er niet aan in de weg staat dat de bedrijfsactiviteiten aanpandig aan woningen worden uitgevoerd.

4.7.    In haar uitspraak van 16 maart 2011, in zaak nr. 201006022/1/R1, heeft de Afdeling onder meer als volgt overwogen:

"Ter zitting heeft de raad aangegeven dat sprake is van een overschrijding van de aanvaardbare geluid- en geurbelasting vanuit de bakkerij op de voorziene appartementen. De raad heeft daarbij gesteld dat deze belasting kan worden beperkt door maatregelen te treffen bij Bakkerij [appellante] en de voorziene appartementen. De Afdeling stelt echter vast dat de uitvoering van deze maatregelen bij realisering van het plan niet is gewaarborgd. Daartoe neemt de Afdeling in aanmerking dat niet aannemelijk is gemaakt dat de bij [appellante] te nemen maatregelen ter beperking van de geurbelasting zullen worden uitgevoerd. Voorts heeft de raad aangegeven dat in de verleende bouwvergunning een vliesgevel is opgenomen bij het appartementencomplex, ter voorkoming van een te hoge geluidbelasting op de eigenlijke gevel van dat complex. Hieruit volgt dat zonder het treffen van maatregelen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de appartementen kan worden gerealiseerd vanwege de geluiduitstraling van Bakkerij [appellante]. Nu het plan voor de gronden waarop de appartementen zijn voorzien evenwel geen voorschrift bevat op grond waarvan de geluidbelasting op de gevel van de appartementen vanwege Bakkerij [appellante] maximaal 50 d(B)A [lees: dB(A)] mag bedragen, de geluidwaarde die door de raad maximaal aanvaardbaar wordt geacht, wordt niet gewaarborgd dat ter plaatse van de appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In hetgeen Bakkerij [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en het niet berust op een deugdelijke motivering."

4.8.    Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, sub a, van de planregels wordt het appartementengebouw gedeeltelijk uitgevoerd met een vliesgevel en een dove gevel.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, sub b, wordt de vliesgevel gebouwd ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1".

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, sub c, wordt de dove gevel voor de eerste verdieping gebouwd ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 2".

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, sub d, wordt de dove gevel voor de tweede verdieping gebouwd ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 3".

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, sub e, moeten zowel de vliesgevel als de dove gevel worden gebouwd in overeenstemming met de in Bijlage 1 Bouwtekeningen met betrekking tot dove gevel en vliesgevel opgenomen bouwtekeningen en akoestische rapportage.

4.9.    Onder verwijzing naar de akoestische rapporten van adviesbureau Acoustical Measurements and Predictions van 28 augustus 2008, AV.0358-1, 3 november 2009, AV.0358-3, 8 januari 2010, AV.0358-4 en 31 augustus 2012, AV.0358-5, welk laatste rapport bij brief van 11 september 2012 door de Omgevingsdienst Midden-Holland in orde is bevonden, stelt de raad dat met de in artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, genoemde voorzieningen geen sprake zal zijn van overschrijding van geluidnormen en binnenwaarden. Nu het plan voor de gronden waarop de appartementen zijn voorzien geen voorschrift bevat op grond waarvan de geluidbelasting op de gevel van de appartementen vanwege [appellante] maximaal 50 dB(A) mag bedragen, de geluidwaarde die door de raad maximaal aanvaardbaar wordt geacht, wordt echter niet gewaarborgd dat ter plaatse van de appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen zonder de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en het in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering.

4.10.    Ten aanzien van geur heeft de raad zich anders dan in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de uitspraak van 16 maart 2011, in zaak nr. 201006022/1/R1, op het standpunt gesteld dat zich geen overschrijding van de aanvaardbare geurbelasting vanuit de bakkerij voordoet op de voorziene appartementen, waarbij de raad zich - anders dan ten aanzien van het aspect geluid - uitsluitend heeft beroepen op de VNG-brochure. Aldus heeft de raad in het onderhavige geval niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van de voorziene appartementen geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geuroverlast ten gevolge van de bakkerij en dat de uitvoering van maatregelen hiertegen bij realisering van het plan niet behoeft te zijn gewaarborgd. Het bestreden besluit is ook in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen zonder de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en berust ook in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet op een deugdelijke motivering.

4.11.    Bezwaren die betrekking hebben op het Bouwbesluit 2012 kunnen pas aan de orde komen bij een procedure omtrent een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Derhalve moeten de bezwaren in deze procedure buiten beschouwing blijven.

5.    [appellante] betoogt dat niet is voldaan aan de toepasselijke parkeernorm van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek (hierna: CROW) en dat gelet daarop het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen.

5.1.    De raad stelt dat in 1999 een stedenbouwkundige visie is opgesteld voor het zuidelijke deel van het centrum. Deze visie is nader uitgewerkt, hetgeen heeft geresulteerd in vier te ontwikkelen bouwplannen, waar ook het bouwplan voor het appartementencomplex onderdeel van uitmaakt. De vier bouwplannen vormen één ontwikkeling waarvoor een sluitende parkeerbalans was opgesteld. Doordat vanwege marktomstandigheden en aanwezige archeologische waarden het bouwplan voor het appartementencomplex is gewijzigd, in verband waarmee het onderhavige bestemmingsplan 7 extra appartementen mogelijk maakt, is een aanvullende parkeerberekening gemaakt. Volgens de CROW-norm zijn 9 extra parkeerplaatsen nodig om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Voor de totale ontwikkeling van de vier bouwplannen bestaat een behoefte aan 79,5 parkeerplaatsen, aldus de raad. Volgens de raad wordt voorzien in 68 plaatsen in parkeergarages en 11 plaatsen in de blauwe zone, waar alleen overdag een beperking aan de parkeerduur is gesteld tot maximaal 1½ uur. Voorts is op geringe afstand een parkeerterrein gelegen achter de Albert Heijn supermarkt.

5.2.    De Afdeling overweegt dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de raad bij de berekening van het benodigde en beschikbare aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Gelet daarop bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat is voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Het betoog faalt.

6.    Voorts stelt [appellante] dat vernatting van haar gronden zal optreden, vanwege het verdwijnen van direct zonlicht in de tuin door de hoogte van de in het plan toegestane bebouwing.

6.1.    De raad verwijst voor zover de vernatting te maken zou hebben met verminderd zonlicht naar het onderzoek van Climatic Design Consult van 24 november 2011 naar bezonning ter plaatse van [locatie], bakkerij [appellante]. Op basis van dit onderzoek is er volgens de raad geen reden om aan te nemen dat er vanwege te weinig zonlicht, als gevolg van de bebouwing die het plan mogelijk maakt, sprake is van te weinig verdamping waardoor er sprake zou zijn van een, ontoelaatbare, vernatting van de gronden op het perceel [locatie].

6.2.    In het onderzoek van Climatic Design Consult van 24 november 2011, waarnaar de raad verwijst, wordt op het aspect vernatting niet ingegaan. Weliswaar heeft de raad bij nadere memorie nog een aantal foto’s ingezonden waaruit volgens de raad blijkt dat het perceel van [appellante] reeds thans bijna volledig beschut ligt en de gronden van de begraafplaats achter de tuin van [appellante] hoger liggen dan de gronden van [appellante], waardoor volgens de raad reeds thans sprake kan zijn van vernatting. Verder heeft de raad in de memorie gesteld dat de gronden waarop het appartementengebouw is voorzien zullen afwateren op een gemengd rioolstelsel. Hiermee is de invloed van de mogelijk gemaakte bebouwing op de vochtigheid van de gronden op het perceel [locatie] in verband met de mate van bezonning naar het oordeel van de Afdeling echter niet naar behoren onderzocht en beoordeeld. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen zonder de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en berust het in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet op een deugdelijke motivering.

7.    [appellante] betoogt dat de raad het besluit, door niet te zoeken naar passende oplossingen, heeft genomen in strijd met het verbod van vooringenomenheid. Voorts drukken de lasten van het besluit volgens [appellante] onevenredig zwaar op haar.

7.1.    Gezien hetgeen hiervoor is overwogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan heeft vastgesteld in strijd met het verbod van vooringenomenheid.

Voor zover [appellante] betoogt dat zij financiële schade lijdt als gevolg van het plan, bestaat gelet op het voorgaande evenmin grond voor de verwachting dat de schade zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

De betogen falen.

Conclusie

8.    In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de aan gronden ten zuiden van de [locatie] toegekende bestemming "Gemengd - 6" in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen zonder de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering.

In hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

9.    Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak alsnog:

- met inachtneming van hetgeen onder 4.9, 4.10 en 6.2 is overwogen alsnog te onderzoeken en toereikend te motiveren waarom de bestemming "Gemengd - 6" aan gronden ten zuiden van de [locatie] kan worden toegekend, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling voor het desbetreffende plandeel met de bestemming "Gemengd - 6".

De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst van de uitvoering van de voormelde opdracht mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

10.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 9 de daar omschreven gebreken te herstellen en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx    w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

271-718.