Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201202578/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft de Svb het verzoek van [verzoeker] tot vaststelling van de verschuldigdheid van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201202578/1/A3.

Datum uitspraak: 12 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de Svb),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 8 februari 2012 in zaak nr. 11/806 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Goor, gemeente Hof van Twente,

en

de Svb.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft de Svb het verzoek van [verzoeker] tot vaststelling van de verschuldigdheid van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), afgewezen.

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft de Svb het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 februari 2012 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 mei 2011 vernietigd, de door de Svb aan [verzoeker] verschuldigde dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn Wob-verzoek vastgesteld op € 1.260,00

en bepaald dat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Svb hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2012, waar de Svb, vertegenwoordigd door A. van der Weerd, werkzaam bij de Svb, is verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verbeurt, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, is geen dwangsom verschuldigd, indien de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege, voor zover dit persoonsgegevens betreft, als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder e, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

2.    [verzoeker] heeft de Svb bij brief van 2 oktober 2010 op grond van de Wob verzocht om toezending van alle documenten die zien op zijn aanvraag om ouderdomspensioen en op de besluiten tot verlening en tot schorsing van de betaling van dat pensioen. Bij brief van 22 november 2010 heeft hij de Svb in gebreke gesteld wegens het niet tijdig verstrekken van de gevraagde informatie. Bij brief van 20 december 2010 heeft hij van de Svb een dwangsom wegens het niet tijdig verstrekken van deze informatie opgeëist.

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft de Svb [verzoeker]s verzoek om informatie op grond van de Wob afgewezen en de gevraagde informatie met toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens aan hem verstrekt.

3.    Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker] om vaststelling van de verschuldigdheid van een dwangsom heeft de Svb ten grondslag gelegd dat de Wob niet van toepassing is op [verzoeker]s verzoek om informatie, omdat dat verzoek geen betrekking heeft op een bestuurlijke aangelegenheid. Gelet hierop is het Wob-verzoek kennelijk ongegrond en is ingevolge artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb, ondanks het feit dat niet tijdig op het Wob-verzoek is besloten, hiervoor geen dwangsom verschuldigd, aldus de Svb.

4.    De Svb bestrijdt tevergeefs het oordeel van de rechtbank dat de stukken waarom [verzoeker] heeft verzocht, zien op een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 3 oktober 2007 in zaak nr. 200701294/1, moet de term bestuurlijk bij de toepassing van de Wob ruim worden opgevat en heeft deze betrekking op het openbaar bestuur in al zijn facetten.

De gevraagde stukken zien op de uitvoering van de publieke taak van de Svb inzake het uitkeren van AOW-pensioenen. Deze stukken moeten dan ook worden aangemerkt als documenten over een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet kennelijk is dat de Wob niet op [verzoeker]s verzoek om informatie van toepassing is, zodat het besluit van 20 mei 2011 niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Dat, zoals de Svb aanvoert, de gevraagde informatie niet aan een ieder openbaar gemaakt kan worden, omdat deze persoonsgegevens betreft en de persoonlijke levenssfeer van [verzoeker] aan die openbaarmaking in de weg staat, laat het vorenstaande onverlet. In artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob wordt voorzien in de mogelijkheid in deze gevallen openbaarmaking van de gevraagde informatie te weigeren.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

317-598.