Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201206012/1/R1 en 201206012/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2011 heeft de raad het verzoek van [appellant] om het bestemmingsplan "Den Hoorn, beschermd dorpsgezicht" te herzien ten behoeve van een maïsdoolhof op zijn gronden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201206012/1/R1 en 201206012/2/R1.

Datum uitspraak: 7 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Texel,

en

de raad van de gemeente Texel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2011 heeft de raad het verzoek van [appellant] om het bestemmingsplan "Den Hoorn, beschermd dorpsgezicht" te herzien ten behoeve van een maïsdoolhof op zijn gronden afgewezen.

Bij besluit van 15 februari 2012 heeft de raad het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. [appellant] heeft voorts de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 september 2012, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte zijn verzoek om het plan te herzien heeft afgewezen. Hiertoe voert hij aan dat agrarische verbreding, zoals een maïsdoolhof, in de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid past. Volgens [appellant] ziet zijn verzoek op een maïsdoolhof zonder bouwwerken. Voorts maakt het bestemmingsplan volgens hem agrarische verbreding op zijn gronden mogelijk. Verder is het niet toestaan van een maïsdoolhof op zijn gronden volgens [appellant] in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat op een andere locatie wel een maïsdoolhof is toegestaan en op het naastgelegen perceel boerengolf wordt toegestaan. Ook wijst [appellant] erop dat de gronden tussen het Lagewegje en Den Hoorn, waaronder zijn gronden, worden gebruikt voor evenementen.

2.1.    Volgens de raad heeft hij het verzoek van [appellant] afgewezen, omdat dit op een maïsdoolhof met de bijbehorende bouwwerken ziet. Als gevolg van het oprichten van bouwwerken zouden de cultuurhistorische waarden van de gronden worden aangetast. Ook zou het toestaan van een maïsdoolhof volgens de raad tot een ongewenste precedentwerking leiden. Voorts is het maïsdoolhof op de andere locatie volgens de raad geen gelijke situatie. Het boerengolf op het naastgelegen perceel leidt volgens de raad niet tot een aantasting van de cultuurhistorische waarden, omdat de uitvalsbasis voor het boerengolf een bestaand restaurant is. Verder wijst de raad erop dat een evenement van korte duur is.

2.2.    De gronden van [appellant] liggen tussen [locatie 1] en het [locatie 2]. Aan de gronden van [appellant] is in het bestemmingsplan de bestemming "Agrarische doeleinden" toegekend.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor  "Agrarische doeleinden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden, behoud en het herstel van de aan de gronden en gebouwen eigen historische, karakteristieke en/of landschappelijke waarden.

2.3.    Voor zover [appellant] betoogt dat een maïsdoolhof met het bijbehorende gebruik en bouwwerken op zijn gronden in overeenstemming is met het bestemmingsplan, overweegt de voorzitter dat in deze procedure alleen de afwijzing door de raad van het verzoek van [appellant] om het geldende plan te herzien aan de orde is. De vraag of een maïsdoolhof met het bijbehorende gebruik en bouwwerken op de gronden in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan komt aan de orde in een procedure over eventueel handhavend optreden.

2.4.    Gelet op de beleidsvrijheid die de raad toekomt bij het besluit omtrent vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, heeft de raad in redelijkheid het verzoek van [appellant] om het plan te herzien ten behoeve van een maïsdoolhof op zijn gronden kunnen afwijzen. Anders dan [appellant] aanvoert, ziet zijn verzoek niet alleen op een maïsdoolhof en het daarbij behorende gebruik, maar ook op bijbehorende bouwwerken. In zijn brief van 20 december 2010 aan het college van burgemeester en wethouders spreekt [appellant] niet alleen over een maïsdoolhof, maar ook over voorzieningen die nodig zijn voor het maïsdoolhof. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bouwwerken op de gronden van [appellant] de cultuurhistorische waarde van de gronden zouden aantasten. De omstandigheid dat het gemeentelijk beleid is gericht op de bevordering van agrarische verbreding betekent niet dat elke vorm van agrarische verbreding in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid. Wat betreft de vergelijking die [appellant] heeft gemaakt met een maïsdoolhof op een andere locatie wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat die locatie geen cultuurhistorische waarde heeft. Voor zover [appellant] erop wijst dat op het naastgelegen perceel boerengolf wordt toegestaan, wordt overwogen dat de uitvalsbasis voor het boerengolf een bestaand restaurant is, zodat daarvoor geen nieuwe bouwwerken hoeven te worden opgericht. De voorzitter overweegt voorts dat de ruimtelijke uitstraling van een evenement en een maïsdoolhof met bijbehorende bouwwerken van elkaar verschillen, omdat een evenement van korte duur is, terwijl een maïsdoolhof gedurende langere tijd kan worden gebruikt. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties niet overeenkomen met het thans aan de orde zijnde verzoek.

Mede gelet op het belang van het behoud van de cultuurhistorische waarde van de gronden en het belang van het voorkomen van precedentwerking, heeft de raad in redelijkheid het verzoek van [appellant] kunnen afwijzen. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant] geen bespreking.

3.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman    w.g. Bosnjakovic

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012

410-703.