Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5859

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201111857/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2011, kenmerk 2011-IXA-8, heeft de raad het bestemmingsplan "Hart van Dirksland" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2013/21 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden

Uitspraak

201111857/1/R4.

Datum uitspraak: 12 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de stichting Stichting tot bescherming van het dorpsgezicht, gevestigd te Sommelsdijk, gemeente Middelharnis,

2.    [appellante sub 2] en anderen, wonend te Dirksland,

en

1.    de raad van de gemeente Dirksland,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Dirksland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2011, kenmerk 2011-IXA-8, heeft de raad het bestemmingsplan "Hart van Dirksland" vastgesteld.

Bij besluiten van 16 september 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dirksland twee omgevingsvergunningen voor het slopen van bouwwerken en het bouwen van bouwwerken verleend.

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft de raad besloten voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen de besluiten van 8 en 16 september 2011 hebben de stichting en [appellante sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2012, waar de stichting, vertegenwoordigd door dr. M. Loosjes, en [appellante sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door M.J. Trouwborst, bijgestaan door mr. A.A.J. van Dijk, advocaat te Middelburg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de woningbouwvereniging FidesWonen (voorheen: woningbouwvereniging Dirksland), vertegenwoordigd door drs. K.W. Bosch, bijgestaan door mr. T.J.P. Grünbauer, advocaat te Ede, en ir. K Ratsma, als partij gehoord.

Overwegingen

Bevoegdheid

1.    Ter zitting hebben de stichting en [appellante sub 2] en anderen hun beroepsgronden over de vermeende onbevoegdheid van de Afdeling met betrekking tot de beoordeling van de beroepen tegen de gecoördineerde  besluiten ingetrokken.

Het plan

2.    Met het plan wordt beoogd de bouw van 23 appartementen en maatschappelijke voorzieningen op het zogenoemde blok A, gelegen aan het Achterdorp en de Burgemeester C. Zaaijerlaan te Dirksland, mogelijk te maken. Daarnaast voorziet het plan in de bouw van 14 starterswoningen ter plaatse van het zogenoemde blok B, gelegen aan de Kattewacht te Dirksland.

Procedureel

3.    De stichting voert aan dat zij, ondanks haar uitdrukkelijke verzoek, ten onrechte niet over de door haar naar voren gebrachte zienswijze is gehoord.

3.1.    Ingevolge artikel 3.31, derde lid, van de Wro, voor zover van belang, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing op de voorbereiding van gecoördineerde besluiten.

Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

3.2.    De uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb voorziet niet in een recht voor degenen die schriftelijke zienswijzen naar voren hebben gebracht om te worden gehoord onderscheidenlijk een nadere mondelinge toelichting op de zienswijze te geven. Dat de stichting hier uitdrukkelijk om heeft verzocht, brengt niet met zich dat de raad gehouden was om de stichting te horen.

4.    De stichting en [appellante sub 2] en anderen betogen dat de gevolgde procedure verwarrend en onduidelijk was.

De stichting voert in dat kader aan dat na de tweede terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan onduidelijkheid is ontstaan over de geldigheid van de door haar naar voren gebrachte zienswijze en dat het verwarrend was dat de termijn van terinzagelegging werd verlengd.

De stichting voert voorts aan dat het documentatiemateriaal over het plan dat de woningbouwvereniging heeft verspreid, de zogenoemde artist's impressions, een vertekend beeld geven van de werkelijkheid en dat de raad hierdoor bij het vaststellen van het plan is misleid.

[appellante sub 2] en anderen voeren aan dat het verwarrend is dat er gelijktijdig met de vaststelling van het onderhavige plan ook een procedure liep voor het bestemmingsplan "Dorpsgebied Dirksland" en dat er twee verschillende exemplaren van een omgevingsvergunning zijn verzonden.

4.1.    Geen wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat de raad nogmaals een ontwerpbestemmingsplan ter inzage legt met het oog op de toepassing van de coördinatieregeling, de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan verlengt omdat dit door technische omstandigheden niet op tijd digitaal beschikbaar is en aan degenen die eerder zienswijzen naar voren hebben gebracht vraagt of zij die willen handhaven bij de tweede terinzagelegging.

Voorts bieden de Wro en de Awb geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad naast deze procedure niet een procedure in gang had mogen zetten voor het bestemmingsplan "Dorpsgebied Dirksland", dat geen betrekking heeft op gronden die zijn begrepen in het voorliggende plan.

Voorts acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de raad, afgaand op de bedoelde "artist's impressions", het plan heeft vastgesteld onder een verkeerde voorstelling van zaken.

Voor zover [appellante sub 2] en anderen aanvoeren dat er twee verschillende exemplaren van een omgevingsvergunning zijn verzonden, overweegt de Afdeling dat het college bij zijn besluiten van 16 september 2011 twee omgevingsvergunningen heeft verleend, waarvan  één voor het realiseren van 23 appartementen in het zogenoemde blok A en één voor het realiseren van 14 woningen in het zogenoemde blok B. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), noch enige andere wettelijke regeling verzet zich tegen deze handelwijze. Het betoog van de stichting en [appellante sub 2] en anderen faalt.

Strijd met provinciaal beleid

5.    [appellante sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat volgens hen geen behoefte bestaat aan de daarin voorziene woningen. Volgens hen bestaat het aantal actieve woningzoekenden in de gemeente Dirksland uit 237 personen en voorzien de plannen "Spuikolk" en "Zuidrand" reeds in de woningbehoefte door de bouw van onderscheidenlijk 120 en 200 woningen. Zij voeren voorts aan, onder verwijzing naar de Woonvisie 2011-2020 van de provincie Zuid-Holland (hierna: Woonvisie), dat de woningbehoefte uitgangspunt moet zijn voor woningbouw en dat het teveel aan plancapaciteit in zoverre dient te worden teruggebracht.

De stichting richt zich in beroep tegen het mogelijk maken van nieuwbouw in het zogenoemde blok A, aan het Achterdorp en de Burgemeester C. Zaaijerlaan, en kan zich niet verenigen met het aantal woningen dat daar mogelijk wordt gemaakt. Zij voert aan dat het voorziene aantal woningen is gebaseerd op de verrekening van eerder voor deze locatie gemaakte kosten en niet op een aantoonbare woningbehoefte. Zij wijst daarbij op leegstand van woningen in Dirksland, op het feit dat Dirksland deel uitmaakt van een zogenoemd krimpgebied en op nieuwbouw aan de zuidrand van Dirksland.

5.1.    De raad stelt zich, aan de hand van een door de woningbouwvereniging geactualiseerd overzicht, op het standpunt dat per 19 oktober 2011 voor het dorp Dirksland 31 personen als actief woningzoekende staan ingeschreven voor een appartement en 26 personen voor een eengezinswoning. Voorts wijst de raad erop dat de ontwikkelingen in het voorliggende plan een ander segment betreffen dan de ontwikkelingen van de plannen "Zuidrand", "Spuikolk" en "De Nieuwe Gooye".

5.2.    De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

Het plan voorziet in 14 eengezinswoningen, waarbij volgens de plantoelichting uitgangspunt is dat 7 huur- en 7 koopwoningen worden gerealiseerd. De doelgroep voor deze woningen vormen de starters op de woningmarkt. In samenhang met de maatschappelijke functies worden in het plan verder 15 huur- en 8 koopappartementen gerealiseerd.

Volgens de plantoelichting registreert de woningbouwvereniging Dirksland nauwgezet een aantal gegevens van woningzoekenden. Deze registratie wordt jaarlijks geactualiseerd. In juli 2010 stonden volgens de toelichting 237 personen als actief woningzoekende, en 371 personen als passief woningzoekende ingeschreven bij de woningbouwvereniging. Van de actief woningzoekenden wenst 75% een woning in Dirksland. De grootste groep woningzoekenden zit in de leeftijdsgroep van 21-30 jaar, op de voet gevolgd door de groep van 61-70 jaar, aldus de plantoelichting.

Het woningbouwprogramma sluit volgens de plantoelichting aan bij de woningbehoefte van de leeftijdsgroepen van 21-30 en 61-70 jaar, want dit voorziet zowel in de vraag naar eengezinswoningen van starters als in de vraag naar appartementen van vooral de oudere leeftijdsgroepen.

De stichting en [appellante sub 2] en anderen hebben met hetgeen zij hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat deze gegevens onjuist zijn.

Voor zover [appellante sub 2] en anderen wijzen op de Woonvisie, overweegt de Afdeling dat daarin geen concrete beperking is opgenomen voor woningbouw in de bebouwde kom van Dirksland. Voorts geldt volgens de Woonvisie voor de sociale doelgroep met huishoudens met een jaarinkomen onder modaal en de lage middeninkomens niet dat de woningmarkt een vraagmarkt is. Voor deze twee doelgroepen blijft het een aanbodmarkt, aldus de Woonvisie.

De raad heeft zich gezien het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het provinciaal beleid in zoverre niet in de weg staat aan het in het plan opgenomen aantal woningen.

Strijd met gemeentelijk en regionaal beleid

6.    De stichting voert aan dat het plan, voor zover daarin is voorzien in de mogelijkheden voor nieuwbouw in blok A, in strijd met gemeentelijk beleid is vastgesteld, omdat volgens haar voor bouwen nabij monumenten een beeldruimte geldt van 50 m. Zij vreest dat de nieuwbouw monumenten,  zoals de kerk en de vroegere pastorie aan de Ring, zal verdrukken. Voorts is het plan volgens haar in strijd met het streven om verdichting in kernen te voorkomen, zoals weergegeven in de structuurvisie Goeree-Overflakkee.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de 50 m beeldruimte een richtlijn is waarvan hij kan afwijken. De raad onderkent dat de kerk en de vroegere pastorie in belangrijke mate beeldbepalend zijn voor het aangezicht van de Ring en stelt dat de waarde daarvan niet teniet zal gaan door de in het plan voorziene afstand tussen die gebouwen en de nieuwbouw in blok A. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat enige verdichting niet is uitgesloten in de structuurvisie.

6.2.    De raad heeft bij het vaststellingsbesluit rekening gehouden met de gebouwen die beeldbepalend zijn en is daarbij welbewust afgeweken van de 50 m beeldruimte. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de nieuwbouw in blok A leidt tot een zodanige aantasting van de beeldruimte dat de raad niet op de in het plan voorziene wijze heeft kunnen afwijken van de aanbevolen afstand van 50 m.

6.3.    Volgens bladzijde 61 van de structuurvisie liggen er in de dorpsgebieden nog herstructureringsopgaven. Dat betreft volgens de structuurvisie deels verouderde woningvoorraad van particuliere huizenbezitters en corporaties inclusief de omringende openbare ruimte. Daarnaast bieden sommige kernen nog inbreidingsruimte.

De "verzorgingskern" Dirksland is volgens bladzijde 57 van de structuurvisie een kern met een relatief sterke woningmarktpositie. Volgens de structuurvisie ligt het vanuit woonwensen en woningmarktoverwegingen in de rede om de woningbouwopgave vooral te concentreren in kernen met een sterke woningmarktpositie. Hieruit volgt dat de structuurvisie de mogelijkheid openlaat af te wijken van het streven om verdichting te voorkomen wanneer sprake is van een kern met een sterke woningmarktpositie. Nu de kern van Dirksland in de structuurvisie wordt aangemerkt als kern met een relatief sterke woningmarktpositie, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan, voor zover daarin is voorzien in mogelijkheden voor nieuwbouw in blok A, onvoldoende rekening heeft gehouden met de structuurvisie.

Alternatieven

7.    De stichting en [appellante sub 2] en anderen voeren aan dat de raad met betrekking tot het plan, voor zover daarin is voorzien in de mogelijkheid voor nieuwbouw in blok A, onvoldoende alternatieven heeft onderzocht. Zij wijzen in dat verband op het alternatief "Het hart voor Achterdorp", dat de stichting op 7 september 2011 heeft overgelegd aan de raad en op 8 september 2011 in de raadsvergadering heeft toegelicht. Desondanks heeft de raad op 8 september 2011 het plan vastgesteld, aldus de stichting.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de keuze voor de nieuwbouw in blok A op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

7.2.    De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Uit de brief van 27 mei 2008 van het college aan de raad volgt dat in de periode tussen september 2007 en april 2008 een aantal varianten is onderzocht. Volgens dat onderzoek blijkt dat herbestemming van de bestaande panden, gelet op de verhouding tussen kosten en opbrengsten, niet haalbaar is en dat nieuwbouw met behoud van de bestaande gevels het karakter van de gevels zodanig aantast, dat dit geen reële optie is. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende alternatieven voor het plan in zijn afweging heeft betrokken. Ook voor zover de stichting en [appellante sub 2] hebben gewezen op het alternatief "Het hart voor Achterdorp" zijn er, mede gezien de korte tijd tussen het indienen van dat alternatief en de raadsvergadering waarin over vaststelling van het plan zou worden besloten, geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de raad in onvoldoende mate alternatieven bij de besluitvorming heeft betrokken.

Ruimtelijke inpassing

8.    De stichting en [appellante sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met de ruimtelijke inpassing van de nieuwbouw in blok A. Ze voeren in dat kader aan dat de beoogde bebouwing aan de westzijde van het Achterdorp te massaal is en de toegestane maximale bouwhoogtes van onderscheidenlijk 10 m en 15 m te hoog, omdat deze zich niet verdragen met de bij raadsbesluit van 26 juni 2008 gewijzigde stedenbouwkundige uitgangspunten (hierna: stedenbouwkundige uitgangspunten) en deze bouwhoogtes in de omgeving niet voorkomen. Zij vrezen precedentwerking en betogen dat de raad met twee maten meet, omdat in het in procedure zijnde bestemmingsplan "Dorpsgebied Dirksland" in afwijkende maximale bouwhoogtes voor bebouwing aan de oostzijde van het Achterdorp is voorzien.  

Voorts betogen zij dat de platte daken, de inpandige balkons en andere terugspringende geveldelen niet passen in de omgeving en stedenbouwkundige structuur van Dirksland en dat wordt afgeweken van de bestaande knik in de rooilijn, hetgeen tot gevolg heeft dat deze rooilijn verdwijnt, het historisch grondpatroon wordt aangetast en het straatbeeld wordt ontsierd. Het plan bevat weliswaar een kleine verspringing in de bebouwing, maar de knik in de rooilijn wordt daarmee niet hersteld, aldus [appellante sub 2] en anderen.

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan voorziene ontwikkeling bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit, de identiteit en de vitaliteit van de kern van Dirksland en wijst daarbij op de verticale geleding die in het complex aan de westzijde van het Achterdorp wordt aangebracht, waardoor, in samenhang met de afwisseling in kleur- en materiaalgebruik en de verspringingen in de gevel van de bovenste bouwlaag, het beeld van individuele panden ontstaat. Dat sluit volgens de raad aan bij bebouwing elders in de oude dorpskern waar de gevels eveneens in hoogte verschillen. Volgens de raad biedt de hogere bebouwing op de hoek van de Burgemeester C. Zaaijerlaan en het Achterdorp de mogelijkheid om door middel van een kap een duidelijk accent in de nieuwbouw aan te brengen en de hoek te markeren. De raad heeft uiteengezet dat daarom alleen voor dit hoekpand is gekozen om af te wijken van de in de stedenbouwkundige uitgangspunten vastgestelde goot- en bouwhoogte. De raad acht een bouwhoogte van 15 m en een goothoogte van 10 m voor dit hoekpand aanvaardbaar.

8.2.    Het plan voorziet voor het perceel, gelegen op de kruising Burgemeester C. Zaaijerlaan-Achterdorp, in de bestemming "Gemengd".

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a tot en met d, van de planregels, zijn de voor deze bestemming aangewezen gronden onder meer bestemd voor maatschappelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.2.1, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met de verbeelding, is voor het perceel voorzien in een maximale goot- en bouwhoogte van 10 m onderscheidenlijk 15 m.

8.3.    In de stedenbouwkundige uitgangspunten zijn in hoofdstuk 5 de stedenbouwkundige randvoorwaarden weergegeven. Daarin is weergegeven dat de goothoogte op circa 7 m komt (6,5 m ten opzichte van het Achterdorp, vanwege het verschil in hoogteligging tussen het Achterdorp en de lager gelegen Kattewacht). De raad is in het plan hiervan afgeweken en heeft voor het pand op de hoek van de Burgemeester C. Zaaijerlaan en het Achterdorp een maximale goothoogte van 10 m en een maximale bouwhoogte van 15 m vastgesteld.

8.4.    Volgens de plantoelichting wordt op de hoek een markant gebouw gerealiseerd met drie bouwlagen met kap. De bebouwing langs het Achterdorp heeft verder een bescheidener karakter. Deze bestaat weliswaar uit drie bouwlagen, maar de kap ontbreekt, aldus de plantoelichting. Gezien het voorgaande heeft de raad, na afweging van alle betrokken belangen, er welbewust voor gekozen om de nieuwe bebouwing met een hoger hoekpand te accentueren, en in zoverre af te wijken van de in de stedenbouwkundige uitgangspunten vastgestelde bouwhoogte. In hetgeen de stichting en [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de maximale bouwhoogte in zoverre niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad alleen voor het hoekpand aan de kruising Burgemeester C. Zaaijerlaan-Achterdorp afwijkt van de in de stedenbouwkundige uitgangspunten vastgestelde maximale bouwhoogte. Voor zover de stichting en [appellante sub 2] en anderen aanvoeren dat aan de oostzijde van het Achterdorp in het bestemmingsplan "Dirksland" in een afwijkende maximale bouwhoogte is voorzien, overweegt de Afdeling dat de raad hier ten aanzien van dit plan niet aan gebonden is.

8.5.     Volgens de plantoelichting dient de nieuwe invulling van het Achterdorp een openbaar karakter te krijgen, waarbij de openbare ruimte niet concurreert met de centrale en karakteristieke kerkring. De oorspronkelijke rooilijn vormt daarbij een belangrijk uitgangspunt. Volgens de raad blijft in de aansluiting van het trottoir op de rijbaan de knik gehandhaafd, zodat deze in het straatbeeld terugkomt. Het aanbrengen van dezelfde knik in het gebouw is volgens de raad niet haalbaar. Technisch maakt het aanbrengen van een kleine knik in de orde van grootte van ongeveer 1 graad de bouw volgens de raad aanzienlijk gecompliceerder dan het aanbrengen van enkele verspringingen. Daarom is afgezien van het aanbrengen van een knik in het gebouw. Door een kleine variatie in het woningtype, de deels terugspringende bovenste bouwlaag en een verschillend kleurgebruik, ontstaat een 'pandjesstructuur' en wordt volgens de toelichting qua schaal en karakter een goede aansluiting met de omgeving bewerkstelligd. In hetgeen de stichting en [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet op deze wijze tot de in het plan voorziene rooilijn heeft mogen besluiten.

Archeologische waarden

9.     De stichting en [appellante sub 2] en anderen betogen dat het plan, voor zover daarin is voorzien in de sloop van panden en de mogelijkheid van nieuwbouw in blok A, zal leiden tot aantasting van de aanwezige archeologische waarden nu op grond van het plan ontgravingen kunnen plaatsvinden. Volgens hen zijn de Nederlands wet- en regelgeving en het plan in zoverre in strijd met het Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, ondertekend te Valetta, Malta (hierna: Verdrag van Malta). Volgens hen moet volgens dit verdrag de voorkeur worden gegeven aan behoud van het archeologisch erfgoed op de oorspronkelijke plaats (in situ). Volgens [appellante sub 2] is dat ook de strekking van de regionale Archeologienota en de Erfgoedverordening van de gemeente.  [appellante sub 2] en anderen voeren aan dat het plan in zoverre niet in overeenstemming is met artikel 3, lid b, van het Verdrag van Malta.

9.1.    Volgens de plantoelichting is het niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied nog archeologische resten voorkomen, hoewel bij het aanleggen van funderingen resten kunnen zijn aangetast. Aangezien het plangebied voor een deel nog is bebouwd, is een inventariserend veldonderzoek volgens de plantoelichting uit praktisch oogpunt niet goed uitvoerbaar. Bij de sloop van de huidige bebouwing kunnen echter de eventueel aanwezige archeologische resten worden aangetast, aangezien deze zich naar verwachting relatief ondiep ten opzichte van het maaiveld zullen bevinden. Daarom is volgens de plantoelichting geadviseerd om de grondwerkzaamheden archeologisch te begeleiden, zodat de op het bureauonderzoek gebaseerde gespecificeerde verwachting voldoende kan worden aangevuld en getoetst. De archeologische begeleiding dient volgens de plantoelichting hetzelfde doel als een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven. Dit betekent dat, indien bij de civiele werkzaamheden toch vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en, voor zover de werkzaamheden dat toelaten, worden gedocumenteerd. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen, aldus de plantoelichting.

9.2.    Aan het deel van het plangebied waar de nieuwbouw van blok A is voorzien, is de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie-3" toegekend. Ingevolge artikel 7 van de planregels mag op de betrokken gronden uitsluitend worden gebouwd indien de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, en de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad dan wel mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

9.3.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover daarin is voorzien in de sloop van panden en de mogelijkheid van nieuwbouw in blok A, geen ernstige inbreuk op de ter plaatse aanwezige archeologische waarden met zich brengt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan het desbetreffende deel van het plangebied de bestemming "Waarde-Archeologie-3" is toegekend, op grond waarvan niet mag worden gebouwd dan wel werken en werkzaamheden worden uitgevoerd indien de aanwezige archeologische waarden worden geschaad dan wel mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de daarvoor benodigde vergunning regels te verbinden.

Op 1 september 2007 is de Monumentenwet 1988 ten behoeve van de archeologische monumentenzorg mede in verband met de implementatie van het Verdrag van Malta gewijzigd. Daarbij zijn in die wet bepalingen opgenomen ten behoeve van een betere bescherming van archeologische waarden. Uit de Monumentenwet 1988 noch het Verdrag van Malta volgt dat archeologische waarden altijd in de grond behouden moeten blijven. Wel dient de raad rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt daaraan in dit geval voldaan.

Cultuurhistorische waarden

10.    De stichting en [appellante sub 2] en anderen betogen dat het plan, voor zover daarin is voorzien in de mogelijkheid van nieuwbouw in blok A, een aantasting van de cultuurhistorische waarde van de dorpskern met zich brengt. Het plan is volgens hen in strijd met de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (hierna: CHS) en zij wijzen erop dat een deel van de dorpskern is aangewezen op de zogenoemde waardenkaart.

10.1.    De Provinciale Structuurvisie en de Verordening Ruimte vormen volgens de raad het ruimtelijk kader voor het provinciaal beleid voor cultuurhistorie en ruimtelijke ordening. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebied waar de panden liggen niet is aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht, noch als rijksmonument of gemeentelijk monument. Voorts is het plangebied volgens de raad niet geselecteerd als cultuurhistorisch waardevol. De kenmerkenkaart van de CHS geeft weliswaar aan dat sprake is van een gave of redelijk gave structuur, maar dat betekent volgens de raad niet dat binnen dit gebied geen panden gesloopt mogen worden.

10.2.    In de CHS wordt een overzicht gegeven van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De CHS bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie, archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten, de kenmerkenkaart waarop de kenmerkende nederzettingspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven, en de waardenkaart waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd.

Volgens de plantoelichting heeft op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bestuurlijk vooroverleg plaatsgevonden met de betrokken diensten van de provincie Zuid-Holland. In een gecoördineerde reactie namens alle betrokken directies van de provincie heeft de directie Ruimte en Mobiliteit van de provincie Zuid-Holland het college bij brief van 3 februari 2010 bericht dat het plan in overeenstemming is met het provinciale beleid.

10.3.    Zoals de voorzitter reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 januari 2012, nr. 201111857/2/R4 heeft de raad uitdrukkelijk onder ogen gezien dat als gevolg van dit plan een aantal historische panden verloren zal gaan. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de belangenafweging doorslaggevend gewicht had moeten toekennen aan de cultuurhistorische waarden die gediend zouden zijn met handhaving van de bestaande panden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat deze panden niet zijn aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument en dat het provinciebestuur van Zuid-Holland uitdrukkelijk heeft ingestemd met het plan. Dat een deel van het plangebied mogelijk is aangewezen op de waardenkaart van de CHS maakt niet dat nieuwbouw onder alle omstandigheden is uitgesloten. Gezien het voorgaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre in strijd heeft gehandeld met de CHS.

Verkeersoverlast

11.    [appellante sub 2] en anderen vrezen een toename van het verkeer door de in het plan voorziene nieuwbouw in blok A. Zij voeren aan dat dit tot verkeersoverlast zal leiden.

11.1.    De verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkelingen is volgens de plantoelichting bepaald aan de hand van kencijfers van het CROW, omgerekend naar het aantal motorvoertuigen per werkdagetmaal. Voor dit plan is volgens de toelichting uitgegaan van een zogenoemd worst-case-scenario.

Blijkens de plantoelichting wordt het plangebied ontsloten vanaf de Burgemeester C. Zaaijerlaan. Deze weg sluit in oostelijke richting aan op het Achterdorp en de Zomerstraat. In westelijke richting geeft de Burgemeester C. Zaaijerlaan verbinding met de rest van Dirksland. Volgens de plantoelichting zijn het Achterdorp en de Burgemeester C. Zaaijerlaan beide erftoegangswegen. Voor dergelijke wegen wordt doorgaans een verkeersintensiteit van 4.000 tot 6.000 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) aanvaardbaar geacht. Volgens de plantoelichting zijn aan de hand van in 2008 uitgevoerde tellingen, vermeerderd met een autonome verkeersgroei van 1%, de cijfers naar het jaar 2010 geëxtrapoleerd. Volgens de plantoelichting bedragen de verkeersintensiteiten op de Burgemeester C. Zaaijerlaan in 2010 exclusief de in het plan voorziene ontwikkeling 1.260 mvt/werkdagetmaal en inclusief de in het plan voorziene ontwikkeling 1.745 mvt/werkdagetmaal, en voor het Achterdorp in 2010, exclusief de in het plan voorziene ontwikkeling 1.196 mvt/werkdagetmaal en inclusief de in het plan voorziene ontwikkeling 1.456 mvt/werkdagetmaal. De verkeersintensiteiten op beide wegen, inclusief de nieuwe ontwikkelingen, liggen dan ook ver onder de maximaal toelaatbare intensiteiten van 4.000 mvt/etmaal, aldus de plantoelichting. [appellante sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze gegevens onjuist zijn. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene ontwikkeling niet tot verkeersoverlast zal leiden.

Parkeren

12.    [appellante sub 2] en anderen stellen dat het plan in onvoldoende parkeerruimte voorziet. In dit verband voeren zij aan dat de parkeerberekening niet klopt, omdat daarin ten onrechte de 11 bestaande parkeerplaatsen langs de rijbaan van het Achterdorp zijn meegeteld in de parkeervoorziening van het plan. Deze plaatsen worden volgens hen gebruikt door bewoners van het Achterdorp. Volgens [appellante sub 2] en anderen is in het parkeeronderzoek van een aantal onjuiste uitgangspunten uitgegaan. Zo is volgens hen geen rekening gehouden met het huidige gebruik van het parkeerterrein Kattewacht en is van een onjuist aantal winkel- en wooneenheden uitgegaan.

12.1.    De raad heeft uiteengezet dat in de parkeerberekeningen rekening is gehouden met de bestaande woningen aan het Achterdorp. Volgens de raad bevindt zich achter het Achterdorp, aan de Nieuwstraat, een parkeerterrein met 35 parkeerplaatsen, waarvan er 31 openbaar zijn en 4 zijn aangewezen als invalidenparkeerplaats. Bij de inrichting van dit parkeerterrein is volgens de raad rekening gehouden met de bereikbaarheid van achtererven van de woningen aan de oostzijde van het Achterdorp die aan het parkeerterrein grenzen. Voorts zijn er volgens de raad voor de bewoners aan de oostzijde van het Achterdorp mogelijkheden om op eigen terrein te parkeren. De raad stelt zich dan ook op het standpunt dat de bewoners aan de oostzijde van het Achterdorp geen gebruik hoeven te maken van de 11 parkeerplaatsen aan de westzijde van het Achterdorp en dat hij deze mee mag tellen in de parkeervoorziening van het plan. De raad heeft uiteengezet dat hij de bewoners op dit moment weliswaar niet kan dwingen op eigen terrein te parkeren, maar dat hij het parkeren op eigen terrein wil bevorderen, en zo nodig in de toekomst reguleren door middel van parkeervergunningen. Voorts is volgens de raad in 2009 een parkeeronderzoek uitgevoerd in het kader van het Verkeerscirculatieplan. Blijkens dat onderzoek was in de nachtperiode aan het Achterdorp sprake van een matige en aan de Nieuwstraat van een lage parkeerdruk. De raad stelt zich op het standpunt dat de in 2009 gemeten bezettingsgraden nog steeds voldoende representatief zijn voor de situatie in 2010.

12.2.    De raad heeft parkeernormen vastgesteld voor appartementen, goedkope woningen en overige woningen van onderscheidenlijk 1,3, 1,4 en 1,8 parkeerplaats per woning. Voor het bepalen van de parkeernorm voor het gezondheidscentrum en het kinderdagverblijf heeft de raad de kencijfers van het CROW gehanteerd, zoals weergegeven in de "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom". Hoewel het CROW voor objecten zoals een gezondheidscentrum een parkeernorm hanteert van 1,5 - 2,0 parkeerplaats per 100 m² bvo, en voor een kinderdagverblijf van 0,6 - 0,8 parkeerplaats per 100 m² bvo, is in de berekeningen voor beide objecten uitgegaan van 1,8 parkeerplaats per 100 m² bvo .

Blijkens bijlage 7 van de plantoelichting heeft Goudappel Coffeng, in opdracht van Bogor Projectontwikkeling BV, in juni en juli 2007 onderzoek uitgevoerd naar de parkeerbehoefte voor de toenmalige bouwplannen. De conclusie van dat onderzoek was destijds dat er parkeerruimte genoeg was, maar dat die niet logisch was verdeeld over de planonderdelen. Bij raadsbesluit van 26 juni 2008 zijn door de raad nieuwe stedenbouwkundige uitgangspunten vastgesteld en aan de hand daarvan is het plan herzien.  Goudappel Coffeng heeft daarna in opdracht van Kolpa Architecten de parkeerberekeningen geactualiseerd. De resultaten van die actualisatie zijn weergegeven in het rapport "Plan Hart van Dirksland, parkeren" van 20 juli 2010. Volgens dat rapport is er binnen het plangebied in de avondsituatie behoefte aan 63 parkeerplaatsen en in de dagsituatie aan 56 parkeerplaatsen.

Naderhand zijn volgens de Nota zienswijzen de eerder geprojecteerde begane grondwoningen aan het Achterdorp vervallen en is de vrijkomende ruimte benut voor maatschappelijke voorzieningen. Verder zijn volgens de Nota zienswijzen een aantal functies aan het Achterdorp verdwenen, zoals de slijterij en een winkel in huishoudelijke artikelen. Als gevolg daarvan zijn de parkeerberekeningen nogmaals geactualiseerd. De uitkomsten van die actualisatie zijn weergegeven in het rapport "Plan Hart van Dirksland, parkeren", van 4 oktober 2010. Blijkens dat rapport neemt door het vervallen van de woningen de parkeerbehoefte in de avond enigszins af, zodat er geen verschil meer is tussen dag- en avondsituatie, en is er binnen het plangebied in de avondsituatie en de dagsituatie behoefte aan 59 parkeerplaatsen.

Binnen het plangebied worden 48 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd op het binnenterrein aan de Kattewacht en 5 parkeerplaatsen langs de rijbaan aan de Burgemeester C. Zaaijerlaan. Dat geeft een totaal van 53 parkeerplaatsen. Om aan de parkeerbehoefte te kunnen voldoen zijn 6 van de 11 parkeerplaatsen aan het Achterdorp benodigd. [appellante sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke parkeersituatie zodanig is dat de raad de aanwezigheid van de 11 bestaande parkeerplaatsen niet in redelijkheid heeft kunnen meetellen bij de beoordeling van het plan. Gelet op het voorgaande is in hetgeen [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat het plan in onvoldoende parkeergelegenheid voorziet.  

Privacy en woongenot

13.    [appellante sub 2] en anderen vrezen verlies van privacy en aantasting van hun woongenot ten gevolge van de in het plan voorziene nieuwbouw in blok A.

13.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de woningen van [appellante sub 2] en anderen zijn gescheiden van het nieuwe appartementencomplex door de Burgemeester C. Zaaijerlaan en door het pand aan de Ring 119, zodat het verlies van privacy en aantasting van hun woongenot beperkt zal zijn.

13.2.    De afstand van de in het plan voorziene nieuwbouw in blok A en de dichtstbij gelegen woning van [appellante sub 2] en anderen aan de Ring 117 bedraagt ongeveer 9 m. Gelet op deze afstand is het niet uitgesloten dat de bewoners van die woning in zoverre enigszins in hun privacy kunnen worden aangetast.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het hier geen onaanvaardbare aantasting betreft. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het gaat om een inbreidingslocatie waarbij de gekozen afstand tot andere woonbebouwing niet ongebruikelijk is in de bebouwde omgeving van Dirksland. De raad heeft het belang van de dorpsvernieuwing dan ook zwaarwegender kunnen achten dan het mogelijk verlies van privacy van de bewoners van de woning Ring 117.

Waardevermindering woningen

14.    De stichting vreest waardevermindering van de omliggende woningen door de nadelige invloed van het plan, voor zover daarin is voorzien in de mogelijkheden voor nieuwbouw in blok A.

14.1.    Wat de eventueel nadelige invloed van het plan, voor zover daarin is voorzien in de mogelijkheden voor nieuwbouw in blok A, op de waarde van de omliggende woningen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Conclusie ten aanzien van het plan

15.    In hetgeen de stichting en [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door hen bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

Omgevingsvergunningen

Algemeen

16.    Eén van de twee omgevingsvergunningen van 16 september 2011 is verleend ten behoeve van blok A voor de activiteit slopen van opstallen aan de Burgemeester C. Zaaijerlaan 2 en het Achterdorp 7 tot en met 17 oneven en voor de activiteit bouwen van een appartementencomplex met 23 woningen. De andere omgevingsvergunning is verleend ten behoeve van blok B voor het bouwen van 14 grondgebonden woningen aan de Kattewacht 3 tot en met 16, alle binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Hart van Dirksland".

Strijd met bestemmingsplan

17.    [appellante sub 2] en anderen voeren aan dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan "Dorpsgebied Dirksland" en het nieuw vast te stellen bestemmingsplan "Dorpsgebied Dirksland" dat conserverend van aard is.

17.1.    De Afdeling stelt vast dat de in de omgevingsvergunningen voorziene bebouwing in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Hart van Dirksland", zodat het college in zoverre terecht geen aanleiding heeft gevonden de gevraagde omgevingsvergunningen te weigeren.

Rapporten

18.    [appellante sub 2] en anderen betogen dat het college ten onrechte de omgevingsvergunningen heeft verleend. Zij voeren aan dat voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een beeldkwaliteitsplan en een hoogte-effectrapportage zijn vereist, en voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit slopen een bouwkundig rapport.

18.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat een hoogte-effectrapportage, een beeldkwaliteitsplan en een bouwkundig rapport niet nodig zijn om de betrokken aanvragen voor omgevingsvergunningen te kunnen beoordelen.

18.2.    Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, kan de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van woningen uitsluitend worden geweigerd op één van de daarin vermelde gronden. Hetgeen [appellante sub 2] en anderen naar voren hebben gebracht in verband met de door hen nodig geachte hoogte-effectrapportage en beeldkwaliteitsplan heeft geen betrekking op een grond voor weigering van de omgevingsvergunningen voor de bouw van woningen. Het college heeft reeds daarom geen aanleiding behoeven te zien om de overlegging van de desbetreffende rapporten te verlangen.

Voorts zijn er in de bouwverordening van de gemeente Dirksland noch in enige andere wettelijke regeling aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat een bouwtechnisch rapport is vereist voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor slopen.

Welstandseisen

19.    De beroepen van de stichting en [appellante sub 2] en anderen richten zich tegen de ten behoeve van blok A verleende omgevingsvergunning voor bouwen. In dit verband stelt de stichting zich - kort samengevat - op het standpunt dat het uiterlijk en de plaatsing van de nieuwbouw niet in overeenstemming zijn met redelijke eisen van welstand zoals verwoord in de welstandsnota van de gemeente Dirksland.

19.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1, mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college berust, aan het welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. De Afdeling ziet in de inwerkingtreding van de Wabo geen aanleiding om ten aanzien van de toetsing van het standpunt van het college dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, andere maatstaven aan te leggen.

19.2.    De voorzitter heeft in zijn uitspraak van 4 januari 2012 op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (zaak nr. 201111857/2/R4; www.raadvanstate.nl) deze bezwaren inhoudelijk behandeld en is op grond van de in die uitspraak opgenomen overwegingen tot een voorlopig rechtmatigheidsoordeel gekomen. De Afdeling ziet in hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht geen grond om op dit punt tot een ander oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit te komen dan de voorzitter in de uitspraak van 4 januari 2012. Ook voor zover deze beroepsgronden zijn aangevoerd door [appellante sub 2] en anderen kan bij dit oordeel worden aangesloten, aangezien deze beroepsgronden overeenkomen met die van de stichting en niet aannemelijk is dat aan de belangen van [appellante sub 2] en anderen een wezenlijk ander gewicht toegekend zou moeten worden.

Conclusie ten aanzien van de omgevingsvergunningen

20.    In hetgeen de stichting en [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd tegen de besluiten tot verlening van de omgevingsvergunningen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze besluiten zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ook in zoverre ongegrond.

Proceskosten

21.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen    w.g. Oudenaarden

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

568-632.