Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5855

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201202263/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2011 heeft de RDW de tenaamstelling van het voertuig met het kenteken […] vervallen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201202263/1/A3.

Datum uitspraak: 12 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2012 in zaak nr. 11/5108 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2011 heeft de RDW de tenaamstelling van het voertuig met het kenteken […] vervallen verklaard.

Bij besluit van 15 september 2011 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. Tahitu, advocaat te Amsterdam, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 59, eerste lid, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994, worden bij algemene maatregel van bestuur regels vastgesteld omtrent het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder l, van het Kentekenreglement vervalt de tenaamstelling in het register, zodra de Dienst Wegverkeer de tenaamstelling vervallen heeft verklaard op grond van een verzoek als bedoeld in het tweede lid.

Ingevolge het tweede lid, kan degene die naar zijn mening ten onrechte als tenaamgestelde in het register is vermeld, de Dienst Wegverkeer verzoeken de tenaamstelling te doen vervallen. De Dienst Wegverkeer gaat over tot het doen vervallen van de tenaamstelling, indien hiervoor naar het oordeel van deze dienst voldoende gronden aanwezig zijn.

2.    Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de RDW ten grondslag gelegd dat de tenaamstelling van het voertuig niet eerder dan 9 mei 2011 vervallen kan worden verklaard, aangezien zij in het belang van de zuiverheid van het kentekenregister het beleid voert om de tenaamstelling in beginsel niet met terugwerkende kracht vervallen te verklaren.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de tenaamstelling ten onrechte niet met terugwerkende kracht vervallen is verklaard. Daartoe voert hij aan dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die tot een uitzondering op het door de RDW gevoerde beleid dienen te leiden. In dit verband wijst hij op de voor hem nadelige financiële consequenties. Aan hem zijn boetes opgelegd voor onder meer het niet voldoen aan de APK- en de WAM-verplichting. Omdat hij leeft van een bijstandsuitkering en net vader is geworden, kan hij deze boetes niet betalen. Daarnaast voert hij aan dat de administratie van de RDW niet op orde is. In dit kader voert hij aan dat hem in een telefoongesprek is medegedeeld dat het voertuig vanaf 1989 op zijn naam staat, terwijl in het besluit op bezwaar 1998 vermeld staat. Ook blijkt de onjuiste administratie uit de door hem ter zitting bij de rechtbank overgelegde brief van de Belastingdienst van 12 januari 2012 waarin staat dat het voertuig in de periode 19 april 2008 tot en met 9 mei 2011 op zijn naam stond.

Verder heeft [appellant] aangevoerd dat het voertuig buiten zijn medeweten op zijn naam kon worden gezet, omdat hij in 1992 zijn identiteitskaart is verloren. De RDW dient daarom volgens hem aan te tonen dat hij zelf het voertuig op zijn naam heeft gesteld.

4.    Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2007 in zaak nr. 200701004/1 kan niet worden geoordeeld dat het door de RDW gevoerde beleid om in beginsel geen terugwerkende kracht te verlenen aan besluiten, inhoudende de vervallenverklaring van de tenaamstelling van een voertuig, niet redelijk is. De zuiverheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid van de tenaamstelling van voertuigen rechtvaardigen, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, een dergelijk beleid. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011 in zaak nr. 201010889/1/H3 verleent de RDW terecht slechts bij hoge uitzondering terugwerkende kracht aan een besluit inhoudende de vervallenverklaring van de tenaamstelling van een voertuig.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de RDW in hetgeen [appellant] ter zake heeft aangevoerd geen aanleiding behoefde te zien om, in afwijking van dit beleid, terugwerkende kracht te verlenen aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling. De rechtbank heeft in dat kader terecht overwogen dat de stelling van [appellant] dat de administratie van de RDW niet op orde is, omdat tegen hem in een telefoongesprek zou zijn gezegd dat het voertuig al vanaf 1989 op zijn naam staat, daartoe onvoldoende is. Dit geldt evenzeer voor de door [appellant] ter zitting bij de Afdeling gedane verklaring dat het jaartal 1989 ook in een aan hem gestuurde brief staat vermeld. Ook de door [appellant] ter zitting bij de rechtbank overgelegde brief van de Belastingdienst van 12 januari 2012 kan niet tot een ander oordeel leiden. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, staat in deze brief weliswaar vermeld dat het voertuig in de periode van 19 april 2008 tot en met 9 mei 2011 op naam van [appellant] stond, maar kan uit deze brief niet worden opgemaakt dat het voertuig voor 19 april 2008 niet op zijn naam stond. Evenzeer met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de RDW onbetwist heeft verklaard dat de Belastingdienst uitgaat van door de RDW verstrekte gegevens. Ook in hoger beroep heeft [appellant] deze stelling niet betwist.

Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het voertuig zonder zijn medeweten op zijn naam is gezet. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de RDW dient aan te tonen dat dit wel het geval is. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat hij zijn identiteitsbewijs in 1992 is kwijtgeraakt, heeft de RDW er terecht op gewezen dat dit document slechts vijf jaar geldig was en het voertuig ruim vijf jaar nadat hij dit bewijs is verloren is geregistreerd.

De gestelde omstandigheid dat [appellant] de aan hem opgelegde boetes wegens de niet naleving van de voertuiggebonden verplichtingen niet kan betalen, kan evenmin tot het oordeel leiden dat de RDW, in afwijking van het beleid, terugwerkende kracht diende te verlenen aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling. De RDW heeft er in het besluit op bezwaar op gewezen dat de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie beide een beleidsvrijheid hebben met betrekking tot het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het op naam hebben van een voertuig. Vanwege de nadelige financiële consequenties waarmee [appellant] als gevolg van de tenaamstelling in het kentekenregister is geconfronteerd, had hij zich tot de desbetreffende instanties kunnen wenden om de door hem aangevoerde omstandigheden naar voren te brengen.

Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen    w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

97-721.