Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5853

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201201693/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft het college [appellant] gelast vóór 1 april 2011 de onvergunde onzelfstandige bewoning van de woning [locatie] te Den Haag (hierna: de woning) te beëindigen en beëindigd te houden, bij gebreke waarvan [appellant] een dwangsom verbeurt van € 5.500,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201693/1/A3.

Datum uitspraak: 12 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 december 2011 in zaak nr. 11/7564 in het geding tussen:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft het college [appellant] gelast vóór 1 april 2011 de onvergunde onzelfstandige bewoning van de woning [locatie] te Den Haag (hierna: de woning) te beëindigen en beëindigd te houden, bij gebreke waarvan [appellant] een dwangsom verbeurt van € 5.500,00.

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college het besluit van 17 maart 2011 herroepen, voor zover het de hoogte van de dwangsom betreft en deze vastgesteld op € 5.000,00 en het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen dit besluit voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft het college beslist tot invordering van de dwangsom van € 5.000,00.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2012, waar [appellant] vertegenwoordigd door mr. J.R. Ali, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.C. Hocks, werkzaam bij het college, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet (hierna: Hvw) is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge het tweede lid wordt onder zelfstandige woonruimte als bedoeld in het eerste lid, onder c, verstaan een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Regionale Huisvestingsverordening stadsgewest Haaglanden 2005 (hierna: de verordening) is het verbod als bedoeld in artikel 30 van de Hvw uitsluitend van toepassing op woonruimten die behoren tot de in bijlage III van deze verordening opgenomen categorieën woonruimten.

Volgens bijlage III behoren tot de categorieën woonruimten als bedoeld in artikel 45 in de gemeente Den Haag alle woonruimten met uitzondering van:

• standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor woonschepen,

• woningen van toegelaten instellingen die ten behoeve van herstructurering gesloopt zullen worden, en

• samen te voegen woningen.

2.    Het college heeft aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat bij een door inspecteurs van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling afgelegd huisbezoek op 10 februari 2011 is geconstateerd dat [appellant] zonder vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hvw de woning heeft omgezet van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college hem als overtreder heeft kunnen aanmerken. Daartoe voert hij aan dat hij geen eigenaar is van de woning, maar huurder. Volgens hem is slechts de eigenaar van de woning bij machte om de overtreding te beëindigen. De andere huurders waren reeds in de woning aanwezig op het moment dat hij de woning betrok, aldus [appellant].

3.1.    Dit betoog slaagt. Gelet op de redactie van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hvw, gelezen in verbinding met artikel 45, eerste lid, van de verordening, kan [appellant] niet als overtreder van bedoelde bepalingen worden aangemerkt, nu niet is komen vast te staan dat hij degene is die de woonruimte heeft omgezet van zelfstandig in onzelfstandig (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2012 in zaak nr. 201105812/1/H1). Ter zitting bij de Afdeling heeft het college erkend dat niet is uitgesloten dat de andere huurders reeds in de woning aanwezig waren op het moment dat [appellant] deze betrok. Het college heeft eveneens ter zitting erkend dat daarnaar geen onderzoek is gedaan. In dit geval is daarom niet uit te sluiten dat [appellant] de overtreding slechts heeft voortgezet. Het college was derhalve niet bevoegd ter zake door middel van een last onder dwangsom handhavend tegen hem op te treden. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Gelet op het vorenoverwogene behoeven de overige gronden geen bespreking.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 augustus 2011 van het college alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5.    Op 20 mei 2011 heeft college een beschikking genomen die strekt tot invordering van de dwangsom. Dit besluit wordt, gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is aan dit besluit de grondslag komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling het beroep daartegen gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 december 2011 in zaak nr. 11/7564;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 9 augustus 2011, kenmerk B.1.11.0651.001;

V.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 17 maart 2011, kenmerk 201102768/7;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 20 mei 2011, kenmerk 201102768/9, gegrond;

VIII.    vernietigt dat besluit;

IX.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen    w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

97-721.