Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5851

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
201201140/1/A1
Formele relaties
Uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5740, Overig
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij drie afzonderlijke besluiten van 4 juni 2010 heeft het college de aanvragen van [appellante] om bouwvergunning voor het bouwen van twee fabriekshallen en een kantoorpand op het perceel [locatie 1] te [plaats] en het bouwen van vier woningen en twee bergingen op de percelen [locatie 2] te [plaats], buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201201140/1/A1.

Datum uitspraak: 12 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 december 2011 in zaak nr. 11/2048 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rheden.

Procesverloop

Bij drie afzonderlijke besluiten van 4 juni 2010 heeft het college de aanvragen van [appellante] om bouwvergunning voor het bouwen van twee fabriekshallen en een kantoorpand op het perceel [locatie 1] te [plaats] en het bouwen van vier woningen en twee bergingen op de percelen [locatie 2] te [plaats], buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 12 april 2011 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de besluiten van 4 juni 2010 herroepen en de bouwvergunningen alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 20 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door J. Huibregtse, bijgestaan door mr. B.J.M. van Meer, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.D. Haja en mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Deventer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.        Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan

"Buitengebied 1975" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop de bouwplannen zijn voorzien, de bestemming

"Baksteenfabrieken BSF".

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, is de op de kaart met "Baksteenfabrieken BSF" aangegeven grond bestemd voor het vervaardigen van baksteen met de daarvoor benodigde gebouwen, andere bouwwerken en werken.

Ingevolge het vierde lid, is met de in het eerste lid omschreven bestemming in overeenstemming het gebruik van de bestaande gebouwen en andere bouwwerken, alsmede van de onbebouwde grond van de voormalige steenfabriek "De Havikerwaard" aan de Weerdsdijk te De Steeg (kadastraal bekend gemeente Dieren, sectie T nr. 373), voor de vervaardiging van andere steenachtige materialen dan baksteen en voor het plaatsen van installaties ten behoeve van de zandwinning en de opslag van zand en grint en de ter plaatse vervaardigde produkten, mits dat gebruik plaatsvindt binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsgrenzen.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar bouwplannen in strijd zijn met het bestemmingsplan. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank voor de uitleg van artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften geen aansluiting heeft mogen zoeken bij de bedoeling van de planwetgever. Volgens haar is de letterlijke tekst van artikel 23, vierde lid, duidelijk en bepaalt dit dat niet alleen voor "De Havikerwaard", maar ook voor de andere percelen waarop de bestemming "Baksteenfabrieken BSF" rust, de activiteiten als daar genoemd zijn toegestaan.

Voor zover dit planvoorschrift toch voor meer uitleggen vatbaar zou zijn, voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte dit planvoorschrift zo heeft uitgelegd, dat de daar genoemde uitzondering niet voor haar gronden geldt.

2.1.    Het geschil beperkt zich tot de vraag of het bouwplan al dan niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Niet in geschil is dat de fabriekshallen die in het bouwplan zijn voorzien, mede dienen ten behoeve van de vervaardiging van andere steenachtige materialen dan baksteen.

Het betoog dat de rechtbank voor de uitleg van artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften, geen aansluiting heeft mogen zoeken bij de bedoeling van de planwetgever zoals volgend uit onder meer de plantoelichting, faalt. Anders dan [appellante] stelt, is de tekst van artikel 23, vierde lid, niet eenduidig, nu daaruit niet ondubbelzinnig valt af te leiden waarop de bepaling precies van toepassing is.

De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in het standpunt dat uit de toelichting van het bestemmingsplan en de reactie van de planwetgever op de bezwaren van de toenmalig eigenaar van voormalig steenfabriek "De Havikerwaard" blijkt, dat is beoogd de werking van artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften, te beperken tot "De Havikerwaard".

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van het bestemmingsplan, zoals verwoord in het verweerschrift van het college van 4 mei 2012, volgt dat er bij die totstandkoming bewust voor is gekozen om de aanvankelijk aan de steenfabrieksterreinen  toegekende bestemming "Steenfabrieken", te wijzigen in "Baksteenfabrieken". Dit is blijkens de gedingstukken gebeurd, mede naar aanleiding van de reactie van de Provinciale Planologische Commissie van Gelderland (hierna: PPC) op het ontwerpbestemmingsplan, waarin de PPC erop heeft gewezen dat de bestemming "Steenfabrieken" er mogelijk toe zou leiden dat alle steenfabrieksterreinen in de toekomst industrieterreinen zouden kunnen worden. Deze reactie houdt in:

"Om te vermijden dat alle steenfabrieksterreinen in de toekomst eventueel industrieterrein worden, deze bestemming ware te wijzigen in "baksteenfabrieken". De thans op een gedeelte van de terreinen ondergebrachte zandexploitatiemaatschappij en betonelementenfabriek zijn ter plaatse ongewenst. Zij dienen onder stringente overgangsbepalingen te worden gebracht."

Dit advies van de PPC is in het op 7 oktober 1975 vastgestelde bestemmingsplan overgenomen. Dat heeft, behalve tot eerdergenoemde wijziging, geleid tot toevoeging van het vierde en het vijfde lid aan artikel 23 van de planvoorschriften. Deze toevoeging was uitsluitend bedoeld om de toenmalige bestaande zandexploitatiemaatschappij en betonelementenfabriek van "De Havikerwaard" in stand te laten. De bezwaren van "De Havikerwaard" hiertegen zijn niet gehonoreerd. Uit het verslag van de bezwarenzitting met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan, gehouden op 25 juli 1975, blijkt dat aldaar aan de toenmalig eigenaar van "De Havikerwaard" is medegedeeld dat artikel 23, vierde lid, geheel ten behoeve van hem is geredigeerd.

Voorts is van belang dat in het raadsbesluit van 7 oktober 1975, in reactie op de bezwaren namens "De Havikerwaard", wordt vermeld dat het geven van de bestemming "Steenfabrieken" ten aanzien van haar gronden met opzet achterwege is gebleven, aangezien daardoor industriële ontwikkelingen zouden kunnen ontstaan, die het betrokken gebied niet verdraagt en die uit planologisch oogpunt onaanvaardbaar zijn. Verder wordt vermeld dat aan alle nog aanwezige baksteenfabrieken de bestemming "Baksteenfabrieken" is gegeven, doch dat door middel van een overgangsbepaling met de belangen van "De Havikerwaard" rekening is gehouden, zoals blijkt uit artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften, alleen ziet op het gebruik van de bestaande gebouwen en andere bouwwerken, alsmede van de onbebouwde grond van de voormalige steenfabriek "De Havikerwaard", en dat de uitleg die [appellante] aan genoemde bepaling wenst te geven, in strijd is met de bedoeling van de planwetgever zoals die volgt uit de hiervoor besproken stukken, waaronder het raadsbesluit van 7 oktober 1975.

[appellante] heeft nog een uiteenzetting van neerlandica drs. J.G. Valbracht van 22 september 2011 ingebracht. Deze brengt naar voren dat zuiver taalkundig en meer in het algemeen gezien, er meer pleit voor de uitleg van [appellante] dan die van het college. Dat acht de Afdeling onvoldoende om aan de hiervoor vastgestelde bedoeling van de planwetgever af te doen. Ook hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt om tot een andere uitleg te komen dan uit de bedoeling van de planwetgever voortvloeit.

Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Bolleboom

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2012

641.