Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5576

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2012
Datum publicatie
10-12-2012
Zaaknummer
201207844/1/V3.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de beoordeling of de gronden die aan een maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd de maatregel kunnen dragen, dient, indien dit is betwist, allereerst te worden beoordeeld of die gronden feitelijk juist zijn. Aan de hand van de gronden die feitelijk juist zijn, dient vervolgens overeenkomstig het in art. 5.1a, lid 1 van het Vb 2000 neergelegde criterium te worden beoordeeld of een risico bestaat dat de betrokken vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken dan wel of de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, zodat het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid diens inbewaringstelling vordert, als bedoeld in art. 59, lid 1 van de Vw 2000. De omstandigheid dat in voorkomend geval in het besluit tot inbewaringstelling slechts één van beide onderdelen van genoemd criterium is aangekruist, is daarbij niet relevant.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1a
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/49

Uitspraak

201207844/1/V3.

Datum uitspraak: 3 december 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 9 augustus 2012 in zaak nr. 12/23427 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 augustus 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en haar schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna: de staatssecretaris) hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De staatssecretaris klaagt in grief III, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gronden, dat de vreemdeling eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven, en dat zij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, in dit geval onvoldoende zijn om aan te nemen dat een risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken.

Daartoe stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat deze gronden hiertoe in beginsel voldoende zijn. Nu de vreemdeling geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die tot afwijking van dit uitgangspunt nopen, kunnen deze twee gronden de maatregel al dragen, aldus de staatssecretaris.

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, door de staatssecretaris in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

Ingevolge artikel 5.1a, eerste lid, van het

Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien:

a. een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of

b. de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Ingevolge artikel 5.1b, eerste lid, wordt aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, voldaan, indien de vreemdeling:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

b. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

e. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

f. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;

g. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of

identiteitsdocumenten;

h. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;

i. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

j. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

k. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen;

l. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; of

m. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw 2000 of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000.

Ingevolge het tweede lid wordt niet aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, voldaan, indien slechts één van de feiten of omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is.

2.2. Onder verwijzing naar de uitspraken van 12 april 2012 in

zaak nr. 201200612/1/V3, van 12 juni 2012 in zaak nr. 201204991/1/V3 en van 6 september 2012 in zaak nr. 201207532/1/V3

(alle www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling het volgende.

Bij de beoordeling of de gronden die aan een maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd de maatregel kunnen dragen, dient, indien dit is betwist, allereerst te worden beoordeeld of die gronden feitelijk juist zijn. Aan de hand van de gronden die feitelijk juist zijn, dient vervolgens overeenkomstig het in artikel 5.1a, eerste lid, van het Vb 2000 neergelegde criterium te worden beoordeeld of een risico bestaat dat de betrokken vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken dan wel of de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, zodat het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid diens inbewaringstelling vordert, als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000. De omstandigheid dat in voorkomend geval in het besluit tot inbewaringstelling slechts één van beide onderdelen van genoemd criterium is aangekruist, is daarbij niet relevant.

Voorts is vereist dat in het besluit tot inbewaringstelling of door de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank dan wel anderszins nader wordt toegelicht waarom dit uit de gehanteerde gronden kan worden afgeleid, tenzij die gronden, in hun onderlinge samenhang bezien, van dien aard zijn dat deze zelf reeds aanleiding geven dit aan te nemen. Een door de staatssecretaris bij de rechtbank gegeven toelichting mag echter geen nieuwe gronden behelzen die niet in het besluit tot inbewaringstelling zijn vermeld en moet bovendien zijn te relateren aan de in dat besluit vermelde gronden.

Ten slotte is van belang dat ook in die gevallen waarin de gehanteerde gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen, steeds, aan de hand van hetgeen door partijen omtrent het gedrag van de betrokken vreemdeling en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, dient te worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in het geval van de betrokken vreemdeling daadwerkelijk kunnen dragen.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de twee gronden, te weten dat de vreemdeling eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven en dat zij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, in dit geval onvoldoende zijn om aan te nemen dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat de vreemdeling na de afwijzing van haar asielverzoek tot aan het moment van de staandehouding permanent met haar drie kinderen in een asielzoekerscentrum heeft verbleven en altijd beschikbaar is geweest. Bovendien bestaat volgens de rechtbank geen enkele indicatie om aan te nemen dat de vreemdeling met haar drie kinderen, onder wie één kind dat slechts twee maanden oud is, zal onderduiken.

Het oordeel van de rechtbank kan in zoverre worden gevolgd dat met name gelet op de gezinssituatie van de vreemdeling niet zonder meer aannemelijk is dat een risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat oordeel ziet echter op slechts één van de twee onderdelen van het in artikel 5.1a, eerste lid, van het Vb 2000 neergelegde criterium. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2. is overwogen, heeft de rechtbank verzuimd de aan de bewaring ten grondslag gelegde gronden te toetsen aan beide onderdelen van dit criterium. Nu de vreemdeling elke vorm van medewerking aan haar vertrek uit Nederland heeft geweigerd en tot dan toe zelf geen activiteiten heeft ontplooid om haar vertrek uit Nederland te bewerkstelligen, bieden reeds de door de rechtbank in aanmerking genomen gronden voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De grief slaagt in zoverre.

3. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 16 juli 2012 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij drie minderjarige kinderen heeft en dat zij had kunnen kiezen voor plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie als er een advocaat bij het vertrekgesprek van 16 juli 2012 aanwezig was geweest.

4.1. Zoals hiervoor onder 2.3. is overwogen, kunnen de aldaar vermelde gronden de maatregel van bewaring reeds dragen. Voorts heeft de vreemdeling voorafgaand aan de inbewaringstelling - bij herhaling - verklaard niet vrijwillig te willen terugkeren naar Armenië en niet te willen meewerken aan plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie. Reeds onder deze omstandigheden heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

5. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

6. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 16 juli 2012 ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 9 augustus 2012 in

zaak nr. 12/23427;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en

mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van

mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Dokkum

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2012

480-714.

Verzonden: 3 december 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser