Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
10-12-2012
Zaaknummer
201105511/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vreemdeling heeft de opvang waar hij hier te lande verbleef verlaten en is, naar later is gebleken, naar Duitsland gegaan om daar een asielaanvraag in te dienen. Gesteld noch gebleken is dat hij de Nederlandse autoriteiten hiervan op de hoogte heeft gebracht. Reeds hierom is de vreemdeling met onbekende bestemming vertrokken uit de opvang en heeft hij zich aan het toezicht onttrokken als bedoeld in de brief van de staatssecretaris van 10 maart 2011. Dat de vreemdeling een aanzegging heeft gekregen om Nederland te verlaten, waaraan hij heeft voldaan, doet hieraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201105511/1/V3.

Datum uitspraak: 5 december 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna: de staatssecretaris),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 6 mei 2011 in zaak nr. 11/13960 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 mei 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Bij brief van 10 maart 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010 2011, 27 062, nr. 68) heeft de staatssecretaris de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal geïnformeerd over het beperken van vreemdelingenbewaring van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Hij heeft in die brief medegedeeld dat, voor zover thans van belang, in geval betrokkene eerder met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang, het belang van de overheid om te kunnen garanderen dat er geen onttrekking aan het toezicht plaatsvindt zodanig hoog is, dat vreemdelingenbewaring gerechtvaardigd is.

3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat nu niet in geschil is dat de vreemdeling tijdens zijn vorige asielprocedure de aanzegging heeft gekregen om Nederland te verlaten, waaraan hij heeft voldaan door naar Duitsland te gaan, niet kan worden gezegd dat hij zich aan het toezicht van de overheid heeft onttrokken, als bedoeld in bovenvermelde brief van de staatssecretaris van 10 maart 2011. Voorts heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat de omstandigheid dat de vreemdeling niet naar Afghanistan maar naar Duitsland is vertrokken hieraan niet afdoet nu op hem op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) na beëindiging van het rechtmatig verblijf immers (slechts) de plicht rust om Nederland te verlaten. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank aldus heeft miskend dat indien een vreemdeling de opvang voortijdig verlaat om niet naar zijn land van herkomst terug te keren maar om in een andere lidstaat van de Europese Unie een asielaanvraag in te dienen, dit reeds aangeeft dat hij zich aan toezicht heeft onttrokken. Dat de vreemdeling tijdens zijn asielprocedure een aanzegging heeft gekregen om Nederland te verlaten, doet hieraan niet af, aldus de staatssecretaris.

3.1. De vreemdeling heeft de opvang waar hij hier te lande verbleef verlaten en is, naar later is gebleken, naar Duitsland gegaan om daar een asielaanvraag in te dienen. Gesteld noch gebleken is dat hij de Nederlandse autoriteiten hiervan op de hoogte heeft gebracht. Reeds hierom is de vreemdeling met onbekende bestemming vertrokken uit de opvang en heeft hij zich aan het toezicht onttrokken als bedoeld in de brief van de staatssecretaris van 10 maart 2011. Dat de vreemdeling een aanzegging heeft gekregen om Nederland te verlaten, waaraan hij heeft voldaan, doet hieraan niet af. De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 20 april 2011 beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

5. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Hij heeft daartoe betoogd dat de grond dat hij zich bedient/bediend heeft van een of meerdere aliassen niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag kan worden gelegd, nu uit het dossier niet blijkt dat hij een andere naam heeft opgegeven. Volgens de vreemdeling is zijn naam door de Duitse autoriteiten verkeerd opgeschreven. Tot slot heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom uit de gronden dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en dat hij geen middelen van bestaan heeft, kan worden afgeleid dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

5.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in

artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000

(hierna: het Vb 2000)

- zich bedient/bediend heeft van een of meerdere aliassen

- geen vaste woon,- of verblijfplaats heeft

- geen middelen van bestaan heeft.

5.2. Voor de periode vanaf 20 april 2011 tot 27 april 2011 en vanaf 4 mei 2011 tot en met 6 mei 2011 is Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) van toepassing. Gedurende de periode van 27 april 2011 tot 4 mei 2011 is de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3 (www.raadvanstate.nl), samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, overwogen dat artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, voor zover nodig, richtlijnconform kan worden uitgelegd in die zin dat, zolang niet aan artikel 3, zevende lid, van de Terugrichtlijn is voldaan, een maatregel van bewaring alleen mag worden opgelegd indien de betrokken vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Bij de beoordeling of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert dient te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de toelichting die de staatssecretaris, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, over deze omstandigheden heeft gegeven en in samenhang daarmee met hetgeen hieromtrent uit het bewaringsdossier van de vreemdeling valt af te leiden.

5.3. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat de vreemdeling verschillende namen gebruikt, waaronder [naam]. Gelet hierop heeft de staatssecretaris de omstandigheid dat de vreemdeling zich bedient/bediend heeft van een of meerdere aliassen feitelijk terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. De enkele stelling van de vreemdeling dat zijn naam door de Duitse autoriteiten verkeerd is opgeschreven, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts is niet in geschil dat de vreemdeling niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000. Deze omstandigheden geven in beginsel grond om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Nu de vreemdeling geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken, kunnen deze bewaringsgronden de maatregel reeds dragen. De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling heeft aangevoerd dat volgens paragraaf A6/1.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) bij de inbewaringstelling van minderjarige vreemdelingen een versterkte mate van terughoudendheid dient te worden betracht waarvan in zijn geval niet is gebleken. Hij heeft verwezen naar de Terugkeerrichtlijn waarin ook artikelen zijn opgenomen die zien op minderjarigen, zoals artikel 3, artikel 16, derde lid en artikel 17, derde, vierde en vijfde lid. Volgens de vreemdeling voldoet Aanmeldcentrum Schiphol (hierna: AC Schiphol) hieraan niet. Voor de periode dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is, heeft de vreemdeling onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 13 oktober 2010 in zaak nr. 10/29208 (LJN: BO1314) aangevoerd dat zijn bewaring in AC Schiphol willekeurig is in de zin van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

6.1. Het beleid in paragraaf A6/1.5 van de Vc 2000 is door de staatssecretaris nader uitgewerkt in de onder rechtsoverweging 2. vermelde brief van 10 maart 2011. Gelet hierop, alsmede op hetgeen onder rechtsoverweging 3.1 is overwogen, faalt het betoog van de vreemdeling dat bij zijn inbewaringstelling niet is gebleken van een versterkte mate van terughoudendheid bij de toepassing ervan.

6.1.1. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 19 april 2011 in zaak nr. 201010651/1/V3 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, is het toelaatbaar dat een minderjarige alleenstaande asielzoeker voor de indiening en behandeling van zijn asielaanvraag gedurende enige tijd in AC Schiphol wordt geplaatst. Het verblijf in een penitentiaire omgeving, niet gescheiden van volwassenen en zonder faciliteiten of activiteiten gericht op hun leeftijd, kan volgens genoemde uitspraak gezien hun kwetsbare positie, uitgaande van de eisen die artikel 2, eerste lid, en artikel 9 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen zijn gesteld en het door de staatssecretaris gevoerde beleid, vermeld in paragraaf A6/1.5, onder c, van de Vc 2000, gedurende ten hoogste vier dagen in totaal in beginsel toelaatbaar worden geacht. De Afdeling heeft daarbij voorts overwogen dat, indien gronden bestaan voor inbewaringstelling en de inbewaringgestelde vreemdeling met het oog op de indiening en behandeling van een asielaanvraag tijdelijk voor korte periode(s) wordt overgeplaatst naar AC Schiphol niet geoordeeld kan worden dat de maatregel niet te goeder trouw is uitgevoerd en niet in nauw verband staat met het doel daarvan. Van een bewaring die om die redenen in strijd is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM is dan geen sprake, aldus die uitspraak.

6.1.2. Volgens de vreemdeling had hij ten tijde van de inbewaringstelling de leeftijd van 17 jaar. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. Nu de vreemdeling op 27 april 2011 voor de indiening en de behandeling van zijn asielaanvraag is overgebracht naar AC Schiphol en niet in geschil is dat hij daar op 4 mei 2011 ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter zitting van de rechtbank nog verbleef, heeft de tenuitvoerlegging van de bewaring in AC Schiphol meer dan vier dagen geduurd. Gesteld noch gebleken is dat hij gedurende zijn verblijf daar gescheiden was van volwassenen en dat er met specifiek op de leeftijd van de betrokken vreemdeling gerichte faciliteiten en activiteiten aanwezig waren. De beroepsgrond slaagt.

7. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ter zake van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet voortvarend heeft gehandeld nu er geen vertrekgesprek heeft plaatsgevonden.

7.1. De staatssecretaris had voor 27 april 2011 een vertrekgesprek met de vreemdeling gepland. Dit gesprek is niet doorgegaan omdat de vreemdeling die dag in de gelegenheid is gesteld in AC Schiphol een asielaanvraag in te dienen. Op 29 april 2011 heeft met hem het gehoor in het kader van deze aanvraag plaatsgevonden. Nu dit gehoor blijkens het rapport ervan ook was gericht op vaststelling van de identiteit, nationaliteit en reisroute van de vreemdeling, was het van directe betekenis voor de bewerkstelliging van de beoogde uitzetting. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in dit opzicht met onvoldoende voortvarendheid te werk is gegaan. De beroepsgrond faalt.

8. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 april 2011 gegrond verklaren voor zover dit ziet op de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verblijf van de vreemdeling in AC Schiphol ook voor een duur van ten hoogste vier dagen ontoelaatbaar moet worden geacht. Ter zake van het nadeel dat de vreemdeling heeft geleden door zijn verblijf in AC Schiphol, heeft hij aanspraak op

€ 125,00 aan schadeloosstelling als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het EVRM. Voor het overige zal de Afdeling het beroep ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 6 mei 2011 in zaak nr. 11/13960;

III. verklaart het door de vreemdeling ingestelde beroep voor zover dit ziet op de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring gegrond;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie) om aan de vreemdeling bij wijze van schadeloosstelling € 125,00 (zegge: honderdvijfentwintig euro) te betalen;

V. verklaart het door de vreemdeling ingestelde beroep voor het overige ongegrond;

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Bakker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

395.

Verzonden: 5 december 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser