Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5149

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
201111294/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatieplan buitengebied Jacobswoude" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201111294/1/R4.

Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b], wonend te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem,

2.    [appellant sub 2], wonend te Hoogmade, gemeente Kaag en Braassem,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Kaag en Braassem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatieplan buitengebied Jacobswoude" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben  en [appellant sub 1b] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad van de gemeente Kaag en Braassem heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2012, waar [appellant sub 1b], bijgestaan door [gemachtigde], en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft, en de raad, vertegenwoordigd door ir. J. Beelen en ir. J.E. Eichler zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan betreft een reparatie van een deel van het bestemmingsplan "Buitengebied Jacobswoude" waaraan de Afdeling bij uitspraak van 29 september 2010 zaaknr: 200809200/1/R1 gedeeltelijk goedkeuring heeft onthouden.

Het beroep van [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b]

2.    Het beroep van [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan de [locatie sub 1] te Leimuiden. Zij betogen dat aan het perceel ten onrechte geen groter bebouwingsvlak is toegekend. Zij voeren hiertoe aan dat uit de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 volgt dat een bebouwingsvlak ter grootte van het bebouwingsvlak bij [locatie sub 2] diende te worden toegekend. Volgens [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] zijn er geen landschappelijke, stedenbouwkundige of fysieke belemmeringen die aan het toekennen van een groter bebouwingsvlak in de weg zouden staan. Zij vinden een aparte bestemmingsplanprocedure voor een dergelijke wijziging voorts onnodig hoge kosten met zich brengen.

2.1.        De raad stelt zich op het standpunt dat de vergelijking met de situatie aan de [locatie sub 2] niet op gaat, nu op dat perceel al een groter bebouwingsvlak aanwezig was voordat twee vrijstaande woningen werden mogelijk gemaakt. In het deskundigenbericht, opgesteld ter beoordeling van de beroepen tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Jacobswoude", wordt volgens de raad voorts slechts gesproken van een vergelijkbare situatie. De raad stelt dat een vergroting van het bebouwingsvlak niet bij voorbaat in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kan worden geacht, nu de N207 nabij het perceel is gelegen, deze weg zal worden verbreed richting het perceel aan de [locatie sub 1] en het bebouwingsvlak op dat perceel daardoor dichterbij de weg zal komen te liggen. Gelet daarop moet volgens de raad eerst kunnen worden verzekerd dat de geluidbelasting en de luchtkwaliteit geen belemmering vormen voor het toekennen van een groter bebouwingsvlak. De raad stelt verder dat [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] ondanks verzoeken daartoe geen concreet plan tot vergroting van de bebouwing hebben overgelegd en dat een reparatie van het plan niet het geëigende middel is om persoonlijke belangen mee te nemen waarvan de ruimtelijke inpasbaarheid en wenselijkheid een aparte toets dient te doorstaan.

3.    In de uitspraak van 29 september 2010 oordeelde de Afdeling, voor zover thans van belang, het volgende:

2.20.2

(…)

Hoewel er sprake zou zijn van relatief kleine woningen, gezien de omvang van het bestemmingsvlak, stond het voorgaande plan niet in de weg aan de bouw van twee woningen op het perceel.

2.20.3    Gelet op hetgeen is overwogen in 2.20.2 waren in tegenstelling tot hetgeen de raad en het college van gedeputeerde staten hebben gesteld op grond van het voorgaande plan de bouwmogelijkheden voor de gronden aan de [locatie sub 1] niet beperkt tot één woning. De raad en het college van gedeputeerde staten zijn derhalve van een onjuist uitgangspunt uitgegaan. Door het plan op dit punt goed te keuren heeft het college van gedeputeerde staten miskend dat het plan op dit punt is voorbereid in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit klemt te meer nu het college van gedeputeerde staten in het bestreden besluit heeft aangegeven in beginsel niet tegen de bouw van een tweede woning op de gronden aan de [locatie sub 1] te zijn en volgens het deskundigenbericht er vanuit landschappelijk oogpunt geen verschil met de situatie op de gronden aan de [locatie sub 2] bestaat.

(…)

3.1.        Anders dan [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] betogen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 niet dat een groter bebouwingsvlak had moeten worden toegekend. De vergelijking met de [locatie sub 2] heeft betrekking op het toestaan van een tweede woning op het perceel en in dit verband heeft de Afdeling geconstateerd dat er vanuit landschappelijk oogpunt geen verschil bestaat met de situatie op de gronden aan de [locatie sub 2]. Anders dan [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] betogen vloeit uit de uitspraak aldus niet voort dat een bebouwingsvlak ter grootte van het bebouwingsvlak op het perceel [locatie sub 2] had moeten worden toegekend.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het toekennen van een groter bouwvlak een nadere beoordeling en nader onderzoek dient plaats te vinden. Aangezien [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] geen concreet plan over het vergroten van hun bebouwingsvlak hebben overgelegd heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die beoordeling niet in het kader van dit plan hoeft plaats te vinden.

Gelet op het voorgaande wordt in het aangevoerde geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid kon afzien van het toekennen van een groter bebouwingsvlak aan het perceel [locatie sub 1].

3.2.        Het beroep van [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] is ongegrond.

 

Het beroep van [appellant sub 2]

4.    Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" op het perceel aan de [locatie sub 3] te Hoogmade. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte een woonbestemming aan het perceel is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat hij beperkt wordt in zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden. [appellant sub 2] stelt dat voor het toekennen van een woonbestemming geen rechtvaardiging is gelegen in het feit dat gedurende lange tijd niet handhavend is opgetreden tegen illegale bewoning van het pand op het perceel. [appellant sub 2] stelt dat de alternatieve oplossingen voor de situatie onvoldoende zijn onderzocht. Hij betoogt voorts dat geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd nu ten onrechte niet is aangesloten bij de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure).

[appellant sub 2] stelt dat een uitbreiding van zijn bedrijf naar een verder van de woning gelegen deel van het perceel in verband met hygiëne voorschriften, met behoud van een rendabel bedrijf, onmogelijk is. Omdat de melkleiding tussen zijn kaasmakerij en de stal volgens [appellant sub 2] maximaal 25 meter lang kan zijn, zal zijn stal verplaatst moeten worden, teneinde een uitbreiding mogelijk te maken. Dit zal volgens hem, zo het al mogelijk is, onevenredige hoge kosten met zich brengen.

4.1.        De raad stelt zich op het standpunt dat door het gebruiksovergangsrecht van voorgaande bestemmingsplannen het feitelijk gebruik dat onder die bestemmingsplannen is aangevangen en vanaf die periode is voorgezet, is gelegaliseerd. Handhavend optreden tegen de burgerbewoning is daarom niet meer mogelijk, aldus de raad. Het toekennen van een woonbestemming heeft volgens de raad geen onevenredig nadeel voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 2], omdat voor de milieuwetgeving reeds uit wordt gegaan van de feitelijke situatie. Uit onderzoek en navraag is volgens de raad gebleken dat het verplaatsen van het emissiepunt geen onevenredig hoge kosten met zich brengt en dat de melkleiding tussen de stal en de kaasmakerij tot 50 meter lang kan zijn, hetgeen betekent dat [appellant sub 2] op zijn perceel nog voldoende ruimte heeft om uit te breiden.

De raad betoogt voorts dat ingevolge de na het bestreden besluit in werking getreden gemeentelijke geurverordening in een geval als dit een afstand van 25 meter tussen woning en geuremissiepunt voldoende is. Dit zal volgens de raad geregeld kunnen worden in de inmiddels door [appellant sub 2] aangevraagde omgevingsvergunning.

4.2.        Op het perceel Doespolderkade 1 exploiteert [appellant sub 2] zowel een melkrundveehouderij met ongeveer 75 koeien, als een kaasmakerij. De afstand van de stal voor het melkrundvee tot de in het plan voorziene woning bedraagt ongeveer 25 meter. Niet in geschil is dat er behoefte bestaat aan uitbreiding en dat daarvoor op het perceel nog ruimte is, zowel in de richting van de [locatie sub 3] als in andere richtingen.

4.3.        Ter zitting is vast komen te staan dat het gebruik van de woning als burgerwoning is aangevangen voor 1987. In het voorgaande bestemmingsplan "Woubrugge buitengebied" uit 1987, maakten de gronden [locaties sub 4] deel uit van hetzelfde bouwvlak en hadden de gronden de bestemming "Agrarisch gebied met openheid". Het overgangsrecht voor gebruik van gronden en bouwwerken van het bestemmingsplan "Woubrugge buitengebied" houdt in dat het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, mag worden voortgezet.

Dit betekent dat het gebruik van het pand als burgerwoning onder het overgangsrecht van dat plan viel. Gelet daarop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat tegen het gebruik van het pand als burgerwoning niet meer handhavend kan worden opgetreden.

4.4.        Weliswaar valt het gebruik van het pand op het perceel [locatie sub 3] als burgerwoning onder het overgangsrecht van het vorige plan, dit laat echter onverlet dat door het toekennen van een woonbestemming planologisch gezien een nieuwe situatie ontstaat. In een dergelijke situatie dient de raad te bezien of het toekennen van een woonbestemming aan het perceel in overeenstemming is met de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

4.5.        Bij uitspraak van 29 september 2010 heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

(…)

Niet in geschil is dat het bouwvlak van het bedrijf van [appellant sub 2] nog uitbreidingsmogelijkheden biedt, waaronder onder meer dichter naar de woning aan de [locatie sub 3]. De Afdeling is van oordeel dat onvoldoende is bezien wat de consequenties van het plan op dit punt zijn voor de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van [appellant sub 2]. Voor zover de raad heeft gewezen op de omstandigheid dat het bouwvlak voldoende ruimte biedt voor uitbreiding op grotere afstand van de bebouwing op het perceel [locatie sub 3] dan de huidige bebouwing, overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat een uitbreiding of verplaatsing van het bedrijf naar een verder van de woning op [locatie sub 3] gelegen deel van het perceel kostbaar is, omdat in verband met hygiëne voorschriften dit tevens een verplaatsing van de kaasmakerij dient in te houden.

Het voorgaande klemt temeer nu in 1988 het pand aan de [locatie sub 3] in strijd met het destijds geldende plan in gebruik is genomen als burgerwoning. Door het plan in zoverre goed te keuren heeft het college van gedeputeerde staten miskend dat het plan op dit punt is voorbereid in strijd met de zorgvuldigheid.

(…)

4.6.        Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad ook thans onvoldoende bezien wat de gevolgen van het toekennen van de woonbestemming aan het perceel aan de [locatie sub 3] zijn voor de voorzetting en uitbreiding van de bedrijfsvoering van [appellant sub 2]. De raad heeft in dit verband zijn stelling dat de kosten die gemoeid zijn met een bedrijfsuitbreiding of een mogelijk benodigde bedrijfsverplaatsing aanvaardbaar zijn, niet onderbouwd. Ook heeft de raad geen uitsluitsel geboden over de aanvaardbaarheid van melkleidingen met een lengte langer dan 25 meter, zowel bekeken vanuit het kostenperspectief als vanuit hygiënisch oogpunt. De stelling van de raad dat deze leidingen tot 50 meter lang kunnen zijn is onvoldoende onderbouwd, nu de raad deze stelling louter heeft gebaseerd op e-mailberichten van Friesland Campina en Delaval en [appellant sub 2] deze stelling gemotiveerd heeft bestreden door brieven van andere zuiveldeskundigen over te leggen met tegengestelde conclusies.

4.7.        De raad heeft voorts niet onderzocht of ter plaatse van de in het plan voorziene woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden. Het betoog van de raad dat de woning reeds aanwezig is en dat daarom geen verschil bestaat ten opzichte van de bestaande situatie slaagt niet, aangezien zoals overwogen onder 4.4 het toekennen van een woonbestemming planologisch gezien is aan te merken als een nieuwe situatie en derhalve ook als zodanig dient te worden beoordeeld.

4.8.        In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" aan de [locatie sub 3] te Hoogmade, dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

4.9.        De verwijzing van de raad naar de na het bestreden besluit in werking getreden geurverordening Kaag en Braassem is in dit verband voorts niet toereikend, nu de procedure over de omgevingsvergunning van [appellant sub 2] nog niet is doorlopen en op grond van hetgeen is aangevoerd niet kan worden beoordeeld of aan de in de geurverordening genoemde criteria voor het hanteren van een kortere afstand is voldaan.

4.10.        De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] ongegrond;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond;

III.    vernietigt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Reparatieplan buitengebied Jacobswoude" van 5 september 2011, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" op het perceel [locatie sub 3] te Hoogmade;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Kaag en Braassem tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Kaag en Braassem aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Postma

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

539-731.