Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
201107123/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2010 heeft het dagelijks bestuur een aanvraag van [wederpartij] om afgifte van een vergunning voor een ligplaats aan de Borneokade [nummer] voor de woonboot [naam] en een verzoek om uitkering van een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2013/9 met annotatie van D.G.J. Sanderink en L.J.M. Timmermans
JIN 2013/39 met annotatie van D.G.J. Sanderink en L.J.M. Timmermans
Gst. 2013/36

Uitspraak

201107123/1/A3.

Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2011 in zaak nr. 10/6168 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2010 heeft het dagelijks bestuur een aanvraag van [wederpartij] om afgifte van een vergunning voor een ligplaats aan de Borneokade [nummer] voor de woonboot [naam] en een verzoek om uitkering van een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen afgewezen.

Bij besluit van 9 november 2010 heeft het dagelijks bestuur het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2011 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van [wederpartij] tegen de afwijzing van de aanvraag om een ligplaatsvergunning ongegrond is verklaard, het besluit van 7 juli 2010 herroepen, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 9 november 2010 en het dagelijks bestuur opgedragen aan [wederpartij] vergunning te verlenen voor een ligplaats aan de Borneokade [nummer] (ter hoogte van [nummer]) voor de [naam woonboot]. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2012, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. C.R. Waal, werkzaam bij het stadsdeel, en [wederpartij], bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1.2.7 van de Verordening op het binnenwater 2010 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening) kan een vergunning of ontheffing worden geweigerd in geval van strijd met het bestemmingsplan, onverminderd de elders in deze verordening genoemde weigeringsgronden.

Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, strekt de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1 tot het innemen van een ligplaats in de gemeente.

Ingevolge het tweede lid wordt bij verlening van de vergunning een ligplaats toegewezen. De vergunning is aan die ligplaats gebonden.

Ingevolge artikel 2.3.1, eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college met een woonboot ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons- en vaartuiggebonden, onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.2.

Ingevolge het tweede lid kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de welstand, ordening, de veiligheid, het milieu en de vlotte en veilige doorvaart.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen van de gemeente Amsterdam heeft het college van burgemeester en wethouders al de thans van belang zijnde bevoegdheden overgedragen aan de dagelijks besturen van de stadsdelen.

2.    Het dagelijks bestuur heeft bij het besluit van 9 november 2010 de afwijzing van de aanvraag van [wederpartij] gehandhaafd. Nu niet is voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in een motie van de deelraad van het voormalige stadsdeel Zeeburg van 28 februari 2006, in welke motie het dagelijks bestuur wordt opgedragen te komen tot een permanente ligplaatsvergunning voor de woonboot van [wederpartij], is terecht in het belang van de ordening geweigerd een ligplaatsvergunning te verlenen, aldus het dagelijks bestuur.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat het begrip 'ordening' in artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening ziet op de ordening van het water. Volgens de rechtbank valt niet in te zien hoe die ordening in dit geval in de weg staat aan inwilliging van de aanvraag, aangezien de betrokken ligplaats geheel is gerealiseerd en is gereserveerd voor de woonboot van [wederpartij], de aanlegsteiger is gebouwd en zich geen strijd met het bestemmingsplan voordoet. Het ontbreken van overeenstemming over de financiële vergoeding die het dagelijks bestuur van [wederpartij] wenst te ontvangen, heeft geen betrekking op die ordening, aldus de rechtbank. Verder heeft de rechtbank het dagelijks bestuur niet gevolgd in de stelling dat het beleid is dat geen nieuwe ligplaatsen worden uitgegeven en dat hierop in dit geval slechts bij overeenstemming over een financiële vergoeding een uitzondering kan worden gemaakt.

4.    Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag van [wederpartij] niet mocht worden afgewezen wegens strijd met de ordening als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening. Het dagelijks bestuur voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat het begrip 'ordening' ook ziet op de wijze waarop ligplaatsen worden verdeeld. Voorts is de rechtbank er volgens het dagelijks bestuur ten onrechte aan voorbijgegaan dat volgens het gevoerde beleid in beginsel geen nieuwe ligplaatsen worden uitgegeven, zodat slechts onder bijzondere omstandigheden - in dit geval het voldoen aan de voorwaarden uit de motie - een ligplaatsvergunning wordt verleend.

4.1.    Het dagelijks bestuur betoogt terecht dat het in artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening opgenomen begrip 'ordening' niet slechts ziet op de door de rechtbank genoemde aspecten, die meer ruimtelijk van aard zijn, maar ook op de wijze waarop het dagelijks bestuur vrijgekomen dan wel nieuw aangelegde ligplaatsen verdeelt.

In het besluit van 9 november 2010 heeft het dagelijks bestuur uiteengezet welk beleid het voert ter invulling van dit begrip 'ordening'. Na de zogenoemde bevriezing van het woonbotenbestand in 1974 is het uitgangspunt dat in beginsel geen nieuwe ligplaatsen worden vergund. Bovendien is in de Nota Woonbotenbeleid Zeeburg 2003 (hierna: de Nota) bepaald dat het stadsdeel geen nieuwe ligplaatsen zal uitgeven. Weliswaar zijn ook na 1974 ligplaatsvergunningen verleend voor nieuwe ligplaatsen, maar daarbij ging het altijd om zogenoemde gedoogrondes of om vergunningen op grond van een speciale regeling, een verplaatsingsregeling of bijzondere omstandigheden, aldus het dagelijks bestuur.

In de omstandigheid dat de Nota niet uitsluit dat op termijn wel nieuwe ligplaatsen worden vergund, heeft de rechtbank ten onrechte grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet meer het uitgangspunt hanteert dat in beginsel geen nieuwe ligplaatsen worden vergund. Ook geven de door [wederpartij] genoemde gevallen waarin vergunning is verleend voor nieuwe ligplaatsen voor woonboten die zijn verplaatst vanuit de Flevohaven, geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur het voormelde beleid niet meer voert. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze gevallen, anders dan het dagelijks bestuur stelt, niet kunnen worden geschaard onder vorenbedoelde categorieën van gevallen waarin wordt afgeweken van het beleidsuitgangspunt.

4.2.    Het vorenstaande laat evenwel onverlet dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het dagelijks bestuur in dit geval de vergunning niet heeft mogen weigeren in het belang van de ordening, nu het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft gesteld dat de motie is aan te merken als een bijzondere omstandigheid die een uitzondering op voormeld beleidsuitgangspunt rechtvaardigt. Bovendien heeft het dagelijks bestuur ter uitvoering van de motie speciaal voor de woonboot van [wederpartij] een ligplaats met bijbehorende voorzieningen laten creëren, welke ligplaats reeds met die woonboot wordt ingenomen. Dat [wederpartij] voor het gebruik van het betrokken gedeelte van het water ook privaatrechtelijke toestemming van de gemeente nodig heeft, waartoe de gemeente een erfpachtovereenkomst wil sluiten en een financiële vergoeding van haar wenst te ontvangen, maakt niet dat de ordening zich tegen verlening van de gevraagde vergunning verzet. In dat verband wordt in aanmerking genomen dat niet is uitgesloten dat de gemeente en [wederpartij] overeenstemming bereiken over die financiële vergoeding. Indien zonder privaatrechtelijke toestemming ligplaats wordt ingenomen, kan de gemeente voorts gebruikmaken van de privaatrechtelijke instrumenten die haar als eigenaar van het gedeelte van het water ter beschikking staan. Dat ook in de motie is opgenomen dat tot overeenstemming dient te worden gekomen over een voor de ligplaats voor de [naam woonboot] te betalen vergoeding, maakt het voorgaande niet anders.

Het betoog faalt.

5.    Voorts betoogt het dagelijks bestuur dat de rechtbank, door opdracht te geven om een vergunning te verlenen voor een ligplaats voor de [naam woonboot], het onmogelijk heeft gemaakt om die vergunning op andere gronden te weigeren. Indien geen overeenstemming over een financiële vergoeding wordt bereikt, zal het dagelijks bestuur alsnog weigeren op grond van het beleid dat geen nieuwe ligplaatsen worden vergund. Verder staat het ontbreken van belang volgens het dagelijks bestuur in de weg aan verlening van de vergunning, nu [wederpartij] privaatrechtelijk geen aanspraak kan maken op het desbetreffende gedeelte van het water.

5.1.    Ter zitting bij de Afdeling heeft het dagelijks bestuur bevestigd dat slechts het ontbreken van overeenstemming over een door [wederpartij] te betalen financiële vergoeding en daardoor het ontbreken van een erfpachtovereenkomst aan verlening van de vergunning in de weg staat. Het dagelijks bestuur ziet derhalve geen aanleiding voor een weigering wegens strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 1.2.7 van de Verordening of in het belang van de welstand, de veiligheid, het milieu of de vlotte en veilige doorvaart als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, vloeit voort dat het ontbreken van overeenstemming over privaatrechtelijke aspecten er in dit geval niet toe kan leiden dat alsnog toepassing wordt gegeven aan het uitgangspunt van het beleid dat in het belang van de ordening geen nieuwe ligplaatsen worden vergund. Nu voorts niet is uitgesloten dat die overeenstemming alsnog wordt bereikt, is niet aannemelijk dat [wederpartij] nimmer van de vergunning gebruik zal kunnen maken. Derhalve heeft de rechtbank het dagelijks bestuur terecht niet gevolgd in het standpunt dat [wederpartij] geen belang heeft bij een besluit op haar aanvraag.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door het dagelijks bestuur aangevoerde gronden een weigering van de door [wederpartij] aangevraagde vergunning niet kunnen dragen. Nu ook overigens niet valt in te zien op welke grond de vergunning kan worden geweigerd, biedt hetgeen het dagelijks bestuur heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft opgedragen een vergunning te verlenen voor een ligplaats voor de [naam woonboot].

Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7.    Voor zover [wederpartij] proceskosten heeft opgevoerd voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, wordt overwogen dat niet is gebleken dat Blaauw kan worden aangemerkt als beroepsmatige rechtsbijstandverlener als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is derhalve niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    bepaalt dat van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Herweijer

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

640.