Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
201204273/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] Uddel" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201204273/1/R2.

Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Uddel, gemeente Apeldoorn,

en

de raad van de gemeente Apeldoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] Uddel" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. L. Bolier, en de raad, vertegenwoordigd door T. van Essen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting als partij gehoord [belanghebbenden], vertegenwoordigd door mr. L.C.J. Dekkers, advocaat te Alphen aan den Rijn.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak voor wonen voor het perceel aan de [locatie 1] te Uddel (hierna: het perceel). Voorts is binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak opgenomen.

2.    [appellant] exploiteert een kalvermesterij aan de [locatie 2] te Uddel en kan zich niet verenigen met het plan. Hij stelt dat een deel van een bestaand bijgebouw ten onrechte binnen het bouwvlak is opgenomen waardoor een groter oppervlak aan illegaal opgerichte bijgebouwen buiten het bouwvlak alsnog kan worden vergund. In dat verband stelt [appellant] meer in zijn algemeenheid dat het alsnog legaliseren van illegaal opgerichte bijgebouwen ten onrechte wordt mogelijk gemaakt en dat dit in strijd is met de beleidsuitgangspunten die de gemeente hanteert voor bebouwing in het buitengebied.

Voorts stelt [appellant] dat het vergroten van het bestemmingsvlak voor wonen zich niet verdraagt met de aanwezigheid van zijn intensieve veehouderij op het perceel [locatie 2]. In dat verband stelt hij dat thans reeds niet wordt voldaan aan de aan te houden afstand tot zijn bedrijf.

[appellant] stelt dat de raad hiernaar ten onrechte geen onderzoek heeft verricht.

3.    De raad stelt dat het plan niet leidt tot een belemmering in de bedrijfsvoering van [appellant]. Het plan voorziet uitsluitend in een nieuwe planologische regeling voor het perceel zonder dat nieuwe bebouwing mogelijk wordt gemaakt die de bedrijfsvoering van [appellant] kan beperken. Om die reden behoeft volgens de raad geen onderzoek te worden verricht naar de aan te houden afstanden tot het bedrijf van [appellant]. Verder is na onderzoek gebleken dat een aantal op het perceel aanwezige bouwwerken kunnen worden gelegaliseerd en dat een aantal bouwwerken zullen moeten worden gesloopt omdat de maximaal toegestane oppervlakte voor bijgebouwen wordt overschreden, aldus de raad.

4.    Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen" onder meer bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 3.2 van dit artikel geldt, naast de algemene bouwregels van artikel 5, dat de oppervlakte van hoofdgebouwen maximaal gelijk is aan de omvang van het bouwvlak. De toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bedraagt per hoofdgebouw 75 m². Voor het bepalen van de oppervlakte worden bijgebouwen die worden gebruikt voor beroepsuitoefening aan huis dan wel voor niet-publieksgerichte bedrijfsactiviteiten aan huis meegeteld.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder 5.1.1, onderdeel b, van de planregels, geldt dat daar waar een bouwvlak is aangegeven, gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden opgericht, tenzij in deze regels anders is bepaald.

4.1.    In het vorige plan "Buitengebied Agrarische Enclave" was aan het perceel de bestemming "Wonen" toegekend zonder bouwvlak.

Ingevolge artikel 16 van de planvoorschriften van dat plan mocht binnen de bestemming "Wonen" een woning worden gebouwd met een maximale inhoud van 600 m³. In de planvoorschriften was geen nadere beperking in de situering van woningen opgenomen, zij het dat de afstand tot de perceelsgrens niet minder dan 2,5 meter mocht bedragen.

4.2.    In het vorige plan was aan het perceel geen bouwvlak toegekend en golden geen beperkingen ten aanzien van de situering van een woning, behalve dat de afstand van de woning tot de perceelsgrens niet minder dan 2,5 meter mocht bedragen. In zoverre betreft het toekennen van een bouwvlak een beperking van de bouwmogelijkheden op het perceel. Wat betreft de omvang van het bouwvlak is uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren gekomen dat het bouwvlak de woning alsmede een pedicureruimte omvat die door middel van een doorgang met de woning is verbonden. Het bouwvlak sluit nauw aan bij deze bebouwing zodat een verdere uitbreiding niet mogelijk is. Niet in geschil is dat zowel de woning als de pedicureruimte legaal aanwezig zijn op het perceel. De Afdeling ziet dan ook niet in dat het toekennen van een bouwvlak aan het perceel op zichzelf leidt tot een beperking in de bedrijfsvoering van [appellant], zodat in zoverre geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad de pedicureruimte en de doorgang niet binnen het bouwvlak heeft kunnen opnemen.

4.3.    Voor zover [appellant] stelt dat de pedicureruimte en de doorgang naar de woning ten onrechte binnen het bouwvlak zijn opgenomen waardoor buiten het bouwvlak een groter oppervlak aan bijgebouwen kan worden opgericht, wordt overwogen dat ingevolge artikel 1, lid 17, van de planregels binnen het bouwvlak gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. Binnen het bouwvlak zijn derhalve ook bijgebouwen toegestaan. De omstandigheid dat de pedicure en de doorgang binnen het bouwvlak zijn opgenomen brengt derhalve niet met zich dat deze bebouwing dient te worden gekwalificeerd als zijnde een onderdeel van het hoofdgebouw. Voorts wordt in artikel 3, lid 3.2, van de planregels ten aanzien van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen geen onderscheid gemaakt tussen bijgebouwen die binnen dan wel buiten het bouwvlak liggen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor de vrees van [appellant] dat het opnemen van de doorgang en de pedicureruimte binnen het bouwvlak op zichzelf tot gevolg heeft dat buiten het bouwvlak een grotere oppervlakte aan bijgebouwen kan worden opgericht. Dit betoog faalt.

4.4.    Ten aanzien van het bezwaar van [appellant] dat een vergroting van het bestemmingsvlak voor wonen leidt tot een beperking in zijn bedrijfsvoering, wordt als volgt overwogen. In de planregels is wat betreft de situering van bijgebouwen geen nadere beperking opgenomen, zodat niet is uitgesloten dat als gevolg van het plan dichter op de perceelsgrens bijgebouwen kunnen worden opgericht. Ter zitting heeft de raad in dit kader gesteld dat in de planregels is uitgesloten dat bijgebouwen voor permanente bewoning kunnen worden gebruikt. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 1, lid 19, van de planregels weliswaar is bepaald dat bijgebouwen niet voor bewoning bestemd zijn, maar niet is uitgesloten dat bijgebouwen blijkens aard, indeling en inrichting geschikt kunnen zijn om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik kunnen worden gebruikt. Derhalve sluit het plan niet uit dat op het perceel bijgebouwen kunnen worden opgericht die dienen te worden aangemerkt als geurgevoelig object. In aansluiting hierop wordt overwogen dat door de raad niet inzichtelijk is gemaakt welke regelgeving voor het bedrijf van [appellant] van toepassing is en of en zo ja, welke gevolgen het oprichten van geurgevoelige objecten heeft voor de bedrijfsvoering van [appellant]. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat [appellant] als gevolg van het plan niet zal worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering, zodat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

4.5.    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 3, lid 3.2, van de planregels, voor zover dit artikel betrekking heeft op de mogelijkheid om binnen de bestemming "Wonen", zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart, bijgebouwen op te richten, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant] is voor het overige ongegrond.

4.6.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Apeldoorn van 8 maart 2012, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.2, van de planregels, voor zover dit artikel betrekking heeft op de mogelijkheid om binnen de bestemming "Wonen", zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart, bijgebouwen op te richten;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Apeldoorn tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Apeldoorn aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, ambtenaar van staat.

w.g. Slump    w.g. Fenwick

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

608.

<hr /><img width="750" src="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/plankaarten/2012p04273-1.jpg" alt="" />