Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5128

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
201107432/3/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoge Hoek" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 8.2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.6
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2013/10 met annotatie van mr. ing. J.J. Thoonen

Uitspraak

201107432/3/R3.

Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Tilburg,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Tilburg,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Tilburg,

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoge Hoek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Novaform Vastgoedontwikkelaars B.V. (hierna: Novaform) hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2012, waar [appellante sub 1], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door D.J. Kersten, ing. R. Bravenboer, ing. H. Smith en M. Daamen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar Novaform, vertegenwoordigd door M.F.P.M. Horvers en P.H.T.J. van den Heuvel, bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen, gehoord.

De Afdeling heeft de behandeling van de onderhavige beroepen afgesplitst van zaak nr. 201107432/1/R3. De behandeling van het door [appellant sub 4] tegen het besluit van 11 april 2011 ingestelde beroep zal onder laatstgenoemd nummer worden voortgezet.

Overwegingen

1. Het bestemmingsplan "Hoge Hoek" voorziet in de bouw van ongeveer 275 woningen in Berkel-Enschot. Het plangebied wordt globaal begrensd door de kruising van de spoorlijn tussen Tilburg en 's-Hertogenbosch met de Molenstraat, de spoorlijn aan de westkant, de Molenstraat en de Raadhuisstraat. Het plan maakt deel uit van een project van in totaal vier deelplannen, de zogenoemde Overhoeken: de Enschotsebaan, Koningsoord, Hoge Hoek en Akker-Heikant.

2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge artikel 3, eerste lid van bijlage I behorende bij de Chw, zoals dit luidde ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, wordt onder ruimtelijke en infrastructurele projecten verstaan de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

Nu het plan voorziet in de mogelijkheid van de bouw van 275 woningen is afdeling 2 van de Chw van toepassing.

Het beroep van [appellante sub 1]

3. [appellante sub 1], die woont aan de [locatie a], heeft haar beroepsgronden met betrekking tot de terinzagelegging van de akoestische rapporten en de locatie van de UMTS-mast ingetrokken.

4. [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met het plan. Zij betoogt onder meer dat in de zienswijzennota geheel is voorbijgegaan aan haar stelling dat in de plantoelichting niet is ingegaan op de gevolgen van de toename van de grootschalige woningbouw ten westen van haar perceel. De opmerking dat in verband met dit laatste reeds een planschadevergoeding is toegekend, geeft geen blijk van een zorgvuldige afweging van haar belangen. Voorts is in strijd met een toezegging van de wethouder niet gereageerd op de door haar als aanvulling op haar zienswijze ingediende inspraaknotitie.

4.1. Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 27 januari 2011 zes weken ter inzage gelegen. [appellante sub 1] heeft tijdig bij de raad een gemotiveerde zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht. Vervolgens heeft zij de zienswijze na afloop van de in artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn aangevuld.

4.2. Naar het oordeel van de Afdeling is niet gebleken dat de in de Wro vervatte bestemmingsplanprocedure onjuist is verlopen en dat onvoldoende op de zienswijze van [appellante sub 1] is ingegaan.

Daarbij overweegt de Afdeling dat een bestuursorgaan in beginsel een na afloop van de termijn van terinzagelegging van het ontwerpplan ingediende nadere motivering van een tijdig ingediende en gemotiveerde zienswijze niet buiten beschouwing mag laten, tenzij het bij de beoordeling betrekken, gelet op de datum van indiening, in redelijkheid niet meer van dat orgaan mag worden verwacht. Uit de stukken blijkt dat de raad, in aansluiting bij dat uitgangspunt, de inspraaknotitie van [appellante sub 1] grotendeels bij de beoordeling van haar zienswijze heeft betrokken.

Voor zover de inspraaknotitie nieuwe argumenten bevat die niet in de zienswijze zijn opgenomen, heeft de raad die, gezien het tijdstip van indiening daarvan, in redelijkheid buiten behandeling kunnen laten. Met betrekking tot de gestelde toezegging ter zake door de wethouder overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een wethouder, maar bij de raad. De Afdeling is mitsdien van oordeel dat de raad het plan op dit punt niet in strijd met het zorgvuldigheids- en/of vertrouwensbeginsel heeft vastgesteld.

5. [appellante sub 1] voert voorts aan dat de ontsluiting van het gebied de Overhoeken niet zeker is gesteld, hetgeen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zo is volgens haar geen rekening gehouden met de woningbouw die in het Stedenbouwkundig Plan Overhoeken 2003 (hierna: SPO 2003) in de Overhoeken als geheel is voorzien. De volgens het milieueffectrapport Besluit-MER plangebied Overhoeken van juni 2007 (hierna: het MER) en het SPO 2003 in dit kader te treffen maatregelen, waaronder de aanleg van een aantal nieuwe gebiedsontsluitingswegen, zullen volgens haar niet tijdig kunnen worden gerealiseerd vanwege planologische en financiële onzekerheden. Bovendien is bij de planvaststelling geen rekening gehouden met de in de deelplannen opgenomen grotere woningdichtheid per hectare dan in het SPO 2003 was voorzien, noch met de voorgenomen realisering van een grootschalig woningbouwproject ten westen van het spoor. Aldus staat niet vast of de toename van het verkeer door realisering van het plan kan worden opgevangen binnen de huidige wegenstructuur van Berkel-Enschot, noch of de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisering van het aantal geplande woningen in de overige wijken op een goede manier kan worden afgewikkeld.

[appellante sub 1] stelt te vrezen voor een forse toename van het verkeer in de Molenstraat ter hoogte van haar woning, waardoor haar woon- en leefklimaat in ernstige mate zal worden aangetast. Bij het akoestisch onderzoek is er onder meer ten onrechte van uitgegaan dat het oostelijke deel van de Molenstraat, waar haar woning staat, is gelegen binnen de bebouwde kom. Ook zijn de gevolgen van de toename van de gecumuleerde geluidbelasting op de gevel van haar woning als gevolg van de toename van het autoverkeer, het railverkeer, de verharding in het plangebied en de plannen direct grenzend aan het plangebied onvoldoende onderzocht, waardoor onbekend is of kan worden voldaan aan de bepalingen van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), aldus [appellante sub 1].

5.1. De raad heeft zich - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat de ontsluitingsweg aan de westzijde van het plangebied niet noodzakelijk is voor de ontsluiting van de in het plan voorziene woonwijk en dat deze weg bovendien gerealiseerd zal zijn op het moment waarop het gehele project de Overhoeken zal zijn verwezenlijkt. Uit onderzoek is gebleken dat het extra verkeer van de in het plan voorziene woningen kan worden opgevangen door de bestaande wegen, aldus de raad.

5.2. Vast staat dat zowel in het SPO 2003, als in het MER de ontwikkeling van het gehele gebied Overhoeken als uitgangspunt is genomen. Daarin is voorzien in de ontsluiting van dat gebied via de Kreitenmolenstraat, de N65, de Burgemeester Bechtweg en de nieuw aan te leggen Koningsoordlaan en verkeersweg langs de spoorlijn. Vanwege de realisatie en financiering van de ontsluiting door de verschillende projectontwikkelaars in hun deelgebied, worden de verschillende weggedeelten in afzonderlijke milieueffectrapporten en in afzonderlijke deelplannen opgenomen.

5.3. In het MER zijn met betrekking tot de ontsluiting van het gebied drie knelpunten genoemd, te weten de Burgemeester Bechtweg, het kruispunt Quatre Bras/Lei Ping en het kruispunt Bosscheweg-A65. Naar de raad onweersproken heeft gesteld is de verbreding van de Burgemeester Bechtweg deels gereed en zal het resterende deel, met vier nieuwe viaducten, naar verwachting in het eerste kwartaal van 2013 gereed zijn. Wat betreft het kruispunt Quatre Bras/Lei Ping is na diverse onderzoeken van Rijkswaterstaat in samenwerking met de gemeenten Tilburg en Oisterwijk, op basis van de aantallen geplande woningen in het gebied, een ongelijkvloerse kruising niet nodig geacht en is volstaan met uitbreiding met diverse opstelvakken. Op het kruispunt Bosscheweg-A65 is inmiddels een zogenoemde turborotonde aangelegd.

Volgens het verweerschrift is het gedeelte van de gebiedsontsluitingsweg in het deelplan Enschotsebaan gerealiseerd. Voor het gebied Akker-Heikant zijn nog geen contracten gesloten en is nog geen planologische procedure in gang gezet. Voor het gebied Koningsoord wordt op korte termijn een nieuw ontwerpplan ter inzage gelegd.

5.4. De raad heeft niet weersproken dat, met name ten gevolge van de crisis, vertragingen zijn opgetreden en faseringen noodzakelijk zijn gebleken. Hierdoor zal een gedeelte van de gebiedsontsluitingsweg, waaronder het gedeelte in Koningsoord, naar verwachting later gereed zijn dan eerst was voorzien.

De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit niet tot grote problemen zal leiden voor de bestaande wegenstructuur van Berkel-Enschot. Daarbij neemt zij allereerst in aanmerking dat het feit dat de overige wijken van de Overhoeken later zullen worden gerealiseerd, ook betekent dat de toename van het verkeer als gevolg daarvan eerst op een later tijdstip zal ontstaan. Voorts is aannemelijk dat ook de realisering van delen van de gebiedsontsluitingsweg reeds zal leiden tot ontlasting van de bestaande wegen in het dorp. Voor de in de Structuurvisie Noordoost 2020 geplande woningen aan de overzijde van de spoorlijn, het gebied Nieuwe Warande of Oostkamer, zal volgens de raad een ontsluiting richting de Rauwbrakenweg worden gecreëerd, waardoor ook via deze kant het centrum van het dorp te bereiken is en niet alleen via de Udenhoutseweg en de Molenstraat. Verder is de sluiting van de overweg De Kraan, waarvoor [appellante sub 1] vreest, niet op korte termijn voorzien. In de situatie waarin het gebied de Overhoeken in zijn geheel gereed is, zal volgens de raad sprake zijn van een afname van het verkeer ter plaatse van de woning van [appellante sub 1] ten opzichte van de huidige situatie, omdat het doorgaande verkeer dan de nieuwe ontsluitingswegen naar het noorden zal gaan gebruiken. [appellante sub 1] heeft dit niet onderbouwd bestreden.

5.5. De realisering van de wijk de Hoge Hoek in de situatie waarin de gebiedsontsluitingsweg in het plan Koningsoord nog niet gereed is, zal volgens een in opdracht van de raad opgesteld nader onderzoek van 5 september 2011, ter hoogte van de woning van [appellante sub 1] in de Molenstraat leiden tot een toename van ongeveer 50 motorvoertuigen per etmaal. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat ook het overige verkeer vanuit de Hoge Hoek in de bedoelde tijdelijke situatie door de Molenstraat zal gaan rijden. De Afdeling deelt het standpunt van de raad dat een toename van 50 motorvoertuigen per etmaal, onder meer afgezet tegen de huidige verkeersbelasting van rond de 3400 motorvoertuigen per etmaal en het profiel van de weg, ruim binnen acceptabele grenzen ligt.

De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek is gebaseerd op onjuiste aannames of gegevens, of zodanige leemten bevat dat de raad daarvan bij de voorbereiding van het plan niet zou hebben mogen uitgaan.

Zo wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat er bij het akoestisch onderzoek ten onrechte van is uitgegaan dat de Molenstraat ter plaatse van de woning van [appellante sub 1] is gelegen in de bebouwde kom. [appellante sub 1] heeft ter zitting betoogd dat met het aanmerken van dit deel van de Molenstraat als bebouwde kom en de daaraan gekoppelde 30 km-zone uitsluitend is beoogd te bereiken dat ingevolge artikel 74, eerste en tweede lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 77 van de Wgh, bij het voorbereiden van de vaststelling van het plan geen akoestisch onderzoek behoeft te worden ingesteld op basis van die wet. Overwogen wordt echter dat - wat van het voorgaande overigens ook zij - het niet van toepassing zijn van de Wgh onverlet laat dat de raad moet nagaan of de geluidbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Voor zover [appellante sub 1] betoogt dat bij de besluitvorming geen rekening is gehouden met de geluidzone van het aan de oostrand van het plangebied gelegen industrieterrein Rhijnkant, omdat de brandstoffenhandel aan de [locatie b] zou worden beëindigd, overweegt de Afdeling dat dit bedrijfsterrein geen geluidzone conform de Wgh kent. Volgens de stukken heeft de raad met behulp van een geluidbeheermodel een 50 dB(A)-contour rond het industrieterrein bepaald. Enkele woningen aan de Molenstraat, waaronder die van [appellante sub 1], liggen binnen deze contour. Volgens het verweerschrift is door middel van een overeenkomst met een daaraan verbonden boeteclausule met de eigenaar van de boomkwekerij aan de [locatie b] zeker gesteld dat dit bedrijf zal worden beëindigd. In de overeenkomst is vastgelegd dat de milieuvergunning, na een door de eigenaar ingediend verzoek, zal worden ingetrokken zodra het voorliggende plan onherroepelijk is geworden. In het aan het voorliggende plan ten grondslag gelegde "Onderzoek milieuzonering bedrijven" van mei 2010 is geconcludeerd dat met de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten aan de [locatie b] geen belemmeringen door geluid afkomstig van bedrijven meer bestaan voor de woningen binnen het plangebied. Mitsdien wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de raad zich niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat met de geluidbelasting van dit bedrijf ten aanzien van de woning van [appellante sub 1] geen rekening behoefde te worden gehouden.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de bedoelde tijdelijke situatie van een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellante sub 1] geen sprake zal zijn. Dit betoog faalt.

6. [appellante sub 1] trekt voorts de uitvoerbaarheid van het plan in twijfel. Zij voert daartoe aan dat ten onrechte geen ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw) is verleend ter bescherming van - met name - de in het plangebied aanwezige vleermuizen. Zij heeft in dit verband tevens aangevoerd dat het Flora en Fauna-onderzoek (hierna: de Quickscan) niet digitaal ter beschikking is gesteld. Het plan is volgens haar economisch en financieel niet uitvoerbaar, omdat geen behoefte bestaat aan de in het plan voorziene grootschalige woningbouw en omdat de openbare aanbesteding van bepaalde delen van de infrastructuur niet is onderzocht.

6.1. De Afdeling stelt voorop dat de omstandigheid dat deze bezwaren niet eerder in de procedure zijn aangevoerd, waarop de raad heeft gewezen, niet betekent dat deze thans niet ter beoordeling staan, nu deze bezwaren dienen te worden opgevat als aanvulling van de in de zienswijze aangevoerde gronden.

6.2. De raad heeft ter zitting verklaard dat de Quickscan onder bijlage 21 van de bij de plantoelichting behorende stukken ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan digitaal ter beschikking is gesteld.

Nu dit thans niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld overweegt de Afdeling als volgt.

6.3. In artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is bepaald dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, met dien verstande dat het ontwerp-besluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Chw, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet, kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

6.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 december 2009, in de zaak nr. 200901438/1/R3) moet artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro zo worden uitgelegd dat het in ieder geval de verplichting inhoudt om het ontwerp-bestemmingsplan, dat wil zeggen de verbeelding en de planregels, en de toelichting bij het ontwerp-bestemmingsplan via elektronische weg beschikbaar te stellen. Deze verplichting strekt zich eveneens uit tot de bijlagen die zijn opgenomen bij de planregels, zoals een Staat van Bedrijfsactiviteiten, en tot de bijlagen die zijn opgenomen bij de plantoelichting en die daarvan deel uitmaken.

6.5. De Quickscan is als bijlage opgenomen bij de plantoelichting en maakt daarvan deel uit en diende derhalve langs elektronische weg beschikbaar te worden gesteld.

De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding om het besluit waarbij het plan is vastgesteld te vernietigen, nu aannemelijk is dat belanghebbenden door een mogelijke schending van artikel 3:8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro niet zijn benadeeld. Daartoe overweegt de Afdeling dat de Quickscan is vermeld in de toelichting bij het ontwerpplan. [appellante sub 1] had gedurende de terinzagelegging van het ontwerp kunnen informeren naar de digitale versie, zodat zij deze kon betrekken bij haar zienswijze dan wel het gebrek in een zienswijze tegen het ontwerp van het plan aan de orde stellen. Niet aannemelijk is dat eventuele andere belanghebbenden een zienswijze zouden hebben ingediend indien de Quickscan digitaal beschikbaar zou zijn gesteld. Aangenomen mag worden dat deze eventuele andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin zou zijn gewezen op het niet digitaal beschikbaar zijn van de stukken, dan wel dat zij, na desgevraagd kennis te hebben genomen van de digitale versie van de Quickscan, een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht.

6.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding de schending van artikel 3:8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro te passeren met toepassing van artikel 1.5, eerste lid, van de Chw.

6.7. De vragen of voor de uitvoering van het plan een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

6.8. In de Quickscan heeft onderzoeksbureau Agel onder meer de resultaten neergelegd van veldonderzoek naar de vaste verblijfplaatsen en fourageerplaatsen van vleermuizen, broedvogels en overige diersoorten. In het plangebied zijn ten tijde van de veldbezoeken geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen of beschermde broedvogels aangetroffen. Het plangebied maakt zeer waarschijnlijk wel deel uit van een foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied blijft deze functie behouden tijdens en na de realisering van het plan, maar zal daardoor mogelijk enigszins in kwaliteit afnemen. Gezien de inrichting van de wijk, het behoud van de lijnstructuren, de aanplant van nieuwe bomen en struiken en de ontwikkeling van een natuurlijke retentievoorziening, zijn negatieve effecten op populatieniveauevenwel niet te verwachten. Aantasting van overige bijzondere soorten als gevolg van realisering van het plan is evenmin aan de orde. Ontheffing van de Ffw is op basis van de huidige gegevens daarom volgens bureau Agel niet nodig. [appellante sub 1] heeft haar betoog dat de Quickscan onvolledig dan wel onjuist is en dat de raad zich hierop niet mocht baseren niet met gegevens onderbouwd.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet heeft mogen baseren op voornoemde onderzoeken, noch dat de raad niet op voorhand ervan mocht uitgaan dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

6.9. Wat betreft de economische uitvoerbaarheid heeft de raad erop gewezen dat de in 2010 gemaakte regionale en provinciale afspraken over terugdringing van de overmaat aan plancapaciteit, voor Tilburg met name waren gericht op het voorkomen van de bouw van appartementen en op bijstelling, waar mogelijk, naar grondgebonden woningen. Het plan Hoge Hoek valt naar aantallen en kwalitatief binnen de planruimte voor Tilburg. Daarbij heeft de raad verklaard dat de vraag volgens het Kwalitatief Woningbehoeftenonderzoek Tilburg naar kwalitatief hoogwaardige woningen zowel in het Centrum-stedelijk gebied van Tilburg, als in het Dorpswoonmilieu op een redelijk niveau blijft. In hetgeen [appellante sub 1] in dit verband naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling onvoldoende grond voor het oordeel dat de economische uitvoerbaarheid van het plan onzeker is omdat binnen de planperiode geen behoefte zou bestaan aan de geplande woningen in het gebied Hoge Hoek. Blijkens het verhandelde ter zitting zijn inmiddels reeds enkele tientallen woningen verkocht aan woningcorporaties.

6.10. In de plantoelichting is vermeld dat het plan wordt uitgevoerd door een projectontwikkelaar en dat deze het volledige financiële risico hiervoor draagt. Wat betreft het betoog dat de planontwikkeling en/of daarmee in verband staande werken, werkzaamheden en/of andere activiteiten ten onrechte niet openbaar zijn aanbesteed, overweegt de Afdeling dat volgens Nederlands nationaal recht de burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter de aangewezen rechter is om over de rechtmatigheid van het achterwege laten van een openbare aanbesteding een oordeel te vellen. [appellante sub 1] heeft de beweerdelijke onrechtmatigheid van de samenwerkingsovereenkomst niet aan de orde gesteld in een naar Nederlands recht daartoe geëigende civielrechtelijke procedure. Reeds hierom en nu [appellante sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van evidente gebreken in de samenwerkingsovereenkomst, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan niet heeft mogen uitgaan van de rechtsgeldigheid daarvan, daargelaten of de mogelijke verplichting tot aanbesteding van de ontwikkeling van de voorziene woningbouw in het algemeen op zichzelf in de weg staat aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Gelet op het voorgaande en hetgeen de raad ter zitting naar voren heeft gebracht, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.

7. [appellante sub 1] is voorts van mening dat in het plan ten onrechte niet de mogelijkheid is opgenomen om een aantal nieuwe woningen te realiseren op haar perceel. Zij voert in dit verband onder meer aan dat de gronden achter de bestaande woningen aan de Molenstraat in het voormalige bestemmingsplan "Spoorzone Berkel-Enschot" reeds bedoeld waren voor woningbouw, zodat zij erop mocht vertrouwen dat haar plannen in het voorliggende plan zouden worden opgenomen.

Het bestreden besluit strijdt volgens [appellante sub 1] voorts met het gelijkheids- en het motiveringsbeginsel omdat de realisering van een extra woning op het perceel aan de [locatie b] is toegestaan zonder ruimtelijke afweging, met de enkele motivering dat een anterieure overeenkomst met Novaform was gesloten. Aldus is zonder deugdelijke motivering voor vijf van de zes percelen aan de Molenstraat een wijzigingsbevoegdheid toegekend en wat betreft één perceel, [locatie b], een directe bouwtitel verstrekt. Hieruit blijkt tevens dat niet langer de stedenbouwkundige eis wordt gehanteerd dat slechts één woning per kadastraal perceel is toegestaan. Bovendien zijn in het plan ook op andere locaties in het plangebied meer woningen op één kadastraal perceel mogelijk gemaakt.

Het argument van de raad dat haar plannen zouden leiden tot verlies van de historische lintbebouwing binnen het plangebied, geldt volgens haar temeer voor de woningbouwplannen van de gemeente. De begrenzing van het wijzigingsgebied is daarbij geheel willekeurig en had wat betreft haar perceel moeten worden vastgesteld op 1000 m², verdeeld over vier kavels van elk ongeveer 9 meter breed en 28 meter diep. De redenering van de raad dat het uit oogpunt van precedentwerking en rechtsgelijkheid ongewenst is dat de eigenaren van de kavels aan de Molenstraat verschillende bebouwingsmogelijkheden en grondopbrengsten worden geboden, is volgens [appellante sub 1] ruimtelijk niet relevant.

Zij heeft ten slotte nog aangevoerd dat in het verkavelingsplan op haar perceel een bouwblok is ingetekend met een ongeveer 15 m diepe voortuin. Niet duidelijk is aan welke planologische bepalingen en op welke wijze de invulling van de wijzigingsbevoegdheid zal worden getoetst.

7.1. In het voorliggende plan is aan de gronden aan de Molenstraat […] tot en met […] de bestemming "Wonen" toegekend, met wat betreft het zuidwestelijke gedeelte daarvan de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied 1". Ingevolge artikel 10, lid 10.7, van de planregels, kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Wonen - 1" wijzigen, zodanig dat vijf vrijstaande woningen worden toegevoegd. Ten behoeve van de ontwikkeling kunnen eventueel meer (maximaal vijf) separate wijzigingsplannen worden opgesteld of één totaal wijzigingsplan. Van deze wijzigingsbevoegdheid kan gebruik worden gemaakt in de navolgende gevallen:

a. de gronden zijn gelegen binnen de 'wro-zone - wijzigingsgebied 1';

b. het bouwplan past binnen het beeldkwaliteitsplan zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 11 april 2011;

c. er mag maximaal 1 woning per kadastraal perceel, zoals geregistreerd per 1 januari 2010, worden gebouwd;

d. er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd op eigen terrein;

e. de vrijstaande woningen zijn uit oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat milieuhygiënisch inpasbaar;

f. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan beide zijden minimaal 3 meter te bedragen;

g. de afstand van het hoofdgebouw tot het aangrenzend bestemmingsvlak 'Verkeer - Verblijf' dient ten minste 4 meter te bedragen;

h. de voorgevelrooilijn van de woningen dient onderling tenminste 1 meter te verspringen;

i. burgemeester en wethouders verklaren op de gewijzigde bestemming ter plaatse van de nieuwbouw van de woningen de regels van het plan met betrekking tot de bestemming 'Wonen' die gelden voor vrijstaande woningen van overeenkomstige toepassing.

7.2. In het bestemmingsplan "Spoorzone Berkel-Enschot" uit 1999 was aan de gronden achter de woningen aan de Molenstraat de bestemming "Woongebied, uit te werken door de gemeenteraad" toegekend. Mitsdien waren de bouwplannen van [appellante sub 1] ook op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan niet bij recht mogelijk. Bovendien kan de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Van een aan genoemd bestemmingsplan te ontlenen rechtens te honoreren verwachting dat de door haar beoogde woningbouw zou worden toegestaan, is mitsdien geen sprake.

7.3. Vast staat dat de achtertuinen van de percelen aan de Molenstraat in het SPO 2003 waren gemarkeerd als vrij van bebouwing. Hieraan was ten grondslag gelegd dat de achtertuinen deel uitmaken van een historisch lint met ruime kavels, hetgeen uit stedenbouwkundig oogpunt als een belangrijke kwaliteit van een dorps woonmilieu is aangemerkt. In de nota "Gereedschapskist Dorps Milieu" van 25 april 2005 en het Stedenbouwkundig Voorlopig Ontwerp Hoge Hoek Berkel-Enschot van 26 september 2009, aangevuld op 12 februari 2010 (hierna: het SVO) is aan het streven naar een dorps woonmilieu verdere invulling gegeven. Op verzoek van de bewoners van de percelen aan de Molenstraat is besloten om extensieve bebouwing in de achtertuinen toe te staan in de vorm van één extra woning per perceel. De Afdeling acht het beleid om slechts extensieve bebouwing toe te laten ter plaatse op zichzelf niet onredelijk.

Met betrekking tot het perceel [locatie b] is in de stukken, waaronder het verweerschrift, vermeld dat het ter plaatse bestaande bedrijf zou worden beëindigd, dat de bouwplannen van de eigenaar van dit perceel pasten in het SVO en dat daartegen blijkens onderzoeken ook overigens in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen bezwaar bestond. Voorts hadden betrokkene en de raad met de projectontwikkelaar een overeenkomst over het kostenverhaal gesloten. Anders dan [appellante sub 1] betoogt, was het opnemen van een directe bouwtitel aan het perceel [locatie b] derhalve niet uitsluitend gebaseerd op gronden van financiële aard.

Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 1] dat elders in het plangebied wel de bouw van meer woningen op één perceel is toegestaan wordt overwogen dat, anders dan in haar situatie, het bouwplan voor het perceel [locatie b] slechts de bouw van één extra woning betreft, die bovendien past in het SVO en het daarin gehanteerde uitgangspunt van de extensieve bebouwing. [appellante sub 1] heeft verder geen concreet, met haar situatie vergelijkbaar geval genoemd.

Voor zover zij ter zitting heeft aangevoerd subsidiair in het plan de rechtstreekse mogelijkheid voor de bouw van één extra woning op haar perceel opgenomen te willen zien, overweegt de Afdeling dat dit een uitbreiding van het beroep betekent en thans slechts de in het plan neergelegde keuzen van de raad ter beoordeling staan.

Het betoog ten slotte, dat er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat juist de door de gemeente geplande woningbouw tot verlies van de historische lintbebouwing aan de Molenstraat zal leiden, slaagt niet. Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt, is de situering van deze woningen ten opzichte van de lintbebouwing een geheel andere dan die [appellante sub 1] voor ogen staat.

Gelet op het voorgaande kan het beroep van [appellante sub 1] op het vertrouwens-, het gelijkheids-, noch het motiveringsbeginsel slagen.

Op de afmetingen die volgens [appellante sub 1] voor haar perceel in het wijzigingsgebied hadden moeten worden opgenomen, wordt hier derhalve niet verder ingegaan.

8. [appellante sub 1] voert voorts aan te vrezen dat, in het geval zij binnen vijf jaar na vaststelling van het moederplan om wijziging van dat plan zal verzoeken, van haar door de gemeente dezelfde (te) hoge bijdrage zal worden gevraagd die de projectontwikkelaar in het voortraject heeft geëist, en dat haar bouwplannen bovendien niet objectief en onafhankelijk door de gemeente zullen worden beoordeeld, omdat deze door middel van een samenwerkingsovereenkomst gebonden is aan de eisen van de projectontwikkelaar.

8.1. Dit betoog kan niet slagen. De besluitvorming over mogelijke wijziging van het plan ten behoeve van de bouw van een extra woning op het perceel van [appellante sub 1] en de bekostiging daarvan, kunnen in de procedure van totstandkoming van het wijzigingsplan aan de orde worden gesteld.

9. [appellante sub 1] heeft verder betoogd dat onduidelijk is hoe de ontsluiting van het te wijzigen gebied geregeld is, omdat deze zal worden belemmerd door de strook grond die de gemeente voornemens is aan te leggen langs het wijzigingsgebied. Dit is volgens haar in strijd met de rechtszekerheid en een goede ruimtelijke ordening.

9.1. Blijkens de stukken is achter de gronden waaraan de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 1" is toegekend de aanleg van een openbare weg voorzien, met de bestemming "Verkeer-verblijf". Deze weg zal direct grenzen aan de achtertuinen van de percelen aan de Molenstraat. De Afdeling ziet mitsdien geen grond voor het oordeel dat een goede ontsluiting van deze percelen onvoldoende is verzekerd in het plan.

10. [appellante sub 1] heeft ten slotte nog aangevoerd dat de verwijzingen in de planregels met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid naar het beeldkwaliteitsplan leiden tot rechtsonzekerheid, dat haar bouwplannen beter passen in het gemeentelijke beleid ten aanzien van de woningbouwdoelstellingen en paragraaf 3.9.6 in de plantoelichting getiteld Nota Wonen-zorg dan de in het plan voorziene bestemmingen en dat in de plantoelichting ten onrechte wordt verwezen naar de Structuurvisie Noord-Oost, aangezien dit stuk geen betrekking heeft op het voorliggende plangebied.

10.1. Volgens de raad fungeert het beeldkwaliteitsplan als een aanvulling op de Welstandsnota. In artikel 10, lid 10.7, van de planregels, is als voorwaarde voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid onder meer bepaald dat het bouwplan dient te passen binnen het beeldkwaliteitsplan zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 11 april 2011. De planologische bepalingen zijn vastgelegd in de planregels zelf. Aan het beeldkwaliteitsplan komt geen juridisch bindende betekenis toe, waardoor het niet kan afdoen aan hetgeen in het plan is bepaald. Van rechtsonzekerheid is op dit punt derhalve geen sprake. De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat artikel 10, lid 10.7 van de planregels onvoldoende bepaald is om in het kader van de wijzigingsbevoegdheid als toetsingskader te kunnen dienen.

Voorts heeft de raad in het verweerschrift en ter zitting vermeld dat in de plantoelichting naar de Structuurvisie Noord-Oost is verwezen vanwege de bespreking daarin van de bestaande en toekomstige ontwikkelingen rond de dorpen in het gebied ten noorden van Tilburg Noord en de vermelding dat de planontwikkeling voor de Overhoeken, waaronder het plangebied Hoge Hoek, in de Structuurvisie als gegeven wordt beschouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de Structuurvisie in de plantoelichting ten onrechte wordt aangehaald. Nu [appellante sub 1] de stelling dat haar bouwplannen beter passen in het gemeentelijke beleid ter zake van woningbouwdoelstellingen dan de in het plan voorziene bestemmingen niet heeft onderbouwd, ziet de Afdeling geen grond om hierop nader in te gaan.

11. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

12. [appellant sub 3], die woont aan de [locatie c], betoogt dat onduidelijk is op welke wijze de ontsluiting van het plan ten zuiden van het plangebied is geregeld. Het is volgens hem niet uitgesloten dat hij na realisering van de woningbouw in het plangebied zal worden geconfronteerd met een grote verkeerstoename in zijn directe woonomgeving. Ter zitting heeft [appellant sub 3] aangevoerd dat ter plaatse van zijn perceel op dit moment reeds ernstige overlast wordt ondervonden van bouwverkeer. Er wordt ter zake van dat verkeer ten onrechte niet handhavend opgetreden, aldus [appellant sub 3].

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien hij verzuimd heeft gemotiveerde zienswijzen tegen het ontwerpplan in te brengen.

12.2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de AWB wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

12.3. Het ontwerpplan is volgens de kennisgeving met ingang van 17 december 2010 gedurende zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen konden worden ingebracht, eindigde derhalve op 27 januari 2011. [appellant sub 3] heeft op 27 januari 2011 pro forma een zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. Hem is op donderdag 10 februari 2011 meegedeeld dat hij tot uiterlijk 14 februari 2011 de gelegenheid kreeg om zijn bezwaren van gronden te voorzien. Vast staat dat hij dit niet heeft gedaan.

12.4. De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding om het beroep van [appellant sub 3] om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Algemene wet bestuursrecht en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Algemene wet bestuursrecht in werking getreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 juni 2010 in zaak nr. 200907057/1/R3), brengt een zorgvuldige voorbereiding met zich dat, indien een besluit met de in afdeling 3.4 van de AWB neergelegde uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid, zoals in dit geval, de indiener van de binnen de wettelijke termijn ingebrachte niet nader toegelichte bezwaren onverwijld in de gelegenheid wordt gesteld om deze binnen twee weken van gronden te voorzien.

De raad heeft dit niet onderkend en [appellant sub 3] niet in de gelegenheid gesteld om de door hem tijdig ingebrachte niet nader aangeduide bezwaren binnen twee weken van gronden te voorzien. De door de raad aan [appellant sub 3] daartoe vergunde termijn was beduidend korter. Bovendien is aannemelijk geworden dat van de kant van de gemeente verwarring is gewekt over de wijze waarop de gronden van zijn zienswijze gedurende die termijn konden worden aangevuld. Gelet hierop kan [appellant sub 3] redelijkerwijs niet worden verweten dat hij geen zienswijzen tegen het ontwerpplan heeft ingebracht, zodat geen aanleiding bestaat zijn beroep op die grond niet-ontvankelijk te verklaren.

12.5. Anders dan Novaform ter zitting heeft aangevoerd vormt de afstand van het perceel van [appellant sub 3] tot het plangebied geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Nu het belang van [appellant sub 3] is gelegen in vrees voor verkeerstoename langs zijn woning acht de Afdeling zijn belang rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

12.6. Zoals hiervoor onder 5.2 is overwogen, is de ontsluiting van de Overhoeken deels voorzien via een rondweg langs de spoorlijn Tilburg - 's-Hertogenbosch. Ter zitting heeft de raad verklaard dat niet aannemelijk is dat het verkeer vanuit het plangebied, na de realisering van de rondweg, via De Kraan zal blijven of gaan rijden. Het verkeer zou daarvoor tweemaal de spoorweg en de verkeersweg moeten kruisen, aldus de raad. [appellant sub 3] heeft dit niet onderbouwd weersproken.

Voor zover zijn beroep betrekking heeft op overlast ten gevolge van bouwverkeer, betreft het hier een kwestie van handhaving, die in de onderhavige procedure niet ter beoordeling staat.

13. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

14. [appellant sub 2] exploiteert op het buiten het plangebied liggende perceel [locatie d] een boom- en tuinplantenkwekerij. Op een deel van zijn perceel ten oosten van de spoorlijn Tilburg - 's-Hertogenbosch worden bomen gekweekt. Hij vreest door de woningbouw in zijn bedrijfsvoering te worden belemmerd omdat deze op ongeveer 30 meter van dat perceel is gepland, terwijl in verband met spuiten van gewasbeschermingsmiddelen algemeen een afstand van 50 meter wordt aangehouden. De raad heeft hieraan ten onrechte geen aandacht besteed op de enkele grond dat het bedrijf al onder overgangsrecht is gebracht in het bestemmingsplan "Spoorzone Berkel-Enschot". De locatie van de woningbouw verdraagt zich bovendien niet met de uitgangspunten van de gemeentelijke Beleidsvisie Externe Veiligheid, waarin het veiligheidsbeleid ten aanzien van woonbebouwing ten opzichte van spoorlijnen is geformuleerd, aldus [appellant sub 2].

14.1. Ter zitting heeft Novaform onder verwijzing naar artikel 1.6, tweede lid, van de Chw betoogd dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is omdat hij de gronden van het ingediende beroepschrift niet binnen de beroepstermijn heeft ingediend.

14.2. Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is in afwijking van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

14.3. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt indien beroep openstaat tegen een besluit waarop afdeling 2, van hoofdstuk 1 van de wet van toepassing is, bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit vermeld dat:

a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen, en

b. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.

In de rechtsmiddelenverwijzing die in de kennisgeving van het besluit is opgenomen is geen toepassing gegeven aan artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Chw.

14.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 maart 2011 (zaak nr. 201006859/1/R2) ligt het op de weg van het bestuursorgaan om duidelijkheid te verschaffen over de rechtsmiddelen tegen een onder de reikwijdte van de Chw vallend besluit. Indien, zoals in dit geval, in de rechtsmiddelenverwijzing die in de kennisgeving van het besluit is opgenomen, niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen en na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd en hij na afloop van de beroepstermijn de beroepsgronden aanvult. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden meer kunnen worden aangevoerd en aangevuld. Die situatie doet zich hier niet voor. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 2] wordt bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, maakt niet dat hij ondanks de beperkte rechtsmiddelenverwijzing toch had moeten uitgaan van toepasselijkheid van de Chw.

De Afdeling heeft bij brief van 12 juli 2011 [appellant sub 2] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 9 augustus 2011 desgewenst alsnog de gronden van het beroep aan te voeren. Van die gelegenheid heeft [appellant sub 2] gebruik gemaakt. Onder deze omstandigheden moet het beroep geacht worden tijdig van gronden te zijn voorzien, zodat het ontvankelijk is.

14.5. De Afdeling overweegt dat geen wettelijke voorschriften bestaan over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten, zoals woningen. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen een boomkwekerij en woningen zodanig gekozen dient te worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Ter zitting is komen vast te staan dat een zone van 50 meter vanaf het bedrijf uitsluitend over een gedeelte van twee woningen in de zuid-westhoek van het plangebied ligt, op ongeveer 30 m afstand van het bedrijf.

14.6. Vast staat dat [appellant sub 2] voor een deel van zijn gronden een verkoopovereenkomst heeft gesloten met de eigenaar van het perceel Raadhuisstraat ten behoeve van de aanleg van een parkeerterrein bij de horecagelegenheid van betrokkene. Anders dan Novaform heeft gesteld, betekent dit niet dat de belangen van [appellant sub 2], zijnde eigenaar van een deel van de gronden aan de [locatie d], niet langer rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken.

Voorts is gebleken dat het gemeentebestuur geruime tijd heeft gepoogd om tot minnelijke verwerving te komen van het deel van de gronden van [appellant sub 2] dat nodig is voor de aanleg van de wijkontsluitingsweg. Na het mislukken van deze pogingen is besloten om aan de Kroon te verzoeken om ter zake een onteigeningsbesluit te nemen. De raad heeft ter zitting verklaard dat het onteigeningsbesluit eind april, dan wel begin mei 2013 wordt verwacht en het Koninklijk Besluit tot onteigening in het najaar van 2013.

Nu een zone van 50 meter vanaf het bedrijf van [appellant sub 2] slechts voor een zeer klein gedeelte over het plangebied ligt en de kwekerijactiviteiten als gevolg van de hiervoor weergegeven ontwikkelingen naar verwachting op niet al te lange termijn beëindigd zullen worden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afstand van de locatie van de geplande nieuwbouw ten opzichte van het perceel van [appellant sub 2] niet aan de realisering van dit plandeel in de weg staat.

14.7. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] omtrent de veiligheidsrisico's ter plaatse van de voorziene nieuwe woningen wordt het volgende overwogen.

14.8. Ingevolge artikel 1.9 van de Chw, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw, dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

14.9. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 januari 2011, zaak nr. 201006426/1/R2) kan uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) worden afgeleid dat de wetgever met dit artikel de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

14.10. Het betoog van [appellant sub 2] omtrent veiligheid heeft betrekking op de normen voor het beperken van de eventuele risico's van het plan voor de toekomstige bewoners van de voorziene nieuwe woningen. Voor [appellant sub 2] gaat het echter om het belang gevrijwaard te blijven van de invloed van de nieuwbouw op zijn bedrijfsvoering. De in geding zijnde normen voor veiligheidsrisico's voor de nieuw op te richten woningen ten gevolge van transport van gevaarlijke stoffen over het spoor hebben evenwel niet de strekking dat belang te beschermen. Het betoog van [appellant sub 2] kan er gelet op artikel 1.9 van de Chw niet toe leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd. De Afdeling laat dit betoog daarom buiten beschouwing.

15. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

16. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 1.9 van de Chw van toepassing is.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

240.