Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5123

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
201112777/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:BU4011, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:6461, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college beslissend op het verzoek van [appellant] om informatie zeven documenten openbaar gemaakt over de verkoop op verzoek van gemeentegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112777/1/A3.

Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Barendrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2011 in zaak nr. 11/747 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college beslissend op het verzoek van [appellant] om informatie zeven documenten openbaar gemaakt over de verkoop op verzoek van gemeentegrond.

Bij besluit van 13 januari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2012, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Agrech-Kassiroui, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur kan een ieder een verzoek om informatie over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

2.    [appellant] richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank dat het college terecht zijn verzoek heeft opgevat als een verzoek om kennisneming van documenten over de aankoop van zogenoemde restpercelen die geheel of voor een deel zijn verhard. Deze overweging is volgens hem onbegrijpelijk omdat restpercelen, blijkens het door het college gehanteerde beleid, geen betrekking kunnen hebben op verharde gedeelten in het openbare gebied. Bovendien heeft hij meer malen uitdrukkelijk gevraagd om alle verzoeken om aankoop van percelen met verhardingen, aldus [appellant].

De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat hij met het overleggen van vijf voorbeelden niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer documenten zijn dan die welke het college openbaar heeft gemaakt.

3.    Het college heeft zeven beslissingen op verzoeken van particulieren tot aankoop van kleine stukken gemeentelijke grond openbaar gemaakt, waarvan zes afwijzingen en één toewijzing. Zoals ter zitting in hoger beroep is bevestigd, ligt aan een beslissing tot verkoop van gemeentelijke groenstroken, restgronden of restpercelen altijd een verzoek ten grondslag.

[appellant] heeft in zijn bezwaarschrift gericht tegen de mededeling van het college dat zijn verzoek tot aankoop van een deel van een perceel grond dat in eigendom is bij de gemeente Barendrecht niet wordt gehonoreerd, verzocht om openbaarmaking van dergelijke verzoeken. Een aantal weken later heeft hij opnieuw verzocht om verstrekking van documenten inzake verzoeken tot aankopen van verhardingen en/of aankopen tot restpercelen in welke een verharding aanwezig is, die in het verleden (wel) eventueel zijn gehonoreerd door de gemeente. De Afdeling is van oordeel dat het verzoek, gezien de door [appellant] gebruikte bewoordingen en de context waarin het verzoek en de herhaling daarvan zijn gedaan, de verzoeken omvat die betrekking hebben op de aankoop van kleine stukken gemeentegrond met als doel deze te betrekken bij tuinen van bestaande woningen. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. Dat het college in zijn beleidsnotitie van 13 januari 2004 met het oog op verkopen van deze stukken grond aan het begrip restperceel mogelijk een beperktere betekenis heeft toegekend, waardoor verharde gedeelten in het openbare gebied daar niet onder vallen, is in dit verband niet van belang.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 april 2006 in zaak nr. 200509349/1) is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat bepaalde documenten onder het bestuursorgaan berusten, indien het bestuursorgaan na onderzoek stelt dat die documenten niet onder hem berusten en die mededeling niet ongeloofwaardig is te achten. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft het college in dit geval op niet ongeloofwaardige wijze ontkend dat er meer verzoeken zijn dan die al aan [appellant] zijn verstrekt. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat [appellant] met de door hem overgelegde voorbeelden niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij het college meer verzoeken zijn gedaan dan de zeven die reeds openbaar zijn gemaakt. Uit geen van de voorbeelden blijkt immers dat de verkoop van de betreffende gronden heeft plaatsgevonden op verzoek van een particulier, met als doel deze te betrekken bij de tuin van een bestaande woning.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

290.