Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5122

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
201200904/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Kruiswijk III" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/346
Milieurecht Totaal 2013/410

Uitspraak

201200904/1/R1.

Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon,

2.    [appellant sub 2], wonend te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon, en anderen,

en

de raad van de gemeente Anna Paulowna, thans gemeente Hollands Kroon,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Kruiswijk III" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen, beroep ingesteld.

[appellant sub 2] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2012, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. O.W. Wagenaar, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.M.H. Dellaert, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door H.P. Tibie, J.P.J. Bechtel en E. de Boer, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in de aanleg van het bedrijventerrein "Kruiswijk III" in Anna Paulowna. Het plangebied wordt begrensd door het bedrijventerrein "Kruiswijk II" in het noorden, de spoorweg Schagen - Den Helder in het oosten en de Grasweg in het zuiden.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.    [appellant sub 1] betoogt dat het college van burgemeester en wethouders, na vaststelling van het plan door de raad, verzuimd heeft de bij het vaststellingsbesluit behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar te stellen.

2.1.    Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Aldus kan deze mogelijke onregelmatigheid geen grond vormen voor vernietiging van het bestreden besluit

3.    [appellant sub 1] voert aan dat het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden ter inzage is gelegd nadat het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen, hetgeen in strijd is met artikel 110c, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Hij is ook niet persoonlijk op de hoogte gesteld van de voorbereiding van het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden. Daardoor heeft hij het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden niet kunnen betrekken bij het naar voren brengen van zijn zienswijze op het ontwerpplan, aldus [appellant sub 1].

3.1.    Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wgh is het college van burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Ingevolge artikel 110c, eerste lid, van die wet is op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 110a de in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat indien het college van burgemeester en wethouders bevoegd is de hogere waarde vast te stellen en het besluit ten behoeve van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan wordt genomen, het ontwerp van het besluit tegelijkertijd met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.

3.2.    Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 31 maart 2011 tot en met 11 mei 2011. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden heeft ter inzage gelegen van 9 september 2011 tot 21 oktober 2011.

Het besluit tot vaststelling van hogere waarden is vastgesteld op 8 november 2011. De raad heeft op 28 november 2011 het plan vastgesteld.

Het besluit tot vaststelling van hogere waarden en het plan zijn bekendgemaakt op 14 december 2011 en hebben vervolgens gelijktijdig ter inzage gelegen van 15 december 2011 tot 26 januari 2012.

3.3.    Artikel 110c van de Wgh ziet op de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van hogere waarden. [appellant sub 1] heeft tegen dat besluit geen beroep aangetekend.

Nu het college van burgemeester en wethouders het besluit tot vaststelling van hogere waarden op 8 november 2011 heeft genomen en de raad vervolgens op 28 november 2011 het plan heeft genomen, ziet de Afdeling in de omstandigheid dat de terinzagelegging van het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden heeft plaatsgevonden na de terinzagelegging van het ontwerpplan geen grond voor vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan. [appellant sub 1] heeft de inhoud van het besluit tot vaststelling van hogere waarden kunnen betrekken bij zijn beroep tegen het plan.

4.    [appellant sub 1] voert aan dat het plan afwijkt van het voorontwerp. De uitgeefbare oppervlakte van het plangebied is in vergelijking met het voorontwerp met ongeveer 1 ha afgenomen. Niettemin heeft de raad uitdrukkelijk verklaard dat hij de intentie heeft in de toekomst het bedrijventerrein uit te breiden naar een omvang overeenkomstig het voorontwerp. Een dergelijke handelwijze bij het vaststellen van het plan acht [appellant sub 1] niet aanvaardbaar, omdat deze tot gevolg kan hebben dat een toekomstig verzoek om tegemoetkoming in planschade wordt afgewezen met een beroep op de voorzienbaarheid.

4.1.    Niet in geschil is dat het plan ten opzichte van het voorontwerp ervan is gewijzigd. Het plan ziet op een gebied met een oppervlakte van ongeveer 5 ha aan netto uitgeefbare gronden. In het voorontwerp was dit ongeveer 6 ha. De raad heeft de oppervlakte van het beoogde bedrijventerrein aangepast met het oog op het verkrijgen van de noodzakelijke ontheffing van de Provinciale ruimtelijke verordening structuurvisie (hierna: Prvs). Blijkens de plantoelichting heeft de raad ook de intentie ook de gronden ten noordwesten van het plangebied in de toekomst te betrekken bij het bedrijventerrein "Kruiswijk III". Het betreft hier de gronden die in het voorontwerp nog deel uitmaakten van het plangebied, maar die met het oog op het verkrijgen van de ontheffing buiten het ontwerp van het plan zijn gelaten en nadat de ontheffing was verleend niet zijn opgenomen in het vastgestelde plan.

4.2.    De Afdeling stelt voorop dat de bestemmingsplanprocedure als geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) aanvangt met de terinzagelegging van het ontwerpplan. De raad is niet gebonden aan het voorontwerp. Voorts komt de raad beleidsvrijheid toe bij het vaststellen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

Uit de stukken blijkt dat de raad naar aanleiding van overleg met het college van gedeputeerde staten heeft besloten de voor het vaststellen van het bestemmingsplan vereiste ontheffing op basis van de Prvs aan te vragen voor een bedrijventerrein met een netto uitgeefbare oppervlakte van 5 ha, omdat volgens het college van gedeputeerde staten het nut en de noodzaak van een bedrijventerrein met een netto uitgeefbare oppervlakte van meer dan 5 ha niet waren aangetoond. De in het plan vastgelegde omvang van het bedrijventerrein is in overeenstemming met de bij besluit van 19 juli 2011 door het college verleende ontheffing op basis van de Prvs. Anders dan [appellant sub 1] veronderstelt, had de raad op basis van de ontheffing niet een groter bedrijventerrein kunnen bestemmen dan het bedrijventerrein waarop de ontheffing ziet, omdat de raad immers ingevolge artikel 4.1, tweede lid, van de Wro bij de vaststelling van een bestemmingsplan de Prvs in acht moet nemen. Het feit dat de raad blijkens de reactienota zienswijzen en de plantoelichting de intentie heeft het bedrijventerrein in de toekomst uit te breiden, maakt dat niet anders. Het betoog faalt.

5.    [appellant sub 1] betoogt dat uit het document "Bedrijventerrein Kruiswijk III, fasering en landschappelijke inpassing" van 8 juni 2011 (hierna: het landschapsplan), dat als bijlage 3 bij de planregels is gevoegd, volgt dat voorzien moet worden in een groenstrook over de gehele lengte van de westelijke begrenzing van het plangebied. Op de verbeelding is alleen in het noordelijke deel van de westelijke begrenzing de groenstrook uit het landschapsplan overgenomen.

5.1.    In de ontheffing van 19 juli 2011 heeft het college van gedeputeerde staten bepaald dat de raad het landschapsplan tezamen met het bestemmingsplan vaststelt. Voorts is als voorwaarde onder meer opgenomen dat de planregels en de verbeelding de aanvulling van de beplantingsstrook verzekeren overeenkomstig het landschapsplan van 8 juni 2011. In het landschapsplan wordt voorzien in afschermende beplanting langs de gehele westelijke begrenzing van het plangebied. In het plan ontbreekt een specifieke groenbestemming in het zuidelijke deel ter plaatse van de westelijke plangrens.

5.2.    Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen, met dien verstande dat de gronden dienen te worden ingericht conform het als bijlage 3 bij deze regels opgenomen rapport "Bedrijventerrein Kruiswijk III - Fasering en landschappelijke inpassing".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

met de daarbij behorende:

f. groenvoorzieningen;

[…].

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder a, is het bouwen van bouwwerken op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" uitsluitend toegestaan nadat de gronden bestemd als "Groen" zijn ingericht met afschermende beplanting zoals weergegeven in het als bijlage 3 bij deze regels opgenomen rapport "Bedrijventerrein Kruiswijk III - Fasering en landschappelijke inpassing".

Ingevolge lid 3.5, onder a, wordt onder strijdig gebruik met de bestemming "Bedrijventerrein" begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruiken van gronden en bouwwerken zonder dat een passende landschappelijke inpassing aanwezig is, waarbij onder een passende landschappelijke inpassing wordt verstaan een inpassing conform het als bijlage 3 bij de regels opgenomen rapport "Bedrijventerrein Kruiswijk III - Fasering en landschappelijke inpassing".

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

5.3.    Uit het bestreden besluit blijkt dat het landschapsplan onderdeel vormt van het bestemmingsplan, hetgeen ook tot uitdrukking komt in artikel 3, lid 3.2, onder a, en lid 3.5, onder a, van de planregels. In het zuidelijke deel ter plaatse van de westelijke begrenzing gaat het landschapsplan uit van een "filter van bomen, die in een dichter plantverband zijn gezet". Dat het zuidelijke deel van de westelijke planbegrenzing niet de bestemming "Groen" heeft, neemt niet weg dat zoals de raad ter zitting heeft toegelicht uit artikel 3, lid 3.5, onder a, van de planregels volgt dat landschappelijke inpassing overeenkomstig het landschapsplan van 8 juni 2011 dient plaats te vinden. Bedoelde landschappelijke inpassing is gelet op het bepaalde in artikel 3.1, onder f, van de planregels ook mogelijk op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein". Zolang een dergelijke landschappelijke inpassing niet is gerealiseerd, is een op zich binnen de bestemmingsomschrijving "Bedrijventerrein" passend gebruik aan te merken als een met het plan strijdig gebruik, waar de verbodsbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo op van toepassing is.

Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat ook in het zuidelijke deel ter plaatse van de westelijke begrenzing van het plangebied voorzien had moeten worden in de bestemming "Groen", is de Afdeling van oordeel dat de ontheffing van 19 juli 2011 daartoe niet verplicht.

6.    [appellant sub 1] betoogt voorts dat toekomstige gebruikers van de in het plan voorziene bedrijfswoningen overlast zullen ondervinden van de agrarische bedrijfsvoering op zijn ten westen van het plangebied gelegen perceel. Het betreft geluidhinder als gevolg van rooiwerkzaamheden alsook hinder ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Klachten van de bewoners kunnen tot gevolg hebben dat hij beperkt wordt in zijn bedrijfsvoering, aldus [appellant sub 1].

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de geluidbelasting ten gevolge van de agrarische werkzaamheden van [appellant sub 1] gering zal zijn en in schaal vergelijkbaar is met de geluidbelasting die de bewoners van de bedrijfswoningen ondervinden van de bedrijven binnen het plangebied. De werkzaamheden die het meeste geluid veroorzaken, worden slechts op een beperkt aantal dagen per jaar verricht en de daarvan te verwachten geluidhinder is volgens de raad aanvaardbaar. Daarbij heeft de raad verwezen naar het akoestisch rapport van 30 juni 2012 van de Milieudienst Kop van Noord-Holland (hierna: het akoestisch rapport van 30 juni 2012).

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een afstand van minimaal 10 meter tussen het agrarische perceel en (bedrijfs)woningen binnen de gemeente een gebruikelijke afstand is. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen leidt niet tot gezondheidsrisico's, aldus de raad. De raad heeft ter motivering van zijn standpunt dat de overlast ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beperkt zal zijn verwezen naar het rapport "Blootstellingsrisico's aan gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden van bollenteelt-bedrijven" van prof. dr. ir. D.J.J. Heederik, van het Institute for Risk Assessment Sciences, Divisie Milieu-epidemiologie, van de Universiteit Utrecht van februari 2009 (hierna: het rapport gewasbeschermingsmiddelen).

6.2.    Het plan maakt onder meer het oprichten van bedrijfswoningen mogelijk. Bedrijfswoningen kunnen gebouwd worden binnen de bouwvlakken op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" met bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - 2", "specifieke bouwaanduiding - 3" en "specifieke bouwaanduiding - 4". Op gronden met bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" mogen geen bedrijfswoningen worden opgericht.

6.3.    [appellant sub 1] is eigenaar van een perceel landbouwgrond, direct ten westen van het plangebied. Het perceel wordt doorgaans gebruikt voor de bloembollenteelt. De afstand tussen dit perceel van [appellant sub 1] en de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" in het noordelijke deel ter plaatse van de westelijke begrenzing van het plangebied bedraagt ongeveer 50 m. In het noordelijke deel ter plaatse van de westelijke begrenzing van het plangebied heeft een strook met een breedte van ongeveer 10 m de bestemming "Groen".

In het zuidelijke deel ter plaatse van de westelijke begrenzing van het plangebied is tot op de plangrens in de bestemming "Bedrijventerrein" voorzien, waarbij bedrijfswoningen op een afstand van ongeveer 15 meter van de gronden van [appellant sub 1] kunnen worden gebouwd. Het plan voorziet hier niet in een bestemming "Groen" ter afscherming van het bedrijventerrein en de gronden van [appellant sub 1], zij het dat de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse het gebruik van deze gronden ten behoeve van groenvoorzieningen wel toelaat.

6.4.    In het akoestisch rapport van 30 juni 2012 is het geluidniveau veroorzaakt door de landbouwvoertuigen die tijdens de oogstwerkzaamheden in de omgeving van de voorziene agrarische bedrijfswoningen over het perceel van [appellant sub 1] rijden, onderzocht. In het akoestisch rapport van 30 juni 2012 is bij gebrek aan een beoordelingskader voor de beoordeling van het geluidniveau veroorzaakt door landbouwvoertuigen op agrarische percelen een vergelijking gemaakt met de beoordeling van geluidaspecten op basis van de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996. Uit het akoestisch rapport van 30 juni 2012 blijkt dat de geluidniveaus veroorzaakt door de landbouwvoertuigen in en bij de voorziene bedrijfswoningen niet hoger zijn dan de maximaal toegestane geluidniveaus voor wegverkeer die op basis van genoemde circulaire ter plaatse aanvaardbaar zouden zijn.

Gelet op het akoestisch rapport van 30 juni 2012 en in aanmerking genomen het agrarische karakter van de omgeving, het incidentele gebruik van landbouwvoertuigen en de ligging van de voorziene bedrijfswoningen op een bedrijventerrein heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat de in het plan voorziene bedrijfswoningen vanwege de geluidbelasting onaanvaardbare gevolgen zullen hebben voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 1].

6.5.    Wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overweegt de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraak van 13 mei 2009 in zaak nr. 200801516/1 dat geen wettelijke bepalingen bestaan inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een bestemmingsplan dient een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, het milieubelang niet uitgezonderd, waarbij de aan te houden afstand tussen de gronden waarop gewassen worden verbouwd en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object aanwezig zal zijn.

Uit het rapport gewasbeschermingsmiddelen volgt dat het uitwaaien van de nevel hoofdzakelijk afhankelijk is van de meteorologische omstandigheden en de gebruikte spuittechniek. Het betreft derhalve factoren waarmee rekening kan worden gehouden. Daarbij geldt voorts dat bij open teelten zoals de teelt van bloemenbollen in neerwaartse richting wordt gespoten, vanaf een geringe afstand tot de grond. Het uitwaaien van de nevel wordt daardoor beperkt. Gelet op de afstand van 15 m tussen het perceel van [appellant sub 1] en de voorziene bedrijfswoningen in samenhang met de omstandigheid dat uit het landschapsplan volgt dat voorzien moet worden in een "filter van bomen die in een dichter plantverband zijn gezet" ter afscherming van de percelen met bedrijfswoningen van de ten westen daarvan gesitueerde gronden van [appellant sub 1], zal het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens de raad naar verwachting niet hoeven leiden tot hinder of het niet langer aanwezig zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoningen en dientengevolge tot beperkingen van de bedrijfsvoering van [appellant sub 1]. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

7.    [appellant sub 1] heeft zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

8.    In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

10.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat de in het plan voorziene verbinding tussen de Grasweg en de nieuwe ontsluitingsweg nadelig is voor de verkeersveiligheid ter plaatse. Daartoe voeren zij aan dat de verbinding, in de vorm van een T-kruising, voorzien is op korte afstand tot de uitrit van het perceel Grasweg 9A. Deze uitrit wordt onder meer gebruikt door vrachtwagens die het perceel Grasweg 9A op en af rijden, waarbij  manoeuvres worden uitgevoerd. Een T-kruising in de nabijheid van de uitrit leidt tot een gevaarlijke verkeerssituatie ter plaatse.

10.1.    Het perceel Grasweg 9A heeft een uitrit op de Grasweg. De verbinding met de ontsluitingsweg waarin het plan voorziet, bevindt zich ten noordwesten van deze uitrit, op een afstand van ongeveer 30 m. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bij de voorbereiding van het plan drie locaties zijn beoordeeld op geschiktheid voor de aansluiting van de nieuwe ontsluitingsweg op de Grasweg. De voorziene locatie heeft de raad als meest geschikt geacht gelet op onder meer de bereikbaarheid van het plangebied. Wat betreft de verkeersveiligheid ter plaatse is de raad van mening dat gelet op de afstand tussen de uitrit en de verbinding met de ontsluitingsweg de verkeersveiligheid niet in het geding komt. In het kader van de inrichting van de weg wordt beoordeeld of het treffen van aanvullende verkeerskundige maatregelen wenselijk is, aldus de raad.

In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situering van de ontsluitingsweg van het bedrijventerrein uit een oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbaar is.

11.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat het ten behoeve van het plan opgestelde akoestisch rapport "Akoestisch onderzoek V2.0 Kruiswijk III in Anna Paulowna" van 18 augustus 2011 (hierna: akoestisch rapport van 18 augustus 2011) uitgaat van een niet-representatieve invulling van het plangebied. Zij wijzen in dit verband naar afbeelding 2.2 en 2.3 van het akoestisch rapport van 18 augustus 2011. Ook heeft de raad geen rekening gehouden met de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid en wijzigingsbevoegdheden. Door toepassing van deze bevoegdheden zullen er meer en zwaardere verkeersbewegingen zijn, met als gevolg een toename van de geluidbelasting op de gevels van woningen, aldus [appellant sub 2] en anderen.

11.1.    De raad stelt dat in het akoestisch rapport van 18 augustus 2011 wordt uitgegaan van een representatieve invulling van het bedrijventerrein. Gelet op de planregels is volledige bebouwing van de gronden niet mogelijk. Voorts is rekening gehouden met de ruimte die benodigd is voor aanvullende voorzieningen, zoals waterbergingen ter compensatie van het verlies van onverhard terrein. Bij het invullen van het geluidmodel is uitgegaan van normaantallen voor een gemengd bedrijventerrein van Stichting CROW, Kennisplatform voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte (hierna: CROW). Wat betreft de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid en wijzigingsbevoegdheden kan volgens de raad niet op voorhand worden gesteld dat toepassing daarvan leidt tot meer en/of andersoortig verkeer.

11.2.    Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder b, onder 1, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen op gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" ten behoeve van bedrijven dat het bebouwingspercentage per bouwperceel niet meer dan 60 bedraagt.

Ingevolge lid 3.2, onder c, onder 2; onder d, onder 2; en onder e, onder 2, geldt het vorenstaande eveneens voor gronden ter plaatse van onderscheidenlijk de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 2", "specifieke bouwaanduiding - 3" en specifieke bouwaanduiding - 4".

11.3.    Ingevolge artikel 3.6, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

a. lid 3.1, onder a tot en met d, voor de vestiging van bedrijven die niet voorkomen in de als bijlage 1 bij deze regels opgenomen "Staat van Bedrijven", mits deze bedrijven naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende (bedrijfs)woningen, al dan niet onder te stellen voorwaarden, voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, gelijk kunnen worden gesteld met de toegestane bedrijven die wel voorkomen in de "Staat van Bedrijven";

b. lid 3.1, onder a tot en met d, voor de vestiging van bedrijven die behoren tot de naast hogere milieucategorie van de als bijlage 1 opgenomen "Staat van Bedrijven", voor zover dergelijke bedrijven in het concrete geval naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende (bedrijfs)woningen, al dan niet onder te stellen voorwaarden, wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, gelijk kunnen worden gesteld met bedrijven die behoren tot de bij recht toegestane milieucategorie;

c. lid 3.1, onder j, en detailhandel in volumineuze goederen toestaan, met dien verstande dat:

- de gezamenlijke bruto verkoopvloeroppervlakte op de gronden bestemd als "Bedrijventerrein" ten hoogste 1.500 m² mag zijn;

- het parkeren ten behoeve van de detailhandelsactiviteiten in volumineuze goederen op eigen terrein plaatsvindt;

[…]

- een vergunning als bedoeld in dit lid uitsluitend wordt verleend voor zover de aanvraag betrekking heeft op de 1,5 hectare bedoeld in lid 3.1, onder e, en deze oppervlakte nog niet volledig is benut voor agri-business en/of voor detailhandel in volumineuze goederen en/of zelfstandige kantoren waarvoor al eerder een vergunning is afgegeven;

- het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bepaalde oppervlakte aan detailhandel in volumineuze goederen leidt tot een vermindering van de toegestane oppervlakte aan agribusiness als bedoeld in lid 3.1, sub e, met datzelfde aantal vierkante meters.

d. lid 3.1, onder m, voor de vestiging van zelfstandige kantoren, met dien verstande dat:

- zelfstandige kantoren uitsluitend mogen worden gerealiseerd langs de wegen die in het plangebied zijn bestemd voor "Verkeer";

- de oppervlakte van een zelfstandig kantoor ten hoogste 750 m2 mag bedragen;

- een vergunning bedoeld in dit lid uitsluitend wordt verleend voor zover de aanvraag betrekking heeft op de 1,5 hectare bedoeld in lid 3.1, onder e, en deze oppervlakte nog niet volledig is benut voor agri-business en/of voor detailhandel in volumineuze goederen of zelfstandige kantoren waarvoor al eerder een vergunning is afgegeven;

- het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bepaalde oppervlakte aan zelfstandige kantoren leidt tot een vermindering van de toegestane oppervlakte aan agribusiness als bedoeld in lid 3.1, sub e, met datzelfde aantal vierkante meters.

f. lid 3.1, onder l, voor de vestiging van een tankstation, met dien verstande dat:

- er niet meer dan 1 tankstation mag worden gevestigd;

- de ontheffing bij voorkeur betrekking heeft op de verplaatsing van een tankstation van elders binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Anna Paulowna;

- een tankstation met de verkoop van LPG niet is toegestaan;

de vestiging van een tankstation niet is toegestaan op gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 1".

11.4.    Ingevolge artikel 3.7 kan het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de procedure zoals voorgeschreven in de Wro, de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 1" en "bedrijf tot en met categorie 2" wijzigen ten behoeve van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1", met dien verstande dat:

a. de bestemming "Wonen" als toegekend aan de gronden Grasweg 10, Grasweg 12 en Grasweg 14 te Anna Paulowna aan (een deel van) de gronden is ontnomen en de woonfunctie ter plaatse volledig is beëindigd;

b. ten opzichte van andere woningen wordt voldaan aan de in de als bijlage 1 bij deze regels opgenomen "Staat van Bedrijven" opgenomen afstanden;

c. voor het overige de bestemmingsregels van artikel 3 "Bedrijventerrein" van overeenkomstige toepassing zijn.

11.5.    Ingevolge artikel 7.7 kan het college van burgemeester en wethouders, met inachtneming van de procedure zoals voorgeschreven in de Wro, de bestemming "Wonen" wijzigen in de bestemming "Bedrijventerrein", met dien verstande dat na wijziging de bestemmingsregels van artikel 3 "Bedrijventerrein" van overeenkomstige toepassing zijn,

met dien verstande dat aan een dergelijke wijziging uitsluitend wordt meegewerkt wanneer geen sprake is van een onevenredige aantasting van:

- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

- het ruimtelijk beeld;

- het landschaps- en bebouwingsbeeld;

- de sociale veiligheid;

- de verkeersveiligheid;

- de waterhuishouding;

- het woon- en leefklimaat in de omgeving.

11.6.    [appellant sub 2] en anderen hebben ter motivering van hun beroepsgrond verwezen naar de inrichtingsschets van het bedrijventerrein als weergeven in de plantoelichting en het akoestisch rapport van 18 augustus 2011. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de inrichtingsschets een representatieve weergave geeft van het plangebied, gelet op het in het plan vastgelegde maximale bebouwingspercentage van 60 en de omstandigheid dat binnen het plangebied voorzien zal worden in wegen, waterbergingen en groen. [appellant sub 2] en anderen hebben niet gemotiveerd waarom de raad bij het invullen van het geluidmodel niet heeft mogen uitgaan van de normaantallen van CROW voor een gemengd bedrijventerrein.

In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het akoestisch rapport van 18 augustus 2011 wordt uitgegaan van een representatieve invulling van het plangebied wat betreft de in het plan bij recht toegekende bestemmingen.

Uit het akoestisch rapport van 18 augustus 2011 en de overige stukken kan niet worden opgemaakt dat de raad inzicht heeft in de gevolgen van de wijzigingsbevoegdheden van artikel 3.7 en 7.7 en de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3.6 van de planregels voor de geluidsbelasting binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Evenmin heeft de raad dit ter zitting aannemelijk kunnen maken.

Uit het akoestisch rapport van 18 augustus 2011 en de overige stukken kan niet worden opgemaakt dat de raad onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van de wijzigingsbevoegdheden van artikel 3.7 en 7.7 en de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3.6 van de planregels voor de geluidbelasting binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Evenmin heeft de raad dit ter zitting aannemelijk kunnen maken. Onder verwijzing naar de uitspraken van 16 november 2011 in zaak nr. 201004147/1/R1 en van 22 februari 2012 in zaak nr. 201008322/1/R3 betreffende een wijzigingsbevoegdheid en de uitspraak van 18 juli 2012 in zaak nr. 201109200/1/R3 betreffende een afwijkingsbevoegdheid overweegt de Afdeling dat het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid of een afwijkingsbevoegdheid met zich brengt dat voldoende inzicht bestaat in de gevolgen van toepassing van de bevoegdheden.

Nu inzicht ontbreekt in de gevolgen van het toepassen van de wijzigingsbevoegdheden en de afwijkingsbevoegdheid, heeft de raad gehandeld in strijd met de bij het nemen van het besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep slaagt in zoverre.

12.    In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan voor zover het betreft de vaststelling van de artikelen 3.6, 3.7 en 7.7 van de planregels, is vastgesteld in strijd met 3:2 van de Awb. Het beroep is gedeeltelijk gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 2] e.a. hebben aangevoerd ziet de Afdeling voor het overige geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond.

13.    De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hollands Kroon van 28 november 2011, voor zover het de vaststelling van de artikelen 3.6, 3.7 en 7.7 van de planregels betreft;

IV.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Hollands Kroon tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Hollands Kroon aan [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

191-739.