Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
201203789/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2010 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een overkapping en twee bijgebouwen op het perceel [locatie 1] te Assen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201203789/1/A1.

Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Assen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 6 maart 2012 in zaak nr. 11/263 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Assen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2010 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een overkapping en twee bijgebouwen op het perceel [locatie 1] te Assen.

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het college de door [belanghebbende A], [belanghebbende B], [belanghebbende C], [belanghebbende D], [belanghebbende E], [belanghebbende F] en [belanghebbende G] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 15 november 2010 herroepen en alsnog geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van een overkapping en twee bijgebouwen op het perceel.

Bij uitspraak van 6 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door T. de Vries, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Pronk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

2.    Het college zich in het besluit van 15 maart 2011 op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand en heeft om die reden bij het besluit van 15 maart 2011 de eerder verleende omgevingsvergunning voor het legaliseren van de overkapping en twee bijgebouwen op het perceel herroepen en alsnog geweigerd omgevingsvergunning te verlenen.

3.    [appellant] wordt niet gevolgd, voor zover hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [belanghebbende D], bewoner van de woning [locatie 2], geen belanghebbende is bij het besluit van 15 november 2010, omdat hij vanuit zijn woning slechts beperkt zicht zou hebben op de overkapping en de bijgebouwen. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit zicht zodanig beperkt is dat op grond daarvan moet worden geoordeeld dat [belanghebbende D], ondanks dat hij op korte afstand van de overkapping en bijgebouwen woonachtig is, toch geen rechtstreeks bij het besluit van 15 november 2010 betrokken belang heeft.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehandeld. Daartoe voert hij aan dat de gemaakte bezwaren geen grond bieden voor herroeping van de omgevingsvergunning en het college het bouwplan in bezwaar niet alsnog aan de welstandscommissie voor kon leggen.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200606157/1), is de bezwaarprocedure bedoeld voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Bovendien kan in de door [belanghebbende B] in bezwaar geponeerde stelling dat het oorspronkelijke beeld in de directe omgeving van het perceel van diepe open tuinen met als afronding één bijgebouwtje door onderhavige overkapping en bijgebouwen is onderbroken en dat door de overkappingen en bijgebouwen uit esthetisch oogpunt naar de smaak van de directe buren sprake is van sterk verminderd woongenot, mede worden gelezen dat de overkapping en bijgebouwen niet voldoen aan de redelijke eisen van welstand.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de omstandigheid dat in bezwaar niet met zoveel woorden naar voren is gebracht dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand betekent dat het college de bij het besluit van 15 november 2010 verleende omgevingsvergunning niet op die grond bij het besluit van 15 maart 2011 mocht herroepen en alsnog omgevingsvergunning mocht weigeren.

Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de overkapping en de twee bijgebouwen in overeenstemming zijn met de redelijke eisen van welstand en dat de Welstandsnota Assen, waaraan de welstandscommissie van de gemeente Assen (hierna: de welstandscommissie) heeft getoetst, met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is vervallen.

5.1.    Het college heeft het oordeel dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand gebaseerd op het advies van de welstandscommissie van 13 januari 2011.

Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het welstandsadvies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De enkele omstandigheid dat de Welstandsnota is vastgesteld op 17 juni 2004, en derhalve voor inwerkingtreding van de Wabo, biedt geen grond voor het oordeel dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wabo niet meer aan deze nota getoetst mag worden. [appellant] heeft het negatieve welstandsadvies voor het overige in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college zich op grond van het welstandsadvies van 13 januari 2011 op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

580.