Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
201107020/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke afwijzing door korpsbeheerder van verzoek van appellant om openbaarmaking van alle mutaties en processen-verbaal uit de eerste zes maanden van 2008 die betrekking hebben op discriminatie. Ter zitting heeft de korpsbeheerder het standpunt ingenomen dat de stukken uit voormelde overige dossiers politiegegevens bevatten, zodat het verzoek van appellant mede had moeten worden beoordeeld op grond van de Wpg.

De Wpg bevat een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in art. 1, aanhef en onder a, van die wet (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2012 in zaak nr. 201107561/1/A3, LJN: BX6514). Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens. Bij de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, is onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 200910242/1/H3, LJN: BN8578), dient daarbij te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 45-50).

De Afdeling heeft met toepassing van art. 8:29, lid 5 van de Awb kennisgenomen van de niet-verstrekte gegevens uit de overige dossiers. Naar het oordeel van de Afdeling moeten deze gegevens, op zichzelf dan wel bezien in de context van de documenten waarin ze zijn opgenomen en in combinatie met andere gegevens, worden aangemerkt als gegevens betreffende geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen. Nu deze gegevens voorts in het kader van de uitoefening van de politietaak worden verwerkt, moeten ze worden aangemerkt als politiegegevens in de zin van art. 1, aanhef en onder a, van de Wpg. In zoverre heeft de korpsbeheerder het verzoek van appellant derhalve ten onrechte beoordeeld op grond van de Wob. De Rb. heeft dit niet onderkend.

Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het aldus vernietigde gedeelte van het besluit van 11 mei 2010 in stand te laten.

De niet-verstrekte gegevens uit de overige dossiers hebben, naar niet in geschil is, geen betrekking op appellant. Deze gegevens kunnen daarom niet worden aangemerkt als hem betreffende politiegegevens in de zin van art. 25, lid 1 van de Wpg en kunnen niet met toepassing van die bepaling aan appellant worden verstrekt. Nu de betrokken gegevens evenmin op grond van enige andere bepaling van de Wpg aan appellant kunnen worden verstrekt, heeft de korpsbeheerder terecht - zij het op onjuiste gronden - geweigerd die gegevens aan appellant te verstrekken.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 3, geldigheid: 2012-12-05
Wet openbaarheid van bestuur 10, geldigheid: 2012-12-05
Wetboek van Strafvordering 365, geldigheid: 2012-12-05
Wet politiegegevens 1, geldigheid: 2012-12-05
Wet politiegegevens 16, geldigheid: 2012-12-05
Wet politiegegevens 24, geldigheid: 2012-12-05
Wet politiegegevens 25, geldigheid: 2012-12-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2013/124 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg

Uitspraak

201107020/1/A3.

Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 mei 2011 in zaak nr. 10/2119 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Zuid.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2009 heeft de korpsbeheerder een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van alle mutaties en processen-verbaal uit de eerste zes maanden van 2008 die betrekking hebben op discriminatie, gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft de korpsbeheerder, opnieuw beslissend op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, dat bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en, met weglating van diverse gegevens, afschriften van stukken verstrekt.

Bij uitspraak van 19 mei 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover het informatie betreft uit de dossiers met mutatienummers 08-040162, 08-051345 en 08-075330, het besluit van 11 mei 2010 in zoverre vernietigd, bepaald dat de korpsbeheerder een nieuw besluit dient te nemen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft de korpsbeheerder het door [appellant] tegen het besluit van 11 mei 2010 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover het informatie betreft uit de dossiers met mutatienummers 08-040162, 08-051345 en 08-075330 en, met weglating van diverse gegevens, afschriften van de stukken uit die dossiers verstrekt.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij de rechtbank beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep doorgezonden aan de Afdeling.

Bij brief van 17 augustus 2011 heeft de korpsbeheerder gereageerd op het beroep tegen het besluit van 6 juni 2011.

[appellant] heeft aan de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, en de korpsbeheerder, vertegenwoordigd door mr. M.J.R.M. Pompen, werkzaam bij de politieregio, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan eenieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

[…]

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge artikel 365, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: het WvSv) verstrekt de voorzitter desgevraagd een afschrift van het vonnis en het proces-verbaal der terechtzitting aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de voorzitter ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het vonnis is gewezen of van de derden die in het vonnis of in het proces-verbaal worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de voorzitter een geanonimiseerd afschrift of een uittreksel van het vonnis en het proces-verbaal verstrekken.

Ingevolge het vijfde lid zijn onder het vonnis begrepen de stukken die aan de uitspraak zijn gehecht. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt geen afschrift of uittreksel verstrekt.

Ingevolge artikel 39b, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) verwerkt het College van procureurs-generaal slechts strafvorderlijke gegevens, indien dit noodzakelijk is voor een goede vervulling van de taak van het openbaar ministerie of het nakomen van een andere wettelijke verplichting.

Ingevolge artikel 1 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg), zoals die wet luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. politiegegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;

[…]

d. verstrekken van politiegegevens: het bekendmaken of ter beschikking stellen van politiegegevens;

e. ter beschikking stellen van politiegegevens: het verstrekken van politiegegevens aan personen die overeenkomstig deze wet zijn geautoriseerd voor het verwerken van politiegegevens;

[…].

Bij en krachtens de artikelen 16 tot en met 24 is bepaald aan welke personen politiegegevens moeten of mogen worden verstrekt.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, eerste volzin, deelt de verantwoordelijke eenieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens zijn vastgelegd.

2. Bij brief van 20 januari 2009 heeft [appellant] de korpsbeheerder verzocht om openbaarmaking van alle mutaties en processen-verbaal uit de eerste zes maanden van 2008 die betrekking hebben op discriminatie. Bij brief van 12 februari 2009 heeft de korpsbeheerder [appellant] een overzicht verstrekt van 37 dossiers die voorkomen in het Bedrijfsprocessensysteem en hem gevraagd zijn verzoek nader te specificeren. In reactie daarop heeft [appellant] bij brief van 17 februari 2009 ontkend dat zijn verzoek te ruim is geformuleerd en te kennen gegeven dat hij met zijn verzoek doelt op alle voorvallen met incidentcodes 345 (homogeweld) en 753 (discriminatie) en alle voorvallen waarbij sprake is van overtreding van artikel 137c tot en met 137g of artikel 429 quater van het Wetboek van Strafrecht. Verder heeft hij in die brief te kennen gegeven dat hij een integraal afschrift van de dossiers wenst te ontvangen, dat alle gegevens voor hem van belang zijn en dat identificeerbare persoonsgegevens vanzelfsprekend - uitvoerig gemotiveerd - kunnen worden geweigerd.

Bij het besluit van 11 mei 2010 heeft de korpsbeheerder alsnog afschriften verstrekt van stukken uit dossiers die vallen onder het verzoek van [appellant]. Daarbij heeft hij met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob diverse gegevens onleesbaar gemaakt. Onder verwijzing naar artikel 365, vierde en vijfde lid, van het WvSv en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob heeft de korpsbeheerder geweigerd afschriften te verstrekken van de stukken uit negen dossiers in zaken die aan de strafrechter zijn voorgelegd dan wel zijn geëindigd met een sepotbeslissing.

3. De rechtbank is voorbijgegaan aan het ter zitting door de korpsbeheerder ingenomen standpunt dat [appellant] op grond van de Wpg een deel van de niet-verstrekte gegevens niet kan verkrijgen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de korpsbeheerder openbaarmaking van de stukken uit zes dossiers die aan de strafrechter zijn voorgelegd en zijn geëindigd in een oordeel van de strafrechter, terecht op grond van artikel 365, vierde en vijfde lid, van het WvSv heeft geweigerd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de korpsbeheerder ten onrechte met een beroep op dat artikel openbaarmaking heeft geweigerd van stukken uit drie dossiers die zijn geëindigd met een sepotbeslissing, aangezien die bepaling alleen ziet op dossiers die aan de strafrechter zijn overgedragen. In de stukken uit de overige dossiers heeft de korpsbeheerder met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob gegevens onleesbaar mogen maken, aldus de rechtbank.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 365, vierde en vijfde lid, van het WvSv in de weg staat aan verstrekking van stukken uit de zes dossiers die aan de strafrechter zijn voorgelegd en zijn geëindigd in een oordeel van de strafrechter. Mogelijk waren de dossiers ten tijde van het besluit van 11 mei 2010 nog niet aan de strafrechter voorgelegd, aldus [appellant]   . Verder voert hij aan dat zijn verzoek mede moet worden aangemerkt als een verzoek om persvoorlichting. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010 in zaak nr. 200908243/1/H3 betoogt hij dat uit artikel 39b, eerste lid, van de Wjsg en de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging (Stcrt. 2007, 202; hierna: de Aanwijzing) voortvloeit dat de Wob van toepassing is op een dergelijk verzoek.

4.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010, met juistheid overwogen dat artikel 365 van het WvSv een bijzondere en uitputtende regeling voor openbaarmaking bevat, die aan de Wob derogeert. Artikel 365 van het WvSv geeft een exclusieve bevoegdheid aan de voorzitter van de strafkamer om een afschrift van de in dat artikel vermelde, tot het strafdossier behorende stukken aan derden te verstrekken. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt, gelet op die uitputtende regeling, geen afschrift of uittreksel verstrekt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende zes dossiers, anders dan de rechtbank heeft overwogen, eerst na het besluit van 11 mei 2010 aan de strafrechter zijn voorgelegd.

Gegevens in een strafdossier vallen ook onder de werking van de Wjsg. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak heeft overwogen, neemt het feit dat de regeling in artikel 39b, eerste lid, van de Wjsg geen aan de Wob derogerende regeling is, niet weg dat artikel 365 van het WvSv voor de in die bepalingen genoemde stukken een uitputtende regeling geeft. Anders dan [appellant] betoogt, kan ook de Aanwijzing hieraan niet afdoen, omdat de Aanwijzing geen wettelijk voorschrift is. Evenmin volgt uit voormelde uitspraak van 7 juli 2010 dat de Wob in dit geval van toepassing is. De Wob is slechts van toepassing op persvoorlichting, voor zover hierop geen andere bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter van toepassing zijn. Zoals hiervoor is overwogen, doet dat geval zich hier niet voor. Voor zover het verzoek van [appellant] al mede kan worden aangemerkt als een verzoek om persvoorlichting, kan dit daarom niet leiden tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de korpsbeheerder de stukken uit de desbetreffende dossiers openbaar had moeten maken.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de korpsbeheerder ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob gegevens onleesbaar heeft gemaakt in de stukken uit de overige dossiers, dat wil zeggen de dossiers die niet behoren tot de zes dossiers die aan de strafrechter zijn voorgelegd of tot de drie dossiers die zijn geëindigd met een sepotbeslissing.

5.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

Ter zitting heeft de korpsbeheerder het standpunt ingenomen dat de stukken uit voormelde overige dossiers politiegegevens bevatten, zodat het verzoek van [appellant] mede had moeten worden beoordeeld op grond van de Wpg.

De Wpg bevat een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2012 in zaak nr. 201107561/1/A3. Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens. Bij de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, is onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 200910242/1/H3), dient daarbij te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 45-50).

5.2. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van de niet-verstrekte gegevens uit de overige dossiers. Naar het oordeel van de Afdeling moeten deze gegevens, op zichzelf dan wel bezien in de context van de documenten waarin ze zijn opgenomen en in combinatie met andere gegevens, worden aangemerkt als gegevens betreffende geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen. Nu deze gegevens voorts in het kader van de uitoefening van de politietaak worden verwerkt, moeten ze worden aangemerkt als politiegegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg. In zoverre heeft de korpsbeheerder het verzoek van [appellant] derhalve ten onrechte beoordeeld op grond van de Wob. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep, in zoverre dat ziet op de weigering bepaalde gegevens te verstrekken uit dossiers die niet aan de strafrechter zijn voorgelegd en niet zijn geëindigd met een sepotbeslissing, ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van de korpsbeheerder van 11 mei 2010 ingestelde beroep in zoverre gegrond verklaren. Dat besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, voor het overige te worden bevestigd.

7. De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het aldus vernietigde gedeelte van het besluit van 11 mei 2010 in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De niet-verstrekte gegevens uit de overige dossiers hebben, naar niet in geschil is, geen betrekking op [appellant]. Deze gegevens kunnen daarom niet worden aangemerkt als hem betreffende politiegegevens in de zin van artikel 25, eerste lid, van de Wpg en kunnen niet met toepassing van die bepaling aan [appellant] worden verstrekt. Nu de betrokken gegevens evenmin op grond van enige andere bepaling van de Wpg aan [appellant] kunnen worden verstrekt, heeft de korpsbeheerder terecht - zij het op onjuiste gronden - geweigerd die gegevens aan [appellant] te verstrekken.

8. Bij besluit van 6 juni 2011 heeft de korpsbeheerder, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar, voor zover dat is gericht tegen de weigering een afschrift te verstrekken van de stukken uit de drie dossiers die zijn geëindigd met een sepotbeslissing. Het hoger beroep van [appellant] wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

9. [appellant] betoogt dat de korpsbeheerder ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob gegevens onleesbaar heeft gemaakt in de stukken uit de drie voormelde dossiers.

9.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van de niet-verstrekte gegevens uit de drie dossiers. Deze gegevens komen naar aard en inhoud overeen met de niet-verstrekte gegevens uit de in overweging 5 bedoelde overige dossiers. Naar het oordeel van de Afdeling moeten daarom ook deze gegevens, op zichzelf dan wel bezien in de context van de documenten waarin ze zijn opgenomen en in combinatie met andere gegevens, worden aangemerkt als gegevens betreffende geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen. Nu voorts ook deze gegevens in het kader van de uitoefening van de politietaak worden verwerkt, moeten ze worden aangemerkt als politiegegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg. De korpsbeheerder heeft daarom bij het besluit van 6 juni 2011 het verzoek van [appellant] in zoverre ten onrechte beoordeeld op grond van de Wob.

10. Het beroep tegen het besluit van de korpsbeheerder van 6 juni 2011 is gegrond. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten, nu de betrokken gegevens - evenals hiervoor onder 7 is overwogen - op grond van de Wpg niet aan [appellant] kunnen worden verstrekt.

11. De korpsbeheerder dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 mei 2011 in zaak nr. 10/2119, voor zover daarbij het beroep, in zoverre dat ziet op de weigering van de korpsbeheerder bepaalde gegevens te verstrekken uit dossiers die niet aan de strafrechter zijn voorgelegd en niet zijn geëindigd met een sepotbeslissing, ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Zuid van 11 mei 2010, kenmerk 10-03642, in zoverre;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;

VI. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige;

VII. verklaart het beroep tegen het besluit van de korpsbeheerder van 6 juni 2011, kenmerk 11-08648, gegrond;

VIII. vernietigt dat besluit;

IX. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

X. veroordeelt de korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Zuid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat de korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Zuid aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Herweijer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

640.