Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
201112476/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] voor de jaren 2008 en 2009 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112476/1/A2.

Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 oktober 2011 in de zaken nrs. 10/2988 en 11/1899 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] voor de jaren 2008 en 2009 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 oktober 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen daartoe toestemming hadden verleend, heeft de Afdeling bepaald dat de behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet Kinderopvang (hierna: de Wko), is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het gastouderopvang betreft die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en ouder.

Ingevolge artikel 56, tweede lid, is artikel 52 op de houder van een gastouderbureau van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2.    Aan het besluit van 15 juli 2011 heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat kosten voor kinderopvang zijn gemaakt en hij over het jaar 2009 geen akte van een overeenkomst met het gastouderbureau heeft overgelegd.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand te laten, heeft miskend dat hij door het overleggen van bankafschriften en kwitanties, waaruit volgt dat hij contante betalingen aan de gastouder heeft verricht, heeft aangetoond dat kosten voor kinderopvang zijn gemaakt. Ook heeft zij miskend dat hij een overeenkomst met het gastouderbureau heeft overgelegd, aldus [appellant].

3.1.    Dat betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, moet kunnen aantonen dat bij hem kosten van kinderopvang zijn opgekomen en de hoogte ervan.

Op de door [appellant] overgelegde kwitanties is vermeld dat de gastouder bedragen van hem heeft ontvangen. Deze kwitanties zijn niet gedateerd en bevatten geen verwijzing naar een periode. De Belastingdienst heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat hij de op de kwitanties vermelde bedragen voor geboden kinderopvang heeft betaald. De Belastingdienst heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat [appellant] deze bedragen nader diende te staven met andere stukken, zoals bankafschriften, waaruit blijkt dat hij bedragen heeft opgenomen die corresponderen met de bedragen op de kwitanties.

Zoals de rechtbank ook met juistheid heeft overwogen, heeft de Belastingdienst aan de door [appellant] overgelegde bankafschriften niet de betekenis hoeven toekennen die hij daaraan gehecht wenste te zien. Daarbij is van belang dat de bedragen op de kwitanties niet corresponderen met de overgelegde bankafschriften. Voorts is uit deze afschriften niet op te maken dat de contante opnamen zijn gebruikt om de gastouder te betalen.

Gelet op het vorenoverwogene, heeft de Belastingdienst zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door [appellant] overgelegde stukken onvoldoende blijkt van kosten van kinderopvang over de jaren 2008 en 2009. Hetgeen overigens in dit verband is aangevoerd behoeft geen bespreking.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat de Belastingdienst van hem een hoger bedrag aan kinderopvangtoeslag heeft teruggevorderd, dan hij heeft ontvangen. Door te overwegen dat het besluit van 15 juli 2011 zich tot de herziening van de voorschotbeschikkingen beperkt, gaat zij voorbij aan het feit dat de berekening van de terugvordering afhankelijk is van onder meer de duur van de kinderopvangtoeslag die is opgenomen in het besluit van 15 juli 2011, aldus [appellant].

4.1.     Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het besluit van 15 juli 2011 zich tot het door [appellant] tegen de herziening van de hoogte van de voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 gemaakte bezwaar beperkt. Daarbij is niet besloten tot terugvordering. De rechtbank heeft derhalve met juistheid de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde voorschotten niet in haar oordeel betrokken.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb    w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

434-721.