Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY5073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
201203126/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2010 heeft het college de op 18 september 2008 van rechtswege aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning voor het plaatsen van een beweegbare overkapping op het perceel [locatie] te Akkrum ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201203126/1/A1.

Datum uitspraak: 5 december 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 februari 2012 in zaak nr. 11/1513 in het geding tussen:

[vergunninghouders] (hierna tezamen en in enkelvoud: [vergunninghouder])

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2010 heeft het college de op 18 september 2008 van rechtswege aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning voor het plaatsen van een beweegbare overkapping op het perceel [locatie] te Akkrum ingetrokken.

Bij besluit van 24 mei 2011 heeft het college het door [vergunninghouder] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2012 heeft de rechtbank het door [vergunninghouder] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 mei 2011 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw besluit op het bezwaarschrift, met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief hoger beroep ingesteld.

[vergunninghouder] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 21 augustus 2012 heeft het college het door [vergunninghouder] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2010 ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.

Bij brief heeft [vergunninghouder] te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met het besluit van 21 augustus 2012.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2012, waar het college, vertegenwoordigd door M.N. de Vries, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. M.A. Jansen, advocaat te Leeuwarden, gehoord.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:17 zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde

2.    Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het bezwaar van [vergunninghouder] ontvankelijk is, heeft miskend dat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn op 26 augustus 2010 bij het college is ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Volgens het college was het niet gehouden het besluit van 12 juli 2010 aan de gemachtigde van [vergunninghouder], mr. Jansen, te sturen en is dit besluit derhalve door verzending ervan aan [vergunninghouder] op 12 juli 2010 op de voorgeschreven wijze als bedoeld in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bekend gemaakt. De termijn voor het maken van bezwaar is daardoor aangevangen op 13 juli 2010 en geëindigd op 23 augustus 2010, aldus het college.

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 oktober 2007 in zaak nr. 200703442/1) vloeit uit artikel 2:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 6:17 van die wet en de wetsgeschiedenis voort dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze. Hierbij is niet doorslaggevend of het besluit daarnaast ook aan de belanghebbende zelf is gestuurd.

2.2.    Niet in geschil is dat [vergunninghouder] in meer zaken met betrekking tot het pand op het perceel is bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Jansen. In een handhavingsprocedure tussen [vergunninghouder] en het college over een op het perceel gebouwde serre heeft het college ter zitting bij de Afdeling op 20 april 2010 aan [vergunninghouder] toegezegd de bouwvergunning voor het plaatsen van een beweegbare overkapping op het perceel niet te zullen intrekken alvorens de Afdeling uitspraak in voormelde handhavingszaak heeft gedaan. Mr. Jansen heeft deze toezegging bij brief van 22 april 2010 namens [vergunninghouder] aan het college bevestigd. Nu deze brief niet uitsluitend betrekking heeft op de desbetreffende handhavingsprocedure, maar ook op de zaak met betrekking tot de intrekking van de bouwvergunning voor de beweegbare overkapping, kon het voor het college redelijkerwijs kenbaar zijn dat mr. Jansen eveneens in de zaak over intrekking van die bouwvergunning gemachtigde was van [vergunninghouder]. Dat [vergunninghouder] zich in de zienswijzeprocedure nog niet heeft laten bijstaan door zijn gemachtigde doet hieraan niet af. Indien daarin voor het college aanleiding bestond om te twijfelen of mr. Jansen als gemachtigde optrad, had het op zijn weg gelegen om bij [vergunninghouder] of mr. Jansen navraag te doen omtrent de rol van mr. Jansen in onderhavige zaak. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het besluit van 12 juli 2010 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, nu het uitsluitend aan [vergunninghouder] is toegezonden. Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Bij besluit van 21 augustus 2012 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [vergunninghouder] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding. Dit wil zeggen dat van de zijde van [vergunninghouder] van rechtswege een beroep tegen dit besluit is ontstaan, nu daarbij aan zijn bezwaren niet is tegemoetgekomen.

5.    [vergunninghouder] betoogt dat het college ten onrechte aan het besluit ten grondslag heeft gelegd dat geen aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden. Hiertoe voert hij aan dat wel een aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden door het leggen van een vloer, die als noodzakelijke basis dient voor de te plaatsen overkapping.

5.1.    Gelet op de bouwaanvraag en de daarbij behorende bouwtekening heeft de van rechtswege verleende bouwvergunning slechts betrekking op de plaatsing van een beweegbare overkapping en niet op de aanleg van een vloer. Het college heeft gemotiveerd toegelicht dat de op de bouwtekening ingetekende vloer de reeds bestaande vloer van grindtegels is. De houten vloer, die is aangelegd over de bestaande grindtegelvloer, maakt derhalve geen onderdeel uit van het bouwplan. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat met het leggen van de houten vloer geen aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden. Het betoog faalt.

6.    Het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2012 is ongegrond.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep van [vergunninghouder] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim van 21 augustus 2012, kenmerk 10079/4868, ongegrond;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim tot vergoeding van bij [vergunninghouder] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 901,44 (zegge: negenhonderdeen euro en vierenveertig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann    w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012

604.