Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY4457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2012
Datum publicatie
28-11-2012
Zaaknummer
201106397/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2011, kenmerk 223119, heeft de deelraad het bestemmingsplan "Tuindorp Frankendael" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106397/1/R1.

Datum uitspraak: 28 november 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

2. [appellant sub 2] en anderen (hierna tezamen: de bewoners van de Pasteurstraat), allen wonend te Amsterdam,

appellanten,

en

de deelraad van het stadsdeel Oost,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2011, kenmerk 223119, heeft de deelraad het bestemmingsplan "Tuindorp Frankendael" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en de bewoners van de Pasteurstraat beroep ingesteld.

De deelraad heeft een verweerschrift ingediend.

De bewoners van de Pasteurstraat en de deelraad hebben ieder een nader stuk ingediend.

De deelraad heeft de Grondexploitatiebegroting Jeruzalem van 5 november 2009, het Overzicht Kredietbehoefte Jeruzalem, ongedateerd, alsmede drie brieven van 14 april 2009, 12 augustus 2009 en 13 januari 2012 ingezonden. Daarbij heeft hij voor deze stukken verzocht om beperkte kennisneming, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij beslissing van 2 februari 2012 heeft de Afdeling het verzoek om beperkte kennisneming deels toegewezen. De stukken waarvoor het verzoek van de deelraad is afgewezen maken deel uit van het dossier. De betrokken partijen is gevraagd om toestemming om mede op grondslag van de informatie in de stukken die onder beperkte kennisneming zijn overgelegd uitspraak te doen. Deze toestemming is verkregen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door J.L. Brouwer en mr. E.C. Lisser, de bewoners van de Pasteurstraat, vertegenwoordigd door mr. A. Franken van Bloemendaal, alsook in de persoon van [persoon], advocaat te Amsterdam, en de deelraad, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud, advocaat te Amsterdam, ing. S. Karres en T. Ivanovic, projectleider, zijn verschenen.

Ter zitting zijn, buiten bezwaar van partijen, stukken overgelegd.

Bij tussenuitspraak van 2 mei 2012, nr. 201106397/1/T1/R1, heeft de Afdeling de deelraad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 15 maart 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 14 augustus 2012 heeft de raad aangegeven dat hij een nadere motivering heeft gegeven en op 3 juli 2012, kenmerk 326382, een nieuw besluit heeft genomen teneinde de gebreken die in de tussenuitspraak zijn genoemd te herstellen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1] en anderen en de bewoners van de Pasteurstraat een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Gelet op overweging 2.4.2. van de tussenuitspraak is het beroep van de bewoners van de Pasteurstraat, voor zover ingesteld door [15 personen], niet-ontvankelijk voor zover het betreft andere planonderdelen dan de nadere aanduiding "parkeergarage" voor een deel van de binnentuin van blok I.

1.1. Gelet op overweging 2.4.3. van de tussenuitspraak is het beroep van de bewoners van de Pasteurstraat, voor zover ingesteld door [12 personen], voor zover gericht tegen andere planonderdelen dan het plandeel voor blok I, niet-ontvankelijk.

1.2. Gelet op overweging 2.5. van de tussenuitspraak is het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor zover ingesteld door [2 personen] niet-ontvankelijk.

2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat:

- de deelraad niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij er in redelijkheid van mocht uitgaan dat het gebruikte grondwatermodel de gevolgen van de voorziene parkeergarages onder de blokken J en K voor de grondwaterstand in het plangebied voldoende realistisch weergeeft, zodat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij de voorbereiding van het besluit te betrachten zorgvuldigheid;

- artikel 21, onder e, en artikel 23, onder a, van de planregels, voor zover hierin 3 m in plaats van 1,5 m staat, berusten op een fout, zodat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij de voorbereiding van het besluit te betrachten zorgvuldigheid;

- de deelraad niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij er in redelijkheid op voorhand van mocht uitgaan dat de Flora- en faunawet wat betreft de huismus niet aan de uitvoerbaarheid van het plandeel voor blok I in de weg staat.

3. De raad heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak toegezonden:

- het aanvullend rapport grondwatertoets "Jeruzalem" van het Ingenieursbureau Gemeente Amsterdam van 13 augustus 2012;

- het besluit van de deelraad van 3 juli 2012;

- het rapport "Huismussen inventarisatie "Blok I Jeruzalem Amsterdam" van Elsken Ecologie van 24 juli 2012.

3.1. Het aanvullend rapport grondwatertoets dient als nadere motivering van de stelling van de deelraad dat het gehanteerde grondwatermodel de werkelijkheid voldoende benadert.

Met het besluit van 3 juli 2012 is in artikel 21, onder e, en artikel 23, onder a, van de planregels, de maximale afwijkingsmaat van 3 m vervangen door 1,5 m.

De Huismussen inventarisatie dient als nadere motivering van het betoog van de deelraad dat wat betreft de huismus de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plandeel voor blok I in de weg staat.

4. Het besluit van 3 juli 2012, waarbij de deelraad het besluit van 15 maart 2011 heeft gewijzigd, is ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.

4.1. Nu het ontvankelijkheidsgebrek dat onder 1. en 1.1. voor de daar genoemde personen is vastgesteld uitsluitend is gerelateerd aan het inroepen van rechtsbescherming, is in dit geval hun van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 3 juli 2012 eveneens niet-ontvankelijk.

Hetzelfde geldt voor het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] en anderen tegen dat besluit. Zij hebben immers geen zienswijze ingebracht tegen artikel 21, onder e, en artikel 23, onder a, van de planregels. Van belang is in dit verband dat de onder 1. en 1.1 genoemde personen, noch [appellant sub 1] en anderen, door dit besluit in een nadeliger positie worden gebracht. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 3 oktober 2012 in zaaknr. 201110156/1/R4 en 201102331/1/R4.

4.2. De bewoners van de Pasteurstraat stellen zich in hun zienswijze op het standpunt dat de wijze waarop de deelraad de gebreken heeft hersteld geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. De Afdeling ziet in hetgeen de bewoners van de Pasteurstraat hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het besluit van 3 juli 2012 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

5. [appellant sub 1] en anderen stellen zich in hun zienswijze op het standpunt dat het aanvullend rapport grondwatertoets enige zekerheid geeft dat er geen problemen zullen komen. Het geeft volgens hen echter geen garantie. In deze enkele stelling ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gehanteerde grondwatermodel de werkelijkheid voldoende benadert.

5.1. Voor zover de zienswijze van [appellant sub 1] en anderen ziet op aspecten die niet het onderwerp vormen van de door de Afdeling aan de raad gegeven opdracht en de wijze waarop de raad daaraan uitvoering heeft gegeven - zoals de invloed van en het ontbreken van onderzoek naar de blokken J en K op extra geluids- en milieuoverlast- overweegt de Afdeling dat daarover in de tussenuitspraak in 2.10. tot en met 2.10.4. eindbeslissingen zijn gegeven en deze hier buiten inhoudelijke bespreking moeten blijven.

5.2. Voor zover de zienswijze van [appellant sub 1] en anderen ziet op een alternatief voor de blokken J en K aan de Hugo de Vrieslaan, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] en anderen zich wat betreft deze beroepsgrond in het beroepschrift hebben beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting, noch in hun zienswijze tegen de wijze waarop het gebrek is hersteld, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

6. In 2.19 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat in de einduitspraak mede zal worden beslist over de beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen en van de bewoners van de Pasteurstraat met betrekking tot de mitigerende maatregelen en de financiële uitvoerbaarheid.

6.1. [appellant sub 1] en anderen en de bewoners van de Pasteurstraat hebben de inhoud van het aanvullend rapport grondwatertoets noch van de Huismussen inventarisatie inhoudelijk bestreden. De Afdeling gaat er derhalve van uit dat [appellant sub 1] en anderen en de bewoners van de Pasteurstraat geen beroepsgronden meer hebben met betrekking tot de mitigerende maatregelen die daarin worden genoemd. Gelet hierop bestaat geen aanleiding meer om in te gaan op de beroepsgrond over de mitigerende maatregelen.

6.2. [appellant sub 1] en anderen en de bewoners van de Pasteurstraat betogen dat de financiële uitvoerbaarheid onvoldoende is onderbouwd.

6.3. De deelraad stelt zich op het standpunt dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan, gelet op het investeringsbesluit van de gemeenteraad van Amsterdam, voldoende is verzekerd.

6.4. In paragraaf 7 van de plantoelichting staat dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan is verzekerd door het investeringsbesluit, waarvan het financiële kader wordt gevormd door de grondexploitatiebegroting, in samenhang met de samenwerkingsovereenkomsten die met de ontwikkelaar worden afgesloten.

Bij besluit van 20 januari 2010 heeft de gemeenteraad van Amsterdam onder meer besloten om de grondexploitatiebegroting met een batig saldo van € 10.651.000 vast te stellen alsmede een krediet van € 7.089.600 te verlenen voor de eerste vijf jaar van de voor de ontwikkeling opgenomen kosten. Dit krediet is in overeenstemming met de gestelde kredietbehoefte in het Overzicht Kredietbehoefte Jeruzalem bijgesteld plan, dat onder geheimhouding door de deelraad is overgelegd en waar de Afdeling, na toestemming van partijen, kennis van heeft genomen.

Voor zover de bewoners van de Pasteurstraat aanvoeren dat de belangrijkste ontwikkelaar van het gebied de ontwikkeling van het plangebied met twee jaar heeft uitgesteld en dat voorts sprake zou zijn van onrendabele investeringen in sociale huurwoningen, wordt overwogen dat de deelraad heeft aangevoerd dat de ontwikkeling van het plangebied in de meerjarenbegroting van de ontwikkelaar is opgenomen zodat in 2014 kan worden gestart met de ontwikkeling. Voorts is in de grondexploitatiebegroting rekening gehouden met de rendabiliteit van de voorziene sociale huurwoningen in het plangebied. Voor zover de bewoners van de Pasteurstraat zich in dit verband beroepen op het rapport "Onrendabele nieuwbouw" van Rigo Research en Advies BV van januari 2011, overweegt de Afdeling dat dit een algemeen rapport betreft waaruit geen conclusies kunnen worden getrokken over de ontwikkeling die thans aan de orde is.

Voorts is de enkele stelling van [appellant sub 1] en anderen en de bewoners van de Pasteurstraat dat de te treffen mitigerende maatregelen aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan onvoldoende voor dat oordeel.

6.5. In de zienswijze hebben de bewoners van de Pasteurstraat er op gewezen dat de projectontwikkelaar thans andere plannen heeft voor de invulling van blok I. Deze plannen dateren van na het besluit van 15 maart 2011 en kunnen daarom, gelet op het feit dat de toetsing van dat besluit door de Afdeling wordt verricht aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen daarvan, niet worden betrokken bij het thans voorliggende geschil. Uit de tussenuitspraak volgt voorts dat de financiële uitvoerbaarheid niet het onderwerp vormt van de door de Afdeling aan de raad gegeven opdracht. Hieruit volgt dat de raad deze nieuwe plannen, wat daar overigens van zij, niet had moeten betrekken bij het herstellen van de gebreken die de Afdeling in de tussenuitspraak heeft geconstateerd.

7. Gelet op de overwegingen 2.9.3. en 2.16.1. van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen en de bewoners van de Pasteurstraat hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de blokken I, J, en K is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Gelet op overweging 2.12.2. van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen de bewoners van de Pasteurstraat hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft artikel 21, onder e, en artikel 23, onder a, van de planregels, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Gelet op overweging 2.17.6. van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen de bewoners van de Pasteurstraat hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft blok I strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening te worden vernietigd.

8. Gelet op hetgeen onder 5. tot en met 5.2. en 6. tot en met 6.5. is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 15 maart 2011 in stand blijven, behoudens voor zover het betreft artikel 21, onder e, en artikel 23, onder a, van de planregels.

9. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2. is het beroep van de bewoners van de Pasteurstraat tegen het besluit van 3 juli 2012 ongegrond.

10. De deelraad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen en de bewoners van de Pasteurstraat op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart niet-ontvankelijk de beroepen tegen het besluit van de deelraad van het stadsdeel Oost van 15 maart 2011, kenmerk 223119, van:

- [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingesteld door [15 personen], voor zover het betreft andere planonderdelen dan de nadere aanduiding "parkeergarage" voor een deel van de binnentuin van blok I;

- [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingesteld door [12 personen], voor zover gericht tegen andere planonderdelen dan het plandeel voor blok I;

- [appellant sub 1] en anderen, voor zover ingesteld door [2 personen];

II. verklaart niet-ontvankelijk het beroep tegen het besluit van de deelraad van het stadsdeel Oost van 3 juli 2012, kenmerk 326382, van:

- [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingesteld door [15 personen];

- [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingesteld door [12 personen];

- [appellant sub 1] en anderen;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van de deelraad van het stadsdeel Oost van 15 maart 2011, kenmerk 223119, gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de deelraad van het stadsdeel Oost van 15 maart 2011, kenmerk 223119, voor zover het betreft de plandelen voor de blokken I, J en K alsmede artikel 21, onder e, en artikel 23, onder a, van de planregels;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, behoudens voor zover het betreft artikel 21, onder e, en artikel 23, onder a, van de planregels;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 3 juli 2012, kenmerk 326382, ongegrond;

VII. veroordeelt de deelraad van het stadsdeel Oost tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 79,76 (zegge: negenenzeventig euro en zesenzeventig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de deelraad van het stadsdeel Oost tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 913,88 (zegge: negenhonderddertien euro en achtentachtig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat de deelraad van het stadsdeel Oost aan appellanten vergoedt het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2012

410.