Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY4439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2012
Datum publicatie
28-11-2012
Zaaknummer
201108855/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2011, kenmerk no. B11-14032, heeft de raad het bestemmingsplan "De Groene Velden" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/12 met annotatie van R. van Bommel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108855/1/R2.

Datum uitspraak: 28 november 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Lelystad,

3.    [appellant sub 3] en anderen, wonend te Lelystad,

4.    [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Lelystad,

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6.    [appellante sub 6], wonend te Lelystad,

7.    [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]), wonend te Lelystad,

en

de raad van de gemeente Lelystad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2011, kenmerk no. B11-14032, heeft de raad het bestemmingsplan "De Groene Velden" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6] en [appellant sub 7] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 5] en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, [appellant sub 5], bijgestaan door mr. J. Haakmeester, advocaat te Baarn, en de raad, vertegenwoordigd door E. Doeve, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in een actuele, juridisch-planologische regeling voor het gebied "De Groene Velden", gelegen aan de noordzijde van Lelystad.

2.    [appellant sub 5] heeft ter zitting de beroepsgrond dat door bij de vaststelling van het plan daarin als wijziging een minimaal toegestane omvang voor een (bestaand) bouwperceel op te nemen, het plan zodanig is gewijzigd dat de planprocedure opnieuw doorlopen had moeten worden, ingetrokken.

[appellant sub 1] heeft ter zitting de beroepsgrond dat zijn kadastrale percelen niet juist in de verbeelding zijn weergegeven, ingetrokken.

Procedureel bezwaar

3.    Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 5] bezwaar hebben tegen de langdurige procedure vóór het opstellen van het ontwerpplan en betogen dat de raad door het jarenlang nemen van aaneensluitende voorbereidingsbesluiten onzorgvuldig heeft gehandeld, overweegt de Afdeling dat de bestemmingsplanprocedure aanvangt met de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan. Eventuele gebreken die dateren van vóór dat moment kunnen geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan met zich brengen.

Het betoog faalt dan ook.

Inhoudelijke bezwaren

Het beroep van [appellant sub 4]

4.    [appellant sub 4] richt zich tegen het plan voor zover dit gewijzigd is vastgesteld in die zin dat op de gronden waaraan in het ontwerpplan de bestemming "Randstedelijk gebied II" was toegekend een hondenkennel, -opvang en -africhtstation en/of het fokken van honden wordt toegestaan. Hij betoogt daartoe dat, zoals blijkt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011, in zaak nr. 201010249/1/M2, een dergelijke functie in een rustige woonwijk voor te veel geluidsoverlast zal zorgen. Voorts vreest [appellant sub 4] dat het bij de gewijzigde vaststelling uit artikel 5, lid 5.4.1, onder 6, van de planregels verwijderen van het verbod om bedrijven in categorie B die vallen onder de Wet milieubeheer uit te oefenen als aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijvigheid, het realiseren van het door hem gevreesde gebruik zal vergemakkelijken.

Voor het overige verwijst [appellant sub 4] naar zijn zienswijze en beschouwt hij deze als herhaald en ingelast.

4.1.    Bij de vaststelling van het plan heeft de raad het plan gewijzigd in die zin dat op de gronden in het zuidoosten van het plangebied is voorzien in de mogelijkheid ter plaatse een hondenkennel, -opvang en -africhtstation te realiseren en honden te fokken. De raad betoogt daartoe dat sprake is van toelatingsplanologie en niet van een vrijbrief. Omdat een vergunning noodzakelijk is voor het uitoefenen van bedoelde activiteiten en toetsing aan de geldende milieuregels in dat kader zal plaatsvinden, acht de raad verdere regeling in dit plan overbodig. Via de procedure voor het verkrijgen van een (omgevings)vergunning zal in voorkomend geval blijken of de functie kan worden verwezenlijkt, aldus de raad.

4.2.    Aan de gronden in het zuidoosten van het plangebied, waar ook de woning van [appellant sub 4] gelegen is, is in het ontwerpplan de bestemming "Randstedelijk gebied II" toegekend.

Ingevolge de planregels behorende bij het ontwerpplan is op de gronden waaraan de bestemming "Randstedelijk gebied I" is toegekend, het gebruik van die gronden voor een hondenkennel en/of -africhtstation en het fokken of kweken van dieren, waaronder begrepen honden, toegestaan. Ingevolge de planregels behorende bij het ontwerpplan is voornoemd gebruik niet toegestaan op gronden waaraan de bestemming "Randstedelijk gebied II" is toegekend.

Bij de vaststelling van het plan is aan de gronden in het plangebied waaraan in het ontwerpplan de bestemming "Randstedelijk gebied I" dan wel de bestemming "Randstedelijk gebied II" was toegekend, de bestemming "De Groene Velden" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de gronden met de bestemming "De Groene Velden" bestemd voor agrarische en/of semi-agrarische bedrijven en/of activiteiten.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder lid 1.31, wordt onder semi-agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf/activiteiten gericht op de handel in bloemen, planten en dieren en/of de bewaring van dan wel sportbeoefening met dieren, zoals een plantencentrum, fokken of kweken van dieren, hondenkennel -opvang en -africhtstation, pony- of paarden(koets)houderij, manege, imkerij met gerelateerde activiteiten, kleinschalige vormen van natuurgerichte educatie en workshops, tuinontwerpbureaus, hoveniersbedrijven, recreatieve of educatieve voorbeeld- of siertuinen, vervaardiging plant- of bloemsieraden, detailhandel in tuinmeubelen/tuininrichtingsartikelen, koffie- en theeschenkerijen.

4.3.    Ten aanzien van het in het plan voorziene gebruik van de gronden in het zuidoosten van het plangebied voor een hondenkennel, -opvang en -africhtstation en/of het fokken van honden, overweegt de Afdeling dat een bestemmingsplan dient te strekken tot een goede ruimtelijke ordening. Voor de beantwoording van de vraag of een bestemmingsplan voldoet aan deze eis kan niet worden volstaan met een verwijzing naar een toets die in het kader van een eventueel te verlenen omgevingsvergunning voor milieu moet worden uitgevoerd, zoals de raad heeft gedaan. Nog daargelaten de andere aard van een toets aan de milieuregelgeving en een toets in het kader van een goede ruimtelijke ordening, had de raad in de door [appellant sub 4] genoemde uitspraak van de Afdeling aanleiding moeten zien om te bezien of in het gebied waaraan in het ontwerpplan de bestemming "Randstedelijk gebied II" was toegekend, onevenredige geluidhinder kan ontstaan ten gevolge van het met de bestemming "De Groene Velden" mogelijk gemaakte gebruik. De opmerking van de raad dat sprake is van toelatingsplanologie ontslaat de raad geenszins van de verplichting om voor alle in het plan voorziene mogelijkheden bij de vaststelling van het plan te bezien of deze strekken tot een goede ruimtelijke ordening. Nu de raad geen blijk heeft gegeven van een belangenafweging, is het plan in zoverre reeds om die reden vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog van [appellant sub 4] slaagt.

4.4.    Voor zover [appellant sub 4] vreest dat het verwijderen van het in het ontwerpplan opgenomen verbod voor aan-huis-verbonden-beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige (aan-huis-verbonden) activiteiten betreffende zogenoemde 'bedrijven in categorie B' het gebruik van gronden als hondenkennel, -opvang en -africhtstation en/of het fokken van honden zal vergemakkelijken, ziet de Afdeling geen aanleiding deze vrees gegrond te achten. Daartoe acht de Afdeling van belang dat ingevolge artikel 5, lid 5.4.1, onder 4, van de planregels, enkel bedrijven en/of beroepen die voorkomen in bijlage 1 behorende bij de planregels als aan-huis-verbonden-beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit kunnen worden uitgeoefend binnen de bestemming "De Groene Velden". In deze bijlage zijn geen beroepen of bedrijven genoemd die een hondenkennel, -opvang en -africhtstation en/of het fokken van honden betreffen. Overigens is de uitoefening van een bedrijf waarvoor een omgevingsvergunning voor milieu noodzakelijk is of een meldingsplicht geldt als 'kleinschalige (aan-huis-verbonden) bedrijfsmatige activiteit', ingevolge artikel 1, onder 1.26, en sub e, van de planregels, geheel uitgesloten.

Dit betoog faalt.

4.5.    [appellant sub 4] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 4] heeft geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Deze betogen falen dan ook.

4.6.    In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover op de gronden waaraan in het ontwerpplan de bestemming "Randstedelijk gebied II" was toegekend is voorzien in de mogelijkheid deze gronden te gebruiken als hondenkennel, -opvang en -africhtstation en/of het fokken van honden, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover betreffende de zinsnede "hondenkennel -opvang en -africhtstation" en de zinsnede "fokken (…) van dieren" voor zover die zinsnede ziet op het fokken van honden, in artikel 1, onder 1.31, van de planregels, voor zover deze planregel betreft het gebied waaraan in het ontwerpplan de bestemming "Randstedelijk gebied II" was toegekend zoals nader weergegeven op de bij deze uitspraak gevoegde kaart, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 4] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 5], [appellante sub 6] en [appellant sub 7] (hierna: appellanten)

5.    Appellanten voeren aan dat bij de wijziging van het plan ten onrechte het bestaande kadastrale perceel als bestaand bouwperceel is aangemerkt waarop één woning is toegestaan en voor die bouwpercelen een minimale omvang van 5000 m² wordt aangehouden. Voorts betogen zij dat hun belangen worden geschaad, nu het voor bouwpercelen met een oppervlakte van minder dan 10.000 m² niet langer mogelijk is deze te splitsen teneinde op de gesplitste percelen bouwmogelijkheden te verwezenlijken en dit voor grotere bouwpercelen enkel bij wijzigingsbevoegdheid mogelijk is tot een minimale oppervlakte na splitsing van 5000 m². Zij betogen daartoe dat het besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd mede nu de grondslag voor het opnemen van die minimale omvang - de eis van bedrijfsmatige exploitatie van die gronden en het daaraan ten grondslag liggende beleid - is komen te vervallen.

[appellant sub 7] betoogt voorts dat de kadastrale grenzen van zijn percelen niet juist in het plan zijn opgenomen en het vertrouwensbeginsel is geschonden.

[appellant sub 1] en [appellant sub 5] betwijfelen voorts de financiële uitvoerbaarheid van het plan, gelet op de uit te keren planschade.

5.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 1.8, van de planregels wordt verstaan onder bestaand bouwperceel: de omvang van het bouwperceel zoals bekend bij het kadaster per opnamedatum 1 mei 2011, -overeenkomstig de bij dit plan gevoegde kaart met kadastrale begrenzing- en in de zin van dit plan vastgelegd op de datum van vaststelling van het bestemmingsplan.

Ingevolge onder 1.16 van dit artikel wordt verstaan onder bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2, mogen op gronden waaraan de bestemming "De Groene Velden" is toegekend uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten dienste van deze bestemming, met dien verstande dat: […]

d. het bebouwingspercentage een percentage van de omvang van het bestaande bouwperceel is; […]

g. per bouwperceel één (bedrijfs-)woning mag worden gebouwd met een inhoud van ten hoogste 750 m3 […].

Ingevolge lid 5.5 van dit artikel zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bouwregels voor de bestemming "De Groene Velden" te wijzigen aangaande bestaande bouwpercelen met een oppervlakte van meer dan 10.000 m² uitsluitend inzake verkleining van die bouwpercelen naar een minimumomvang van 5000 m²:

- indien vaststaat dat gerechtigden ten aanzien van de betreffende gronden zulks wensen en

- een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte wordt gerealiseerd en

- een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling wordt gerealiseerd.

In bijlage 2 "kadastrale begrenzing, opnamedatum 1 mei 2011", behorende bij het plan, zijn de kadastrale (bouw)percelen binnen het plangebied weergegeven.

5.2.    Uit de stukken en de nadere toelichting ter zitting blijkt dat het plangebied is bedoeld als overgangsgebied tussen stedelijk gebied en buitengebied; een gebied met een ruime opzet waar de mogelijkheid bestaat tot het vestigen van functies die in een stedelijk gebied noch in een buitengebied passend worden geacht. Teneinde de ruime opzet te waarborgen, heeft de raad als uitgangspunt dat in dit gebied verstening en verstedelijking zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. De raad acht gelet op dat uitgangspunt en de ter plaatse gewenste functies, het vastleggen van de bestaande kadastrale percelen in het plan en het hanteren van een minimale omvang van 5000 m² per bouwperceel - na splitsing -noodzakelijk.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid dit uitgangspunt heeft kunnen nemen, en de daaraan verbonden minimale omvang van een bouwperceel en het vastleggen van de bestaande kadastrale percelen noodzakelijk heeft kunnen achten. Voor zover appellanten wijzen op het vervallen van de eis van bedrijfsmatige exploitatie, kan deze omstandigheid, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven betreffende het uitgangspunt en de functies, niet leiden tot het oordeel dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

In zoverre faalt het betoog van appellanten.

5.3.    [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellante sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 1] (laatstgenoemde als eigenaar van het perceel kadastraal bekend Lelystad F877) beschikken allen over bouwpercelen met een oppervlakte van minder dan 10.000 m² en wensen hun percelen te splitsen dan wel opnieuw in te delen. Nu het splitsen dan wel herindelen van deze bouwpercelen tot gevolg zou hebben dat in ieder geval één van de gesplitste dan wel heringedeelde bouwpercelen een oppervlakte van minder dan 5000 m² zou hebben en ook op dat kleinere bouwperceel na splitsing bouwmogelijkheden kunnen worden verwezenlijkt, heeft de raad gelet op hetgeen in 5.2 is weergegeven, in het plan geen mogelijkheid opgenomen dergelijke bouwpercelen te splitsen. In hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellante sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad betreffende hun bouwpercelen van zijn uitgangspunten had moeten afwijken en meer belang had moeten toekennen aan hun belangen om meer dan wel gunstiger bouwmogelijkheden te verkrijgen. De enkele wens om de percelen zelf in te delen en de omstandigheid dat het voorheen geldende plan wel de mogelijkheid bood om dit te doen, zijn daartoe onvoldoende.

Dit betoog van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellante sub 6], [appellant sub 7] en, voor zover betreffende zijn perceel kadastraal bekend Lelystad F877, [appellant sub 1], faalt.

5.4.    Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat de kadastrale grenzen van zijn percelen niet juist in het plan zijn opgenomen, heeft hij deze stelling niet nader onderbouwd. Reeds hierom faalt dit betoog.

5.5.    Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 7] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in voldoende openbare parkeervoorzieningen zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Ook dit betoog van [appellant sub 7] faalt.

5.6.    [appellant sub 5], als eigenaar van het perceel kadastraal bekend Lelystad F839, en [appellant sub 1], als eigenaar van het perceel kadastraal bekend Lelystad F876, beschikken over bouwpercelen met een oppervlakte van ten minste 10.000 m².

De mogelijkheid om bouwpercelen met een oppervlakte van ten minste 10.000 m² te splitsen tot de minimumomvang van 5000 m², is in het plan niet bij recht maar bij wijzigingsbevoegdheid toegestaan. Ter zitting heeft de raad erkend dat genoemde percelen van [appellant sub 5] en [appellant sub 1] gelet op hun omvang kunnen worden gesplitst in percelen die afzonderlijk in ieder geval een omvang van 5000 m² hebben. Het is dan ook op voorhand duidelijk dat bij splitsing van deze percelen kan worden voldaan aan de minimumomvang voor bouwpercelen die de raad noodzakelijk acht om de uitgangspunten en de planologische aanvaardbaarheid van het plan te waarborgen. In de stukken noch ter zitting heeft de raad de keuze om desondanks een splitsing van genoemde bouwpercelen van [appellant sub 5] en [appellant sub 1] tot een minimumomvang van 5000 m² niet bij recht in het plan toe te staan, voldoende gemotiveerd. Evenmin heeft de raad gemotiveerd dat bij een bouwperceel met voornoemde minimumomvang door de bouw- en gebruiksvoorschriften uit artikel 5 van de planregels, niet reeds zou worden voldaan aan de andere in het lid 5.5 van dat artikel genoemde wijzigingsvoorwaarden.

Dit betoog van [appellant sub 5] en [appellant sub 1] slaagt. Het besluit dient, voor zover dit betreft de plandelen met de bestemming "De Groene Velden" betreffende het perceel kadastraal bekend Lelystad F839 en het perceel kadastraal bekend Lelystad F876, en de wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 5, lid 5.5, van de planregels, die enkel ziet op voornoemde plandelen, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Hetgeen [appellant sub 5] en [appellant sub 1] overigens hebben aangevoerd, behoeft gelet hierop geen verdere bespreking.

Conclusie

6.    De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] zijn gedeeltelijk, en het beroep van [appellant sub 5] is geheel gegrond. Het besluit van 14 juni 2011, kenmerk no. B11-14032, dient wegens strijd met 3:2 en 3:46 van de Awb deels te worden vernietigd. De raad dient ten aanzien van de plandelen met de bestemming "De Groene Velden" betreffende het perceel kadastraal bekend Lelystad F839 en het perceel kadastraal bekend Lelystad F876, een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Om te voorkomen dat zich ongewenste ontwikkelingen voordoen ziet de Afdeling aanleiding om de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] zijn voor het overige, en de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellante sub 6] en [appellant sub 7] zijn geheel ongegrond.

Proceskostenveroordeling

6.1.    De raad wordt ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 4] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellante sub 6] en [appellant sub 7] is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] gedeeltelijk, en het beroep van [appellant sub 5] geheel, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Lelystad van 14 juni 2011, kenmerk no. B11-14032, voor zover betreffende:

a- de zinsnede "hondenkennel -opvang en -africhtstation" en de zinsnede "fokken (…) van dieren" voor zover die zinsnede ziet op het fokken van honden, in artikel 1, onder 1.31, van de planregels, voor zover deze planregel betreft het gebied waaraan in het ontwerpplan de bestemming "Randstedelijk gebied II" was toegekend zoals nader weergegeven op de bij deze uitspraak gevoegde kaart1;

b- de wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 5, lid 5.5, van de planregels;

c- de plandelen met de bestemming "De Groene Velden" betreffende het perceel kadastraal bekend Lelystad F839 en het perceel kadastraal bekend Lelystad F876;

III.    draagt de raad van de gemeente Lelystad op om binnen 6 maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de plandelen onder II.c en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    treft de voorlopige voorziening dat de plandelen genoemd onder II.c worden geacht te zijn in werking getreden, met uitzondering van de zinsnede "hondenkennel -opvang en -africhtstation" en de zinsnede "fokken (…) van dieren" voor zover die zinsnede ziet op het fokken van honden, in artikel 1, onder 1.31, van de planregels, voor zover deze planregel betreft het plandeel met de bestemming "De Groene Velden" betreffende het perceel kadastraal bekend Lelystad F876;

V.    bepaalt dat de onder IV. opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan waarin de onder IV. bedoelde plandelen zijn opgenomen;

VI.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], voor het overige,

en de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], [appellant sub 3] en anderen, [appellante sub 6] en [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B] geheel,

ongegrond;

VII.    veroordeelt de raad van de gemeente Lelystad tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- [appellant sub 1] tot een bedrag van € 900,92 (zegge: negenhonderd euro en tweeënnegentig cent), voor een deel groot € 874,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 5] tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Lelystad aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1];

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

- € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 5].

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen    w.g. Vogel-Carprieaux

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2012

458.

<hr /><img width="750" src="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/plankaarten/2011p08855-1.jpg" alt="" />