Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY4366

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2012
Datum publicatie
28-11-2012
Zaaknummer
201201175/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanwijzing complex als gemeentelijk monument. Ingevolge art. 3A wordt de aanwijzing tot monument getoetst aan de door de deelraad vast te stellen Handleiding voor de aanwijzing van zaken en terreinen als gemeentelijk monument (hierna: de Handleiding).

Deze Handleiding, die bij besluit van 1 oktober 2008 door de deelraad Slotervaart is vastgesteld, voorziet in criteria die de algemeen geformuleerde kwalificaties uit art. 1, aanhef en onder a van de Monumentenverordening specificeren. Deze criteria zijn: architectonische waarde, stedenbouwkundige waarde, cultuurhistorische waarde, gaafheid/herkenbaarheid en zeldzaamheid. Deze criteria vormen een hulpmiddel bij de afweging om een zaak of terrein al dan niet aan te wijzen als gemeentelijk monument.

De Rb. heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur beoordelingsvrijheid heeft bij de beantwoording van de vraag of een onroerende zaak kan worden aangemerkt als monument in de zin van de Monumentenverordening. Die beoordelingsvrijheid is ingevuld met de hiervoor vermelde toetsingscriteria, die een nadere invulling geven aan de definitie van het begrip monument in de zin van art. 1, aanhef, en onder a, van de Monumentenverordening. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat het pand niet volgens die criteria gewaardeerd mocht worden en gewaardeerd is. De Rb. heeft terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur zich aan de hand van deze adviezen in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat Sloterhof voor de gemeente monumentale waarde heeft. De adviezen zijn deugdelijk gemotiveerd en op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De stelling van appellante dat het bij de totstandkoming de bedoeling was dat het pand slechts tijdelijk van aard zou zijn, kan evenmin afdoen aan de cultuurhistorische waarde die het pand naar de huidige maatstaven heeft.

Het dagelijks bestuur komt beleidsvrijheid toe bij de aanwijzing van monumentwaardige panden als gemeentelijk monument. Het dient daarbij rekening te houden met het gebruik van het monument en het algemene belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed. Dit algemene belang dient te worden afgewogen tegen de belangen die de eigenaren hebben bij al dan niet aanwijzing.

De Rb. heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat plaatsing op de monumentenlijst weliswaar een bescherming van het betrokken object beoogt, maar dat dit niet betekent dat eventueel in de toekomst gewenst geachte veranderingen aan of wijzigingen van het complex geheel zijn uitgesloten. De Rb. heeft vervolgens op goede gronden overwogen dat de problemen met betrekking tot toekomstige wijzigingen welke appellante stelt eerst aan de orde kunnen komen bij de belangenafweging die in het kader van een vergunningsprocedure als bedoeld in art. 11 van de Monumentenverordening moet plaatsvinden, nu niet is gebleken van ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar bestaande, concrete plannen betreffende verbouwing of renovatie van Sloterhof. Evenmin zijn in het M+P onderzoeksrapport gegevens opgenomen waaruit volgt dat renovatie noodzakelijk is.

Met juistheid heeft de Rb. verder overwogen dat evenmin aannemelijk is gemaakt dat een economisch verantwoorde exploitatie van Sloterhof door de aanwijzing onmogelijk wordt of dat niet meer aan de verplichtingen van het Burgerlijk Wetboek kan worden voldaan. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang dat is gediend met het behoud van en de instandhouding van Sloterhof. De Rb. is tot dezelfde slotsom gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201175/1/A2.

Datum uitspraak: 28 november 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Amsterdam,

als vertegenwoordiger van de eigenaren van het complex Sloterhof (Stichting Comenius I, Stichting Comenius II, Stichting Comenius III, Stichting Comenius IV en Stichting Comenius V), appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2011 in zaak nr. 11/2413 in het geding tussen:

[appellante]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West (hierna: het dagelijks bestuur).

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008 heeft de rechtsvoorganger van het dagelijks bestuur het complex Sloterhof, gelegen aan de Comeniusstraat 1 t/m 837 en de Hemsterhuisstraat 145 t/m 241, als gemeentelijk monument aangewezen.

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het dagelijks bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en het dagelijks bestuur hebben desverzocht nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [gemachtigde], werkzaam bij [appellante], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S. Akgün en B.J.A. Hamers Msc, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, ten eerste, van de Monumentenverordening Stadsdeel Slotervaart 2008 (hierna: de Monumentenverordening) wordt in deze verordening onder monument verstaan: zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 2 wordt bij toepassing van de verordening rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan het dagelijks bestuur, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

Ingevolge het tweede lid vraagt het dagelijks bestuur advies aan de adviescommissie monumentenzorg, voordat zij over de aanwijzing een besluit neemt.

Ingevolge het derde lid doet het dagelijks bestuur mededeling van de adviesaanvraag, bedoeld in het tweede lid, aan degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en als (beperkt) zakelijk gerechtigde staan vermeld, en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 3A wordt de aanwijzing tot monument getoetst aan de door de deelraad vast te stellen Handleiding voor de aanwijzing van zaken en terreinen als gemeentelijk monument (hierna: de Handleiding).

Deze Handleiding, die bij besluit van 1 oktober 2008 door de deelraad Slotervaart is vastgesteld, voorziet in criteria die de algemeen geformuleerde kwalificaties uit artikel 1, aanhef en onder a van de Monumentenverordening specificeren. Deze criteria zijn: architectonische waarde, stedenbouwkundige waarde, cultuurhistorische waarde, gaafheid/herkenbaarheid en zeldzaamheid. Deze criteria vormen een hulpmiddel bij de afweging om een zaak of terrein al dan niet aan te wijzen als gemeentelijk monument.

2.    [appellante] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur het complex Sloterhof ten onrechte als monumentwaardig heeft aangemerkt. Volgens [appellante] valt Sloterhof niet onder de reikwijdte van de definitie van monument zoals opgenomen in de Monumentenverordening. Sloterhof is niet om zijn schoonheid aangewezen als monument, en is evenmin van betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aldus [appellante].

2.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur beoordelingsvrijheid heeft bij de beantwoording van de vraag of een onroerende zaak kan worden aangemerkt als monument in de zin van de Monumentenverordening. Die beoordelingsvrijheid is ingevuld met de hiervoor onder 1. vermelde toetsingscriteria, die een nadere invulling geven aan de definitie van het begrip monument in de zin van artikel 1, aanhef, en onder a, van de Monumentenverordening. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat het pand niet volgens die criteria gewaardeerd mocht worden en gewaardeerd is.

In het rapport Advies Monumentenlijst Amsterdam Slotervaart van oktober 2008, dat in opdracht van het dagelijks bestuur door Steenhuis stedenbouw/landschap en Urban Fabric B.V. is opgesteld, is Sloterhof gewaardeerd volgens deze toetsingscriteria. Dit rapport gaat in op de vraag of het complex voldoet aan de basisnormen en of het pand van architectonische-, stedenbouwkundige- of cultuurhistorische waarde is en concludeert gemotiveerd dat Sloterhof van hoge stedenbouwkundige, ensemble, architectonische en typologische waarde is en zowel stedenbouwkundig als architectonisch gaaf is.

Daarnaast heeft het Bureau Monumenten & Archeologie (hierna: BMA) op verzoek van het dagelijks bestuur Sloterhof onderzocht en geconcludeerd dat het door zijn omvang en bouwwijze zonder meer als uniek kan worden aangeduid, mede gezien het feit dat de detaillering van het bouwsysteem nog niet is bedorven door "woningverbetering" en dat Sloterhof als stedenbouwkundig geheel nog volkomen gaaf is.

Ten slotte heeft de Commissie voor Welstand en Monumenten op verzoek van het dagelijks bestuur Sloterhof beoordeeld op monumentwaardigheid en bij brief van 12 december 2008 geconcludeerd dat plaatsing van het pand op de gemeentelijke monumentenlijst gerechtvaardigd is omdat het op basis van de stedenbouwkundige, architectuur- en cultuurhistorische waarden en de gaafheid en de zeldzaamheid bescherming verdient.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur zich aan de hand van deze adviezen in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat Sloterhof voor de gemeente monumentale waarde heeft. De adviezen zijn deugdelijk gemotiveerd en op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De stelling van [appellante] dat het bij de totstandkoming de bedoeling was dat het pand slechts tijdelijk van aard zou zijn, kan evenmin afdoen aan de cultuurhistorische waarde die het pand naar de huidige maatstaven heeft.

Voor zover [appellante] heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld, omdat zij geen mogelijkheid heeft gehad haar zienswijze aan de welstandcommissie kenbaar te maken, faalt haar betoog. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat [appellante] in de bezwaarfase voldoende gelegenheid heeft gehad haar zienswijze naar voren te brengen.

3.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het aanwijzingsbesluit een behoorlijke belangenafweging ontbeert en in strijd met artikel 3:4 van de Awb is genomen. Zij voert aan dat het onmogelijk is om bij een renovatie tot behoud van Sloterhof het beschermenswaardig geachte Nevamo-Aireysysteem, waarmee het gebouw is gerealiseerd, te behouden. Dit zou volgens [appellante] ook volgen uit het in opdracht van [appellante] vervaardigde rapport "Bouwfysische onderzoek Complex Sloterhof te Amsterdam", dat door M+P - raadgevende ingenieurs op 18 juni 2010 is opgesteld. Plaatsing op de monumentenlijst maakt volgens [appellante] renovatie onmogelijk.

3.1.    Het dagelijks bestuur komt beleidsvrijheid toe bij de aanwijzing van monumentwaardige panden als gemeentelijk monument. Het dient daarbij rekening te houden met het gebruik van het monument en het algemene belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed. Dit algemene belang dient te worden afgewogen tegen de belangen die de eigenaren hebben bij al dan niet aanwijzing.

De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat plaatsing op de monumentenlijst weliswaar een bescherming van het betrokken object beoogt, maar dat dit niet betekent dat eventueel in de toekomst gewenst geachte veranderingen aan of wijzigingen van het complex geheel zijn uitgesloten. De rechtbank heeft vervolgens op goede gronden overwogen dat de problemen met betrekking tot toekomstige wijzigingen welke [appellante] stelt eerst aan de orde kunnen komen bij de belangenafweging die in het kader van een vergunningsprocedure als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenverordening moet plaatsvinden, nu niet is gebleken van ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar bestaande, concrete plannen betreffende verbouwing of renovatie van Sloterhof. Evenmin zijn in het M+P onderzoeksrapport gegevens opgenomen waaruit volgt dat renovatie noodzakelijk is.

Met juistheid heeft de rechtbank verder overwogen dat evenmin aannemelijk is gemaakt dat een economisch verantwoorde exploitatie van Sloterhof door de aanwijzing onmogelijk wordt of dat niet meer aan de verplichtingen van het Burgerlijk Wetboek kan worden voldaan. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang dat is gediend met het behoud van en de instandhouding van Sloterhof. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Roemers    w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2012

47-756.