Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY4031

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2012
Datum publicatie
23-11-2012
Zaaknummer
201105940/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

GEMEENSCHAPSONDERDAAN. Nederlandse nationaliteit doet niet af aan rechten die aan Italiaanse nationaliteit kunnen worden ontleend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 8.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/38
RV20120032 met annotatie van Oosterom-Staples H. Helen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105940/1/V4.

Datum uitspraak: 20 november 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 27 april 2011 in zaak nr. 09/47967 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 26 november 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 april 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 158; hierna: de richtlijn) is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

Volgens het tweede lid, aanhef en onder a, wordt onder "familielid" verstaan: de echtgenoot.

Volgens artikel 3, eerste lid, is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, tweede lid, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 wordt, voor zover thans van belang, aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2, een document of schriftelijke verklaring verstrekt, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), voor zover hier van belang, is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2 EG/EER van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, is deze paragraaf eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met de vreemdeling heeft.

3. De referente bezit de Nederlandse en de Italiaanse nationaliteit.

Zij heeft de Italiaanse nationaliteit verkregen door haar huwelijk met een Italiaanse man en is van 1974 tot 2006 in Italië gevestigd geweest. Na de scheiding van haar Italiaanse echtgenoot is zij in 2006 naar Nederland teruggekeerd. De partner van referente (hierna: de vreemdeling) heeft de Egyptische nationaliteit en stelt haar ongehuwde partner te zijn, die op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 voor toepassing van de richtlijn met een echtgenoot gelijk gesteld kan worden. De relatie tussen de vreemdeling en de referente is eerst na terugkeer van de referente uit Italië naar Nederland ontstaan.

4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2008 in zaak nr. 200800488/1 (www.raadvanstate.nl), overwogen dat de Italiaanse nationaliteit van referente tijdens haar verblijf in Nederland een rol van betekenis speelt, in die zin dat referente en de vreemdeling rechten kunnen ontlenen aan het Unierecht.

5. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat, hoewel ten aanzien van referente aanknopingspunten bestaan met het Unierecht, de vreemdeling niettemin geen aanspraak op verblijf aan de richtlijn kan ontlenen. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat het verblijf van een burger van de Unie met een Italiaanse en een Nederlandse nationaliteit in Nederland wordt beheerst door het nationale recht en niet door het Unierecht. Nu referente verblijft in een lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezit, wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 3 en aan het doel en de strekking van die richtlijn, aldus de staatssecretaris. De staatssecretaris betoogt voorts dat hier geen sprake is van het meenemen van opgebouwde rechten van derdelands familieleden zoals in het geval van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Eind van 11 december 2007. De weigering om de vreemdeling, als partner van referente, het gevraagde document te verlenen houdt mitsdien geen belemmering in van het recht op vrij verkeer van referente, aldus de staatssecretaris.

5.1. In voormelde uitspraak van 15 juli 2008 heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, overwogen dat de staatssecretaris niet kan worden gevolgd in zijn in die zaak ingenomen standpunt dat, hoewel de echtgenoot van de vreemdeling op wie de zaak betrekking had naast de Nederlandse ook de Spaanse nationaliteit bezit, geen enkel aanknopingspunt bestaat met het Unierecht, nu die echtgenoot in Nederland woonachtig is en geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer.

In de onderhavige zaak brengt, naar door de staatssecretaris niet is bestreden, het feit dat referente naast de Nederlandse ook de Italiaanse nationaliteit bezit met zich dat sprake is van een aanknopingspunt met het Unierecht. De staatssecretaris stelt zich evenwel op het standpunt dat dit niet tot gevolg heeft dat de vreemdeling, als partner van referente, een aanspraak op verblijf aan de richtlijn kan ontlenen.

Voormelde uitspraak van 15 juli 2008 biedt hierover, zoals de Afdeling evenzeer heeft overwogen in de uitspraken in zaken nrs. 201012858/1/V2 van 28 oktober 2011 en 201011940/1/V1 van 2 november 2011 (www.raadvanstate.nl) en anders dan de rechtbank lijkt te hebben aangenomen, geen uitsluitsel.

5.2. In het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 5 mei 2011, C-434/09, McCarthy (www.curia.europa.eu), heeft het Hof onder punt 43 overwogen dat artikel 3, eerste lid, van richtlijn 2004/38/EG aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op een burger van de Unie die zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, die altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit en die ook de nationaliteit van een andere lidstaat bezit.

Anders dan in de zaak waarop evengenoemd arrest ziet, heeft de referente wel haar recht van vrij verkeer uitgeoefend. Gegeven de Italiaanse nationaliteit van de referente is zij mitsdien hier te lande aan te merken als begunstigde in de zin van artikel 3, eerste lid, van de richtlijn.

Het betoog van de staatssecretaris dat referente als terugkerende Nederlandse geen rechten kan ontlenen aan haar Italiaanse nationaliteit omdat zij het recht om hier te verblijven ontleent aan het Nederlanderschap, terwijl geen sprake is van het meenemen van opgebouwde rechten van derdelands familieleden, veronderstelt dat het bezitten van de Nederlandse nationaliteit kan afdoen aan de rechten die referente aan haar hoedanigheid van burger van een andere lidstaat aan het Unierecht ontleent. Voor die veronderstelling bestaat, gelet op de jurisprudentie van het Hof, geen grond (zie onder meer het arrest van 7 juli 1992, C-369/90, Micheletti, punten 10 en 11, het arrest van 2 oktober 2003, C-148/02, Garcia Avello, punt 28, en - in het kader van het besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG Turkije van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie - het arrest van 29 maart 2012 in gevoegde zaken C-7/10 en C-9/10, Kahveci en Inan, punt 41; www.curia.europa.eu).

De grief faalt.

6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Peute

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2012

391.

Verzonden: 20 november 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser