Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY2455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-11-2012
Datum publicatie
07-11-2012
Zaaknummer
201112863/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Glanerbrug 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112863/1/R1.

Datum uitspraak: 7 november 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Enschede,

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rowo Holding B.V. en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: Rowo Holding), gevestigd onderscheidenlijk wonend te Enschede,

3.    [appellant sub 3], wonend te Enschede,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Enschede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Glanerbrug 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], Rowo Holding en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2012, waar Rowo Holding, vertegenwoordigd door mr. J. Bosma, advocaat te Enschede, en [partij], en de raad, vertegenwoordigd door T.H.A. Polman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1.    Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Hiervan is onder meer sprake indien het beroep is gericht tegen een onderdeel van het plan dat eerst bij gewijzigde vaststelling daarin is opgenomen en belanghebbende daardoor in een ongunstiger positie is gebracht ten opzichte van het ontwerpplan.

1.1.    De Afdeling stelt vast dat Rowo Holding geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. Daartoe wordt overwogen dat, anders dan Rowo Holding veronderstelt, de brief van [partij] van 31 juli 2011 naar aard en strekking niet als zodanig kan worden opgevat, aangezien deze brief slechts een verzoek bevat op de hoogte gehouden te worden over de gevolgen voor zijn bedrijf in verband met de wijziging van het bestemmingsplan. De brief van 4 oktober 2011, waarin [partij] zijn bezwaren tegen het ontwerpplan kenbaar maakt, is ingekomen buiten de gestelde termijn voor het indienen van zienswijzen, zodat ook deze brief niet aangemerkt kan worden als een tijdig bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Gelet hierop behoefde de raad deze brief, anders dan Rowo Holding betoogt, niet bij de besluitvorming te betrekken.

In de omstandigheid dat de wethouder zou hebben toegezegd dat de bestaande rechten van Rowo Holding in het plan worden gerespecteerd en zij dientengevolge geen zienswijze hoefde in te dienen, wat daarvan ook zij, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Hiertoe overweegt de Afdeling dat deze toezegging naar gesteld heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2011, en daarmee niet alleen dateert van na de termijn voor het indienen van zienswijzen, maar tevens van na de datum van het bestreden besluit.

1.2.    Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat Rowo Holding in beroep alleen kan opkomen tegen het plan voor zover dit gewijzigd is ten opzichte van het ontwerp, en voor zover zij hierdoor in een ongunstiger positie is geraakt. In dit verband overweegt de Afdeling als volgt.

1.2.1.    Het beroep van Rowo Holding is onder meer gericht tegen de aanduiding "detailhandel-volumineus (dhv)", welke is toegekend aan een gedeelte van haar gronden gelegen aan de [locaties sub 2] en aan de [locatie sub 2a], te weten het gedeelte dat in gebruik is als winkel ten behoeve van een Action-vestiging (hierna: blok II en blok III) en het gedeelte dat in gebruik is als winkel ten behoeve van de detailhandelsvestiging van [partij] in woninginrichting en meubelen (hierna: blok IV en blok V).

Met betrekking tot de gronden van blok II en blok V geldt dat deze aanduiding in het ontwerpplan niet aan deze gronden was toegekend. Naar het oordeel van de Afdeling betreft dit echter geen wijziging waardoor Rowo Holding in een ongunstiger positie is geraakt. Daartoe wordt overwogen dat, anders dan Rowo Holding veronderstelt, deze aanduiding ter plaatse van de desbetreffende gronden tevens volumineuze detailhandel als bedoeld in artikel 12, lid 12.1, onder k, van de planregels toestaat. De toevoeging van deze aanduiding in het vastgestelde plan leidt daarmee tot een verruiming van de toegestane functies ter plaatse ten opzichte van het ontwerpplan, zodat dit niet nadelig is voor Rowo Holding.

Met betrekking tot de gronden van blok III en blok IV overweegt de Afdeling dat deze aanduiding in het ontwerpplan reeds aan de desbetreffende gronden was toegekend. Weliswaar is de bijbehorende planregel gewijzigd in zoverre dat hieraan de zinsnede 'en meubelen' is toegevoegd, maar naar het oordeel van de Afdeling betreft dit evenmin een wijziging waardoor Rowo Holding in een ongunstiger positie is geraakt. Door toevoeging van de zinsnede 'en meubelen' is, anders dan Rowo Holding veronderstelt, ter plaatse van deze aanduiding juist meer toegestaan dan in het ontwerpplan het geval was, zodat ook deze wijziging niet nadelig is voor haar.

1.2.2.    Het beroep van Rowo Holding is tevens gericht tegen de wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 12, lid 12.6, aanhef en onder j, van de planregels, voor zover deze bevoegdheid ziet op haar gronden.

Ingevolge dit artikellid kan het college van burgemeester en wethouders aan de onder a tot en met g genoemde wijzigingsbevoegdheden uitsluitend toepassing geven, indien:

1. de desbetreffende activiteit ter plaatse gedurende tenminste een half jaar is beëindigd en er geen redenen zijn om aan te nemen dat de activiteit op korte termijn wordt voortgezet, of;

2. met de eigenaar overeenstemming is bereikt over het op korte termijn beëindigen van de desbetreffende activiteit.

De Afdeling overweegt dat deze regeling weliswaar is gewijzigd in zoverre dat deze is samengevoegd en hernummerd en dat aan deze bepaling een alternatieve toepassingsmogelijkheid is toegevoegd onder 2., maar dat Rowo Holding hierdoor niet in een ongunstiger positie is geraakt. Van deze tweede mogelijkheid kan immers alleen gebruik worden gemaakt in het geval met de eigenaar van de gronden, in dit geval Rowo Holding, overeenstemming is bereikt over het beëindigen van de detailhandelsfunctie ter plaatse.

1.3.    Het beroep van Rowo Holding, voor zover dit ziet op de in 1.2.1 en 1.2.2 genoemde onderdelen, is niet-ontvankelijk.

Het plan

2.    Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de kern Glanerbrug.

Plansystematiek

3.    Rowo Holding is eigenaar van de percelen met de adressen [locatie sub 2a] en [locaties sub 2] te Glanerbrug, en kan zich niet verenigen met de planregeling voor deze percelen.

Op het adres [locatie sub 2a] bevindt zich een Action-vestiging. Het voorste gedeelte van dit perceel, bezien vanaf de Nieuw-[locatie sub 4], is in gebruik als magazijn ten behoeve van de Action-vestiging (hierna: blok I). De aangrenzende bebouwing daarachter is in gebruik als winkel voor deze Action-vestiging. Dit betreffen de eerder genoemde blokken II en III.

Op het adres [locatie sub 1] bevindt zich de detailhandelsvestiging van [partij] in woninginrichting en meubelen, de eerder genoemde blokken IV en V. Het pand [locatie sub 3] (hierna: blok VI) is in gebruik als opslagruimte ten dienste van deze detailhandelsvestiging.

4.    Rowo Holding betoogt dat de planregels volgens haar niet duidelijk zijn, en wijst hierbij in het bijzonder op artikel 12, lid 12.1, onder a, sub 3, en dit artikellid, onder e, van de planregels. Rowo Holding stelt dat niet duidelijk is hoe deze artikelen zich tot elkaar verhouden. Ook is het Rowo Holding niet duidelijk welke zelfstandige betekenis dit artikellid, onder d, toekomt, gelet op het genoemde artikellid, onder a, sub 3, en wat de toevoeging van de aanduiding "detailhandel-volumineus (dhv)" naast de aanduiding "detailhandel (dh)" betekent.

4.1.    Ingevolge artikel 12, lid 12.1, onder a, sub 3, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)" bedoeld voor bedrijven, met dien verstande dat deze functie uitsluitend is toegestaan op de begane grond en is beperkt tot bedrijven die zijn genoemd in categorie A van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 2).

Ingevolge dit lid, onder d, is ter plaatse van de aanduiding "detailhandel (dh)" een detailhandelsbedrijf of winkel toegestaan, met dien verstande dat deze functie uitsluitend is toegestaan op de begane grond.

Ingevolge dit lid, onder e, is ter plaatse van de aanduiding "supermarkt uitgesloten (-s)", in afwijking van het bepaalde in dit lid, onder c, een supermarkt niet toegestaan.

Ingevolge dit lid, onder k, aanhef en onder 3, is ter plaatse van de aanduiding "detailhandel-volumineus (dhv)" op de locatie [locatie sub 1] / [locatie sub 2a] uitsluitend volumineuze detailhandel in woninginrichting en meubelen toegestaan.

Ingevolge artikel 1, lid 1.28, wordt onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van afhaalzaken.

Ingevolge artikel 1, lid 1.29, wordt onder detailhandel, volumineus, verstaan detailhandel in volumineuze goederen die wegens aard en omvang en de specifieke vestigingseisen, met name op het gebied van bereikbaarheid en parkeren, niet thuishoort in het kernwinkelgebied of bestaande winkelcentra, zoals detailhandel in auto's, boten, caravans, ruwe bouwmaterialen, keukens en sanitair, tuincentra, bouwmarkten, woninginrichting en meubelen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.61, wordt onder supermarkt verstaan een zelfbedieningszaak in goederen met hoofdzakelijk een grote verscheidenheid aan levens- en genotsmiddelen.

4.2.    De raad heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat met de term bedrijven in artikel 12, lid 12.1, onder a, sub 3, bedrijven in enge zin worden bedoeld en dat detailhandel in het algemeen, en een supermarkt in het bijzonder, niet binnen deze categorie valt. Detailhandel, inclusief een supermarkt, is ingevolge dit artikellid, onder d, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de gronden waaraan de nadere aanduiding "detailhandel (dh)" is toegekend. Een supermarkt is ter plaatse van die gronden echter niet toegestaan wanneer daaraan tevens de nadere aanduiding "supermarkt uitgesloten (-s)" is toegekend. De Afdeling acht deze uitleg niet onjuist.

De Afdeling stelt vast dat de regeling onder d en die onder e, een nadere verruiming onderscheidenlijk beperking betreft van het gebruik zoals toegestaan op grond van het bepaalde onder a, voor gronden waaraan de desbetreffende aanduiding(en) zijn toegekend. Daarmee komt aan deze bepalingen zelfstandige betekenis toe. Dat in artikel 12, lid 12.1, onder e, naar het bepaalde in dit lid, onder c, wordt verwezen maakt dit oordeel niet anders. De Afdeling is van oordeel dat dit een kennelijke verschrijving betreft en dat uit de systematiek van de planregels duidelijk is dat het bepaalde onder d bedoeld wordt.

Ten aanzien van de verhouding tussen de aanduidingen "detailhandel (dh)" en "detailhandel-volumineus (dhv)" overweegt de Afdeling dat, zoals de raad ter zitting desgevraagd te kennen heeft gegeven, deze laatste aanduiding een aanvulling op de eerste betreft, inhoudende dat ter plaatse van gronden waaraan beide aanduidingen zijn toegekend, naast reguliere detailhandel ook volumineuze detailhandel als bedoeld in artikel 12, lid 12.1, onder k, van de planregels is toegestaan. De Afdeling acht deze uitleg niet onjuist.

5.    In hetgeen Rowo Holding in zoverre heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Planregeling Action-vestiging

6.    Rowo Holding betoogt dat zij als gevolg van het toekennen van de aanduiding "supermarkt uitgesloten (-s)" aan de gronden van blok III wordt beperkt in haar gebruik ter plaatse. Ook wordt de verkoopbaarheid van haar perceel als gevolg van deze aanduiding nadelig beïnvloed. Volgens Rowo Holding zijn haar bestaande rechten onvoldoende gerespecteerd.

6.1.    De Afdeling overweegt dat, anders dan Rowo Holding veronderstelt, deze aanduiding niet aan de desbetreffende gronden is toegekend, zodat het betoog in zoverre feitelijke grondslag mist.

7.    [appellant sub 1] en [appellant sub 3] wonen beiden aan de Nieuw-[locatie sub 4] en kunnen zich niet verenigen met de planregeling voor de Action-vestiging. Zij stellen ten eerste dat, anders dan hun door het gemeentebestuur is toegezegd, het vastgestelde plan geen verlichte bestemming voor het perceel [locatie sub 2a] bevat, gelet op de toegekende aanduiding "detailhandel (dh)".

7.1.    De raad stelt dat aan het perceel [locatie sub 2a] in het plan de nadere aanduiding "detailhandel (dh)" is toegekend, omdat dit pand in het voorgaande plan "Glanerbrug", vastgesteld op 27 juni 2005 en goedgekeurd op 3 juni 2006 (hierna: het voorgaande plan), reeds een medebestemming "Winkels (Wi)" had op grond waarvan, behoudens supermarkten, alle vormen van reguliere detailhandel waren toegestaan. Deze bestemming is in beginsel gehandhaafd in dit plan. Wel zijn enkele nadere aanduidingen en een wijzigingsbevoegdheid opgenomen teneinde het gebruik van het perceel op termijn te beperken en op die wijze de (verkeers)overlast voor omwonenden te verminderen. Wijziging van de bestemming of het verwijderen van de aanduiding "detailhandel (dh)" heeft in dit geval niet het gewenste effect, aldus de raad, omdat dat niet maakt dat de Action-vestiging daadwerkelijk dient te vertrekken, maar alleen betekent dat deze vestiging onder het overgangsrecht wordt gebracht. Bovendien benadeelt verwijdering van deze aanduiding de eigenaar, hetgeen kan leiden tot een verzoek om planschade, aldus de raad. In de huidige situatie, waarin nog geen nieuwe locatie voor de Action-vestiging is gevonden, acht de raad het opnemen van de genoemde functiebeperkende nadere aanduidingen en een wijzigingsbevoegdheid voor het desbetreffende perceel de beste oplossing.

7.2.    Aan de gronden waarop de Action-vestiging zich bevindt is in het vastgestelde plan de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)" toegekend.

Aan de gronden van blok I is tevens de aanduiding "maatschappelijk uitgesloten (-m)" toegekend.

Aan de gronden van blok II zijn de aanduidingen "maatschappelijk uitgesloten (-m)", "detailhandel (dh)", "detailhandel-volumineus (dhv)" en "supermarkt uitgesloten (-s)" toegekend.

Aan de gronden van blok III zijn de aanduidingen "maatschappelijk uitgesloten (-m)" en "detailhandel-volumineus (dhv)" toegekend.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, onder a, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)" bedoeld voor:

1. dienstverlening, met dien verstande dat deze functie uitsluitend is toegestaan op de begane grond;

2. maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat deze functie is beperkt tot maatschappelijke voorzieningen die zijn genoemd in categorie A van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 2);

3. bedrijven, met dien verstande dat deze functie uitsluitend is toegestaan op de begane grond en beperkt is tot bedrijven die zijn genoemd in categorie A van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 2);

4. het wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis;

5. bij deze doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen zoals bergingen, trappenhuizen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen.

7.3.    Met betrekking tot blok I en blok III stelt de Afdeling vast dat de nadere aanduiding "detailhandel (dh)" niet aan deze gronden is toegekend. De betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] missen derhalve in zoverre feitelijke grondslag.

7.4.    Ter plaatse van blok II is detailhandel wel toegestaan, gelet op de aan deze gronden toegekende nadere aanduiding "detailhandel (dh)". Ingevolge de eveneens aan deze gronden toegekende aanduidingen "maatschappelijk uitgesloten (-m)" en "supermarkt uitgesloten (-s)" zijn maatschappelijke functies en een supermarkt ter plaatse niet toegestaan. Daarmee is, anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 3] menen, wel een verlichte bestemming aan deze gronden toegekend. Het betoog faalt.

8.    Voorts voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 3] aan dat het toestaan van een detailhandelsvestiging als de bestaande Action in een woonwijk niet getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Zij wijzen erop dat de omgeving volgens hen niet is berekend op de verkeersaantrekkende werking van de Action-vestiging en dat bovendien onvoldoende parkeergelegenheid aanwezig is, hetgeen leidt tot parkeeroverlast en verkeerschaos.

8.1.    De raad stelt dat het gaat om een bestaande planologische situatie waarbij geen sprake is van een wijziging van de bestemming, en zodoende in planologische zin geen toename van parkeerdruk. De verkeersaantrekkende werking en de parkeerdruk worden niet veroorzaakt door de bestemming, maar door de huidige invulling daarvan, aldus de raad. Bezoekers van de Action-vestiging, evenals van de winkel van [partij], kunnen gebruik maken van de openbare parkeergelegenheid in de locatie sub 4]. Indien een onevenredige parkeerdruk ontstaat, is het aan de eigenaar [partij] om al dan niet in samenspraak met diens huurder maatregelen te treffen, zo stelt de raad.

8.2.     Gelet op de aan de gronden van blok II toegekende nadere aanduiding "detailhandel (dh)" is detailhandel aldaar toegestaan.

De raad heeft te kennen gegeven dat hij het onder het voorgaande plan toegestane gebruik ter plaatse (op termijn) wil beperken vanwege de bestaande overlast voor omwonenden, maar de bestaande Action-vestiging ter plaatse wel als zodanig wil bestemmen. Het niet als zodanig bestemmen van dit gebruik zou ertoe leiden dat dit gebruik onder het overgangsrecht zou worden gebracht, hetgeen een inperking van de bestaande rechten zou inhouden, zodat de raad daar niet voor heeft gekozen. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk te achten.

De Afdeling overweegt voorts dat, aangezien ook het voorgaande plan detailhandel ter plaatse toestond, de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een gelijke planologische situatie. De raad heeft derhalve in redelijkheid geen aanleiding behoeven zien om nader onderzoek te doen naar de parkeerbehoefte. Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Daartoe overweegt de Afdeling dat ter plaatse een parkeergelegenheid aanwezig is en dat [appellant sub 1] en [appellant sub 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze parkeergelegenheid niet voldoet. De door hen bedoelde overlast en verkeersaantrekkende werking zijn naar het oordeel van de Afdeling in beginsel niet ongewoon te achten voor een detailhandelsbestemming. Ook is overmatige of uitzonderlijke overlast als gevolg van de Action-vestiging niet aannemelijk gemaakt. In het geval dat [appellant sub 1] en [appellant sub 3] menen dat daar wel sprake van is, kunnen zij een verzoek omtrent handhaving van de openbare orde indienen.

Het betoog faalt.

9.    Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat zij overlast van de Action-vestiging ervaren in de vorm van ernstige luchtverontreiniging, stankoverlast, visuele hinder, geluidoverlast en een toename van zwerfvuil, overweegt de Afdeling dat hierop in de nota zienswijzen is gereageerd. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben in hun beroepschriften geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist is. Het betoog faalt reeds hierom.

10.    In hetgeen Rowo Holding in zoverre en [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van Rowo Holding is in zoverre ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] zijn geheel ongegrond.

Nadere aanduiding "maatschappelijk uitgesloten (-m)"

11.    Rowo Holding kan zich niet verenigen met de aanduiding "maatschappelijk uitgesloten (-m)", welke in het vastgestelde plan aan een gedeelte van haar gronden is toegekend. Door toekenning van deze aanduiding wordt volgens haar de verkoopbaarheid van haar percelen aan de [locatie sub 4] en de [locatie sub 5] nadelig beïnvloed, aangezien daarmee het aantal toegestane functies beperkt wordt. Ook is deze wijziging ten opzichte van het ontwerpplan niet gemotiveerd, aldus Rowo Holding.

11.1.    De aanduiding "maatschappelijk uitgesloten (-m)" is toegekend aan de gronden van de blokken I, III, IV, V en VI.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, onder c, van de planregels, zijn ter plaatse van deze aanduiding, in afwijking van het bepaalde onder a, maatschappelijke voorzieningen niet toegestaan.

Ingevolge artikel 1, lid 1.45, worden onder maatschappelijke voorzieningen verstaan educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen.

11.2.    Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt niet waarom de raad deze aanduiding aan de genoemde gronden heeft toegekend. Evenmin blijkt van een belangenafweging op dit punt. Weliswaar stond het voorgaande plan maatschappelijke functies ter plaatse niet toe, maar het ontwerpplan bevatte deze functiebeperkende aanduiding niet. Een motivering van deze wijziging ten opzichte van het ontwerp had derhalve naar het oordeel van de Afdeling in het besluit moeten worden opgenomen.

Het betoog slaagt.

11.3.    In hetgeen Rowo Holding in zoverre heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep is in zoverre gegrond.

Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

11.4.    Ter zitting heeft de raad desgevraagd te kennen gegeven dat hij de aanduiding "maatschappelijk uitgesloten (-m)" in het vastgestelde plan heeft opgenomen om tegemoet te komen aan de aan omwonenden gedane toezegging tot beperking van het gebruik ter plaatse. Indien de genoemde aanduiding niet zou zijn toegekend, zou het toegestane gebruik ter plaatse van deze gronden verruimd worden ten opzichte van het voorgaande plan, dat ter plaatse alleen wonen en deels ook winkels toestond.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van de omwonenden bij beperking van het gebruik ter plaatse dan aan het belang van Rowo Holding bij een verruiming daarvan, zodat dit standpunt niet onredelijk te achten is.

11.5.    Nu de raad ter zitting het besluit in zoverre alsnog voldoende heeft gemotiveerd, ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dat naar aanleiding van het door Rowo Holding aangevoerde wordt vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

Proceskostenveroordeling

12.    De raad dient ten aanzien van Rowo Holding op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rowo Holding B.V. en anderen niet-ontvankelijk voor zover dit gericht is tegen:

a.    de aanduiding "detailhandel volumineus (dhv)" en deze     is toegekend aan de gronden, gelegen aan de [locatie sub 3]     en [..] en aan de [locatie sub 2a];

b.     de wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 12, lid 12.6,     aanhef en onder j, van de planregels, voor zover deze ziet op     de bovenvermelde gronden;

II.    verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rowo Holding B.V. en anderen gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Enschede van 17 oktober 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Glanerbrug 2010", voor zover dit betrekking heeft op de nadere aanduiding "maatschappelijk uitgesloten (-m)" welke is toegekend aan de plandelen voor de blokken I, III, IV, V en VI, gelegen aan de [locaties sub 2] en aan de [locatie sub 2a];

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover dit betrekking heeft de plandelen genoemd onder III.,

V.    verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rowo Holding B.V. en anderen voor het overige en de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] geheel ongegrond;

VI.    veroordeelt de raad van de gemeente Enschede tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rowo Holding B.V. en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 962,57 (zegge: negenhonderdtweeënzestig euro en zevenenvijftig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII.    gelast dat de raad van de gemeente Enschede aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rowo Holding B.V. en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Bošnjaković

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2012

410-667.