Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY2161

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2012
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
201209339/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blijkens de inhoud van het […] formulier Model M120 en de brief van 19 juli 2012 was de minister ten tijde van belang bekend met de leeftijd en medische situatie van de vreemdeling. Gelet op de inhoud van deze stukken had de minister de medische situatie en leeftijd van de vreemdeling kenbaar in de belangenafweging omtrent het verlengen van de maatregel van bewaring moeten betrekken. Nu de minister dit in dit geval heeft nagelaten, heeft de Rb. niet onderkend dat de minister niet tot verlenging van de termijn van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden heeft mogen besluiten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/496
RV20120081 met annotatie van Cornelisse G.N. Galina
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209339/1/V3.

Datum uitspraak: 25 oktober 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 21 september 2012 in zaak nr. 12/28407 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2012 is de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel met ten hoogste twaalf maanden verlengd (hierna: het verlengingsbesluit). Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 september 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft zij daarbij de Afdeling verzocht haar schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt in de grieven II en III, voor zover thans van belang, dat de overweging van de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat haar medische omstandigheden geen aanleiding vormen om een lichter middel toe te passen onjuist is. Daartoe voert zij aan dat zij bejaard en hulpbehoevend is en dat haar geestelijke conditie achteruit is gegaan. Uit het verlengingsbesluit valt niet op te maken hoe de minister deze door haar naar voren gebrachte belangen heeft afgewogen, aldus de vreemdeling.

1.1. Op het in het dossier van de vreemdeling opgenomen formulier Model M120 staat bij de datum 10 mei 2012 vermeld:

"INTERN: betrokkene is regelmatig onderwerp van het gesprek in het MDO in het DCR. Zij vraagt om extra zorg en aandacht en lijkt niet echt geschikt om in het DCR te zitten. Op verzoek van DJI onderzocht of er vanuit de DT&V alternatieve oplossingen zijn. Zaak op 9-5-2012 besproken met de senioren van de VBL's Ter Apel en Vught, de managers van de beide VBL's en uiteindelijk met de directeur VV. Door senior TA is de zaak voorgelegd aan de IND. Op 8-5-2012 is nadrukkelijk met betrokkene gesproken over vrijwillige terugkeer met IOM en met geldelijke ondersteuning. Hieraan wil mevrouw niet meewerken. Het uiteindelijk standpunt van DT&V is dat er voor mevrouw geen alternatieven zijn, dus geen opvang o.i.d. Bewaring blijft vooralsnog gehandhaafd. Er wordt strak gemonitord op afdoening art. 64 door IND."

Bij de datum 12 juli 2012 staat vermeld:

"Met dienstdoende psychiater van het DCR gesproken. Hij heeft betrokkene gezien. Volgens hem vertoont zij dementerende trekjes, loopt zij niet echt goed en lijkt (af en toe) incontinent te zijn. Zij is voor deze symptomen niet onder medische behandeling."

Voorts staat in een door de vreemdeling overlegde brief van 19 juli 2012 van een psychiater van het Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en psychologie (NIFP) – Detentiecentrum Rotterdam het volgende vermeld:

"Op 5-7-12 werd geconcludeerd dat er sprake was van een 66-jarige vrouw uit Burundi met veel lichamelijke klachten (oedeembenen, incontinentie, kiespijn en glaucoom) en enige onduidelijkheid over cardiovasculaire problemen (hypertensie, hyperglycemie, myocardinfarct?) met op afdeling zelfvervuiling welke niet corrigeerbaar lijkt. Mogelijk sprake van regressie dan wel een dementiële component. Differentiaal diagnostisch: aanwijzingen voor vasculair dementiële klachten? Hierop werd de zorg/ondersteuning vanuit het personeel tijdelijk geïntensiveerd, hetgeen een verbetering van de zelfhygiëne tot gevolg had."

1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 september 2012 in zaak nr. 201205536/1/V3, www.raadvanstate.nl), dienen bij de belangenafweging omtrent het verlengen van de maatregel van bewaring alle van belang zijnde feiten en omstandigheden te worden betrokken.

Blijkens de inhoud van het onder 1.1 weergegeven formulier Model M120 en de brief van 19 juli 2012 was de minister ten tijde van belang bekend met de leeftijd en medische situatie van de vreemdeling. Gelet op de inhoud van deze stukken had de minister de medische situatie en leeftijd van de vreemdeling kenbaar in de belangenafweging omtrent het verlengen van de maatregel van bewaring moeten betrekken. Nu de minister dit in dit geval heeft nagelaten, heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister niet tot verlenging van de termijn van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden heeft mogen besluiten.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op overweging 1.2, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 7 september 2012 van de minister alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 7 september 2012 tot 25 oktober 2012, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

3. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 21 september 2012 in zaak nr. 12/28407;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande 25 oktober 2012 wordt opgeheven;

V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 3.840,00 (zegge: drieduizendachthonderdveertig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

VI. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter w.g. Vonk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2012

345-689.

Verzonden: 25 oktober 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser