Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BY1702

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
201105754/1/T1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college aan [appellante sub 2] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het bewerken van hout en metaal, de opslag van materialen en materieel en het inzamelen en verbranden van A-hout op het perceel [locatie 1] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3916
JAF 2012/184 met annotatie van Van der Meijden
JAF 2012/185 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105754/1/T1/A4.

Datum uitspraak: 31 oktober 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1] (hierna: het autobedrijf), gevestigd te [plaats],

2.    [appellante sub 2] (hierna: [appellante sub 2]), gevestigd te [plaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college aan [appellante sub 2] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het bewerken van hout en metaal, de opslag van materialen en materieel en het inzamelen en verbranden van A-hout op het perceel [locatie 1] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben het autobedrijf, [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het autobedrijf en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2012, waar het autobedrijf, vertegenwoordigd door ing. M. Boers, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. A. Groenewoud, advocaat te Breda, en J.T.M. van Schijndel, [appellant sub 3] en het college, vertegenwoordigd door M.R.M.J. Beekwilder-van den Heuvel en W. van Soelen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.    Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

3.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor een bestaand bouw- en aanneembedrijf met een timmer- en metaalwerkplaats en een kantoor. Door het in gebruik nemen van een houtvergassingsinstallatie is de inrichting vergunningplichtig geworden, zodat bij het bestreden besluit een oprichtingsvergunning is verleend voor de bestaande inrichting en het in werking hebben van een houtvergassingsinstallatie voor de verbranding van het zogenoemde A-hout (ongeverfd en onbehandeld hout), afkomstig van de timmerwerkplaats en van eigen werken op bouwlocaties buiten de inrichting, ten behoeve van de verwarming van de werkplaats, het kantoor en het woonhuis.

4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

De beroepen van het autobedrijf en van [appellant sub 3]

5.    Volgens het autobedrijf is de inrichting in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan Berlicum Noord. Zij stelt dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de inrichting als een milieucategorie 3-bedrijf moet worden aangemerkt in de zin van dit bestemmingsplan. Volgens haar hadden de bedrijfsactiviteiten in de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij het bestemmingsplan moeten zijn opgenomen, wat niet het geval is volgens het maatgevende bedrijfstype, te weten het inzamelen en verbranden van afval.

5.1.    Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan de vergunning worden geweigerd ingeval door verlening ervan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan. Dit artikellid geeft een bevoegdheid maar geen verplichting om een vergunning te weigeren vanwege strijd met het bestemmingsplan.

5.2.    Niet in geschil is dat ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse bedrijven mogen worden gevestigd die behoren tot categorie 3, aangeduid in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. In deze Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn onder SBI-code 45 "Bouwbedrijven en Aannemersbedrijven met werkplaats" opgenomen als categorie 3-bedrijf. De inrichting in kwestie is zo'n bedrijf. Dat in de inrichting een verwarmingsinstallatie is geplaatst die wordt gestookt met van de eigen bouwprojecten overgebleven houtrestanten, betekent, anders dan het autobedrijf kennelijk beoogt aan te voeren, niet dat de inrichting niet langer als bouw- en aanneembedrijf kan worden aangemerkt. Hetgeen het autobedrijf in beroep aanvoert geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er strijd met het bestemmingsplan is.

De beroepsgrond faalt.

6.    Het autobedrijf stelt dat uit de vergunning niet duidelijk blijkt welke afvalstoffen mogen worden geaccepteerd en dat de herkomst van het ingenomen A-hout niet kan worden gecontroleerd. Zij stelt onder verwijzing naar de vergunningvoorschriften 2.4.1 tot en met 2.4.4 dat onduidelijk is welke processen met afvalstoffen zijn vergund. Volgens haar zijn de herkomst, aard en wijze van sorteren van de afvalstoffen onduidelijk. Het college stelt volgens haar ten onrechte dat het niet gaat om een sorteerinrichting omdat het heeft erkend dat binnen de inrichting afvalstoffen handmatig worden gesorteerd, aldus het autobedrijf. Voorts is volgens het autobedrijf ten onrechte niet uitgesloten dat meer dan 70 m3 A-hout wordt verbrand. Zij voert tot slot aan dat vergunningvoorschrift 2.4.1 niet uitsluit dat de 500.000 kg hout die als grondstof wordt gebruikt binnen de inrichting, wordt verbrand.

6.1.    Vergunning is gevraagd en verleend voor een bouw- en aanneembedrijf. De bij de productie binnen de inrichting en de bouwprojecten van dit bedrijf vrijkomende afvalstoffen worden binnen de inrichting opgeslagen, gesorteerd en afgevoerd dan wel - uitsluitend voor zover het om A-hout gaat - verbrand in de vergassingsinstallatie.

Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden inzake de registratie van de afvoer van de afvalstoffen en van het aanwezige A-hout, de maximaal voor de verwarming te gebruiken hoeveelheid A-hout, de wijze van opslag van het te verbranden A-hout, het scheiden en gescheiden houden en het gescheiden afvoeren van afvalstoffen. In bijlage 4 bij de aanvraag, die op grond van het bestreden besluit deel uitmaakt van de verleende vergunning, is vermeld welke typen afvalstoffen in welke hoeveelheid per jaar en op enig moment worden opgeslagen en op welke locatie en wijze en met welke frequentie afvoer plaatsvindt.

Hetgeen het autobedrijf aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat aldus onvoldoende duidelijkheid bestaat inzake de afvalstoffen of dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het stellen van verdere voorschriften op dit punt.

6.2.    De stelling dat meer dan 70 m3 A-hout mag worden verbrand, mist feitelijke grondslag. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.4.1 is bepaald dat jaarlijks maximaal deze hoeveelheid mag worden gebruikt.

6.3.    Voor zover het autobedrijf wil betogen dat in de vergunning ten onrechte niet is vastgelegd dat de in de aanvraag om vergunning (blz. 8) vermelde jaarlijks als grondstof te gebruiken hoeveelheid hout van 500.000 kg slechts mag worden gebruikt voor de bouw, en niet als brandhout, overweegt de Afdeling dat de Wet milieubeheer niet dwingt tot het stellen van voorschriften voor situaties waarvan op voorhand duidelijk is dat deze zich niet zullen voordoen. Het college mocht ervan uitgaan dat de drijver van de inrichting er niet voor zal kiezen om in plaats van afvalhout nieuw, voor de bouw bestemd, hout in de verwarmingsinstallatie op te stoken.

6.4.    De beroepsgronden falen.

7.    Volgens het autobedrijf kan niet worden voldaan aan de in vergunningvoorschrift 8.2.1 gestelde grenswaarde van 100 mg/m3 voor de stofemissie vanwege de houtvergassingsinstallatie. Volgens haar blijkt uit de zichtbare rookontwikkeling dat niet aan de grenswaarde wordt voldaan.

7.1.    Het college verwijst in het bestreden besluit naar de specificaties van de houtvergassingsinstallatie waaruit blijkt dat de stofemissie van de installatie 19 mg/m3 bedraagt. Het autobedrijf heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat deze waarde onjuist is. Gelet daarop kon het college ervan uitgaan dat ruimschoots aan de grenswaarde van 100 mg/m3 kan worden voldaan. De omstandigheid dat rookontwikkeling vanuit de afvoerpijp zichtbaar is, bewijst niet dat de grenswaarde wordt overschreden.

De beroepsgrond faalt.

8.    [appellant sub 3] vreest voor overlast door rook en zogenoemd fijnstof vanwege de houtvergassingsinstallatie. Vanwege deze overlast acht hij het onacceptabel dat de installatie van 05:00 tot 21:00 uur in werking mag zijn en niet slechts in de dagperiode.

Het autobedrijf voert aan dat het college bij de beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor de luchtkwaliteit ten onrechte stelt dat de nieuwe houtvergassingsinstallatie een oude installatie vervangt en er daarbij van uitgaat dat de luchtkwaliteit ten opzichte van die oude installatie verbetert. Volgens het autobedrijf mocht voorafgaand aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning geen houtgestookte installatie in werking zijn binnen de inrichting, zodat de gevolgen voor de luchtkwaliteit moeten worden beoordeeld ten opzichte van de situatie waarin geen houtgestookte installatie in gebruik is.

8.1.    Het college stelt op blz. 31 van het bestreden besluit dat de nieuwe houtvergassingsinstallatie, ten opzichte van de oude houtkachel, leidt tot een betere verbranding en dat de hoeveelheid te verbranden hout niet toeneemt. Daarom verbetert volgens het college per saldo de concentratie in de buitenlucht van stikstofoxiden en zwevende deeltjes (PM10) als gevolg van de houtvergassingsinstallatie of blijft zij tenminste gelijk.

8.2.    Ingevolge artikel 5.16, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer kan het college, kort weergegeven, een milieuvergunning die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit verlenen, indien het aannemelijk heeft gemaakt dat de verlening niet leidt tot overschrijding van de in bijlage 2 opgenomen grenswaarden voor de luchtkwaliteit, of dat de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of dat de verlening niet in betekenende mate bijdraagt aan deze concentratie.

8.3.    In 2007 is ten aanzien van de inrichting een melding als bedoeld in het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer gedaan. In deze melding is aangegeven dat de oorspronkelijke houtkachel buiten gebruik is gesteld, waarmee de vergunningplicht voor de inrichting is komen te vervallen. De thans verleende vergunning leidt ertoe dat opnieuw - ditmaal niet in de oorspronkelijke houtkachel maar in een houtvergasser - afvalhout kan worden verbrand in de inrichting. Gelet daarop heeft de vergunningverlening tot gevolg dat, anders dan in de situatie van de genoemde melding, in de inrichting afvalhout kan worden verbrand. Nu dit gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kan de vergunning uitsluitend worden verleend indien het college aannemelijk maakt dat één van de drie hiervoor weergegeven situaties zich voordoet ten opzichte van de situatie waarin geen hout wordt verbrand in de inrichting. Nu het college zich op het standpunt heeft gesteld dat de concentratie in de buitenlucht van stikstofoxiden en zwevende deeltjes (PM10) gelijk blijft of verbetert ten opzichte van de situatie waarin de oorspronkelijke houtkachel in gebruik was, berust het besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

De beroepsgronden van [appellant sub 3] en het autobedrijf over de luchtkwaliteit slagen in zoverre.

9.    [appellant sub 3] vreest voor geuroverlast vanwege de houtvergassingsinstallatie.

9.1.    In paragraaf 13 van de overwegingen bij het bestreden besluit heeft het college uiteengezet dat de geuremissie als gevolg van de houtvergassingsinstallatie is bepaald via een verspreidingsberekening, waarbij de hoogst berekende 98-percentielwaarde 1,2 OUe/m3 bedroeg. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat deze waarde in dit geval een acceptabel hinderniveau is. Daarbij is het college uitgegaan van het eigen beleid dat waarden onder de richtwaarde van 1 OUe/m3 altijd acceptabel zijn en dat voor richtwaarden tussen 1 en 2 OUe/m3 kan worden gemotiveerd dat die waarde acceptabel is. [appellant sub 3] heeft niet met concrete argumenten bestreden dat het college niet in redelijkheid tot deze afweging heeft mogen komen.

De beroepsgrond faalt.

Het beroep van [appellante sub 2]

10.    Ter zitting heeft [appellante sub 2] haar beroepsgrond over de beperking van de werktijden op zaterdagmiddag ingetrokken en aangevoerd dat het beperken van het in werking zijn van de houtvergassingsinstallatie tot de overige werktijden van de inrichting onevenredige consequenties heeft voor haar bedrijfsvoering. Volgens [appellante sub 2] is de houtvergassingsinstallatie noodzakelijk voor de verwarming van de gebouwen en leidingen en moet de installatie ook buiten de werktijden van de inrichting in gebruik kunnen zijn.

10.1.    Anders dan [appellante sub 2] heeft gesteld, volgt dit eerst ter zitting aangevoerde betoog naar het oordeel van de Afdeling niet uit hetgeen [appellante sub 2] in haar beroepschrift heeft aangevoerd over de werktijden op zaterdag.

10.2.    Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

Niet is gebleken dat [appellante sub 2] deze beroepsgrond niet eerder heeft kunnen aanvoeren dan ter zitting waardoor de andere partijen daarop niet adequaat hebben kunnen reageren. De Afdeling laat deze beroepsgrond daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

11.    [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met vergunningvoorschrift 2.3.2. Daarin is bepaald dat van al het binnen de inrichting aanwezige A-hout de datum van aanvoer, de aangevoerde hoeveelheid (kg), de naam en het adres van de locatie van herkomst (bouwlocatie) en het soort (bouw)werk waarvan het A-hout afkomstig is moet worden geregistreerd. Dit voorschrift is volgens [appellante sub 2] onwerkbaar. Daartoe voert zij aan dat haar bedrijfsvoering kleinschalig en fragmentarisch is en dat de registratieverplichtingen te vergaand zijn. Ter zitting heeft zij toegelicht welke praktische problemen dit voorschrift voor haar bedrijfsvoering oplevert.

In het bijzonder voert [appellante sub 2] aan dat binnen de inrichting geen weegbrug aanwezig is waardoor het niet mogelijk is om het gewicht van het aangevoerde A-hout te bepalen. Volgens haar is dit voorschrift niet in overeenstemming met het standpunt van het college op blz. 15 van het besluit, te weten dat de hoeveelheid aangevoerd A-hout ook in een andere eenheid, bijvoorbeeld kubieke meters, zou mogen worden weergegeven.

11.1.    Het college stelt in het verweerschrift dat het voorschrift 2.3.2 abusievelijk niet heeft aangepast in de zin dat de hoeveelheid A-hout tevens in kubieke meters, en niet slechts in kilogrammen, mag worden geregistreerd. Nu ingevolge het voorschrift de hoeveelheid in kg moet worden vermeld, is het besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid.

De beroepsgrond slaagt in zoverre.

11.2.    Het college stelt zich op het standpunt dat voorschrift 2.3.2 van belang is om bij te houden dat de voorgeschreven hoeveelheid te verbranden A-hout niet overschreden wordt. De registratieplicht uit het voorschrift ziet echter niet op de hoeveelheid te verbranden A-hout maar op de hoeveelheid aanwezig A-hout. Voorts vereist het voorschrift tevens de registratie van andere gegevens dan de hoeveelheid. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college niet toereikend gemotiveerd dat alle registratieverplichtingen die zijn opgenomen in voorschrift 2.3.2 in dit geval, gelet op de activiteiten binnen de inrichting, noodzakelijk zijn in het belang van de bescherming van het milieu.

De beroepsgrond slaagt ook in zoverre.

12.    Voor zover [appellante sub 2] aanvoert dat op blz. 24 van de overwegingen bij het besluit ten onrechte wordt verwezen naar sectorplan 35, terwijl sectorplan 36 wordt bedoeld, overweegt de Afdeling dat de overwegingen dienen ter motivering van het besluit, maar op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven roepen en dat de overwegingen als zodanig niet voor beroep vatbaar zijn. De beroepsgrond kan reeds daarom niet slagen.

13.    [appellante sub 2] stelt dat de vergunningvoorschriften onder 4.3, met betrekking tot bedrijfsrioleringen, niet noodzakelijk zijn. Daartoe voert zij aan dat zij per jaar slechts 8 m3 huishoudelijk afvalwater afvoert en geen productieprocessen kent waarbij bedrijfsafvalwater vrijkomt. Ter zitting heeft [appellante sub 2] haar betoog toegespitst op voorschrift 4.3.3. Zij acht het bezwarend dat de inspectie van de riolering ingevolge dat voorschrift moet plaatsvinden aan de hand van de normen NEN 3399 en NEN 3398.

13.1.    Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de voorschriften onder 4.3 niet specifiek op bedrijfsafvalwater zien, maar op alle water dat ontstaat binnen de inrichting. Volgens het college zijn de voorschriften gebruikelijk bij dergelijke bedrijven.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende gemotiveerd waarom het voor de inrichting in kwestie nodig is de in voorschrift 4.3.3 voorgeschreven inspectie, tezamen met de in dit voorschrift vermelde NEN-normen, voor te schrijven.

De beroepsgrond slaagt in zoverre.

14.    [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met vergunningvoorschrift 7.3.1, waarin is bepaald dat de vergunninghouder op verzoek van het bevoegd gezag een onderzoek moet verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om geuroverlast te voorkomen indien het aantal klachten daartoe aanleiding geeft. [appellante sub 2] voert aan dat mede naar aanleiding van klachten regelmatig controles plaatsvinden en nimmer overtredingen zijn geconstateerd. Volgens haar zijn de klachten over het algemeen van één persoon afkomstig en wordt zij onevenredig benadeeld indien zij naar aanleiding van die klachten herhaaldelijk onderzoeken moet laten uitvoeren.

14.1.    Het college stelt in het verweerschrift dat de bedoeling van dit voorschrift is dat [appellante sub 2] op enigerlei wijze duidelijk kan maken of klachten eventueel gegrond zijn, bijvoorbeeld door het bijhouden van een logboek waarin de tijdstippen van het in werking zijn van de houtvergassingsinstallatie zijn vermeld, zoals [appellante sub 2] reeds doet. Ter zitting heeft het college verklaard dat het bijhouden van een logboek één van de onderdelen van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 7.3.1 kan zijn. De tekst van het voorschrift sluit niet aan bij hetgeen het college in het verweerschrift en ter zitting heeft gesteld. Reeds daarom is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

15.    [appellante sub 2] stelt tot slot dat paragraaf 9 van de vergunningvoorschriften, die ziet op de afleverinstallatie voor motorbrandstoffen, overbodig is aangezien slechts vergunning is gevraagd voor één opstelplaats voor het tanken van één voertuig.

15.1.    In paragraaf 9 zijn voorschriften gesteld met betrekking tot een afleverinstallatie voor motorbrandstof in het algemeen en met betrekking tot een afleverinstallatie voor het afleveren van motorbrandstof zonder toezicht.

Ingevolge voorschrift 9.1.6 moet per drie opstelplaatsen van tankende voertuigen ten minste één poederblustoestel aanwezig zijn met een vulling van ten minste 6 kg bluspoeder.

15.2.    Het college stelt zich op het standpunt dat de voorschriften van paragraaf 9, met uitzondering van voorschrift 9.1.6, gebruikelijke voorschriften zijn waar binnen de inrichting waarschijnlijk al aan voldaan wordt. Voorts stelt het college dat voorschrift 9.1.6 een voorwaardelijk voorschrift is en aangezien slechts één opstelplaats is vergund, geen poederblustoestel aanwezig hoeft te zijn.

15.3.    Voorschrift 9.1.6 is niet nodig in het belang van de bescherming van het milieu. Het college heeft immers erkend dat dit voorschrift niet van toepassing is, nu binnen de inrichting slechts één opstelplaats is vergund.

De beroepsgrond slaagt in zoverre.

15.4.    Wat betreft de overige voorschriften van paragraaf 9 is ter zitting gebleken dat daaraan reeds wordt voldaan of eenvoudig kan worden voldaan. Het college heeft onbestreden gesteld dat deze voorschriften standaard zijn bij inrichtingen waar een afleverinstallatie voor motorbrandstoffen aanwezig is. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college de voorschriften niet in redelijkheid kon stellen in het belang van de bescherming van het milieu.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

Slotoverwegingen

16.    De beroepen zijn gedeeltelijk gegrond. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Het college dient daartoe met inachtneming van overweging 8.3 alsnog toereikend te motiveren dat de verlening van de vergunning niet leidt tot overschrijding van de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor de luchtkwaliteit, dat de concentratie in de buitenlucht van stikstofoxiden en zwevende deeltjes (PM10) per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft of dat de verlening niet in betekenende mate bijdraagt aan deze concentratie, dan wel dient het college de vergunning alsnog te weigeren indien niet aan artikel 5:16 van de Wet milieubeheer kan worden voldaan.

Voorts dient het college ten aanzien van de voorschriften 2.3.2, 4.3.3, 7.3.1 en 9.1.6 met inachtneming van de overwegingen 11.1 en 11.2, 13.1, 14.1 en 15.3 alsnog toereikend te motiveren dat deze voorschriften nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu, dan wel te besluiten deze voorschriften te wijzigen of te laten vervallen.

Indien een nieuw besluit wordt genomen, behoeft daarbij geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

17.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak:

1.    met inachtneming van de overwegingen 8.3, 11.1 en 11.2, 13.1, 14.1 en 15.3 de daar omschreven gebreken te herstellen en

2.    de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx    w.g. Van der Zijpp

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2012

262-687.